SCP: Flexwet zet flexwerker op achterstand

Nieuwe wet beperkt kans op tweede contract

De nieuwe flexwet waarbij werknemers geen drie maar twee jaar een tijdelijk contract mogen krijgen, werkt eerder contraproductief dan dat het de 'doorgeschoten flexibilisering van de arbeidsmarkt' tegengaat. Dat denkt onderzoeker Jan Dirk Vlasblom van het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP). Vlasblom is een van de opstellers van het rapport Vraag naar Arbeid 2013, dat het SCP vandaag presenteert.

In het rapport besteedt het SCP onder meer aandacht aan de positie van ouderen, scholing van werknemers, arbeidsgehandicapten en aan flexibilisering. De onderzoeksperiode loopt van 1995 tot 2011. In die periode verdubbelde het aandeel bedrijven dat gebruikmaakt van flexkrachten. "De roep om minder flex heeft dus niet geleid tot een afname van de flexibilisering", zegt Vlasblom.

Meer bedrijven die met flexkrachten werken wil niet per se zeggen dat het aantal tijdelijke contracten is toegenomen, al wijzen cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek wel op die trend. Zo werkte in 2001 13 procent van de werknemers op basis van een tijdelijk contract, in 2013 was dat al 20 procent.

Vlasblom signaleert dat afspraken waarin werkgevers, werknemers en politici zich op centraal niveau kunnen vinden, moeilijk doorsijpelen naar het bedrijfsleven. "Er is een verschil tussen wat mensen als groep belangrijk vinden, en wat ze zelf doen. Vergelijk het met maatschappelijk verantwoord ondernemen. Iedereen vindt dat bedrijven dat zouden moeten doen, maar toch laten wij ons daar niet door leiden bij het winkelen. Werkgevers zullen in hun eigen bedrijf altijd voor de meest werkbare oplossing gaan. Ze willen snel kunnen schakelen als er tijdelijk minder mensen nodig zijn."

Het SCP noemt het opvallend dat werkgevers voor structureel werk toch vaak kiezen voor een flexkracht. Als het contract afloopt, zoekt het bedrijf een nieuwe werknemer.

De nieuwe Wet Werk en Zekerheid, die binnenkort in de Eerste Kamer wordt behandeld, moet deze vorm van flexibele arbeid beperken. De wet regelt dat werknemers niet na drie, maar na twee jaar een vast contract moeten krijgen. Ook mag een werkgever zijn flexkracht pas na een half jaar opnieuw een tijdelijk contract geven. Nu geldt een overbruggingsperiode van drie maanden.

Economen hebben veel kritiek op de wet omdat het de positie van flexkrachten zou verslechteren. Ook de onderzoekers van het SCP vrezen voor de effecten. "Ik vermoed dat er een categorie werknemers is die nu nog net na drie maanden terug mag komen, maar straks buiten de boot valt. Dat de baas zegt: 'Ik heb geen zin om een half jaar te wachten; het waren twee mooie jaren, maar helaas'."

De vakbonden zijn wel overtuigd van de nieuwe flexwet. Werkgevers zijn volgens hen onterecht bang voor de hoge kosten als zij van een vaste kracht af willen. De ontslagvergoeding is gemiddeld niet hoger dan een maandloon per dienstjaar. Daarnaast wordt per 1 juli 2014 het ontslagrecht versoepeld.

Vlasblom betwijfelt of deze maatregelen het verschil gaan maken. Bij werkgevers blijft het idee leven dat vast personeel een blok aan het been kan zijn. De SCP-onderzoeker spreekt van 'een verschil tussen perceptie en werkelijkheid'. "Voor een groeiend deel van de beroepsbevolking is vast lang zo vast niet als twintig jaar terug. Toch merk je dat iedereen vastzit in het oude paradigma van 'vast is vast tot je vijfenzestigste', flex dat is tot volgend jaar. Dat speelt niet alleen bij werkgevers, ook bij werknemers."

Toch is blijven vechten voor een vaste aanstelling lang niet voor iedereen 'de optimale strategie'. Zeker nu het ontslagrecht wordt versoepeld, worden de verschillen tussen flex en vast kleiner. "Met een vast contract neemt je zekerheid wel iets toe, maar niet veel. Aan de andere kant hangt er in de maatschappij nog veel af van vaste dienstverbanden. Probeer maar eens een hypotheek te krijgen op een flexcontract. Als op je contract 'vast' staat, nemen je mogelijkheden toe, maar je zekerheden niet altijd."

Gehandicapten: lage prioriteit

Op termijn moeten werkgevers en overheid zorgen voor 125.000 werkplekken voor arbeidsgehandicapten. "Tamelijk ambitieus gezien het personeelsbeleid van werkgevers", stelt het SCP. In 2011 gaf slechts 9 procent van de werkgevers aan in hun personeelsbeleid prioriteit te geven aan het werven van arbeidsgehandicapten. Dit is lager dan het aandeel werkgevers dat prioriteit geeft aan beleid voor andere groepen, zoals personen uit migrantengroepen (12 procent) of 'meer vrouwen aan de top' (18 procent).

Niet alleen de marktsector scoort mager op het gebied van arbeidsgehandicapten. Ook de overheid, die toch het goede voorbeeld zou moeten geven, blijkt het onderwerp als werkgever eigenlijk niet belangrijk te vinden.

Werkgevers vinden het steeds wenselijker dat ouderen na hun 60ste doorwerken. In 2001 vond 41 procent het wenselijk dat werknemers na hun 60ste doorwerken. In 2011 was dat gestegen naar 61 procent.

Toch heeft een vijfde van de werkgevers nog altijd het idee dat de loonkosten van 55-plussers hoger zijn dan hun productiviteit. Bedrijven nemen dan ook weinig nieuwe 55-plussers aan. Het SCP signaleert dat regelingen om vroegtijdig te stoppen met werken worden afgebouwd en dat zogenoemde ontziemaatregelen op hun retour zijn. Seniorendagen maken het werk lichter, maar zorgen er ook voor dat oudere werknemers relatief duur zijn ten opzichte van jongeren.

Geen extra uitgaven scholing

Het aandeel werkgevers dat prioriteit geeft aan scholing steeg in de periode 2005-2011 van 66 naar 72 procent. De inzet van het persoonlijke opleidingsplan, een overeenkomst over de persoonlijke ontwikkeling van de werknemer, steeg van 31 naar 42 procent.

'Dure' oudere moet langer door

Wat niet steeg, zijn de uitgaven aan scholing. Dat zou er volgens het SCP op kunnen wijzen dat werkgevers in een flexibele arbeidsmarkt werknemers aan zich proberen te binden door werkgerelateerde scholing. Handig voor de werkgever, maar niet in lijn met het overheidsbeleid dat 'duurzame inzetbaarheid' wil bevorderen. Dat moet ervoor zorgen dat werknemers hun vakkennis op peil houden zodat zij bij ontslag snel nieuw werk kunnen vinden.

Naar nieuw werk helpen? Nou...

De overheid verwacht van werkgevers dat zij met ontslag bedreigd personeel helpen nieuw werk te vinden. Uit de SCP-cijfers blijkt dat het nog steeds lastig is om bedrijven hiertoe te bewegen. Driekwart van de werkgevers zegt het als hun taak te zien om boventallig personeel te begeleiden naar nieuw werk, maar slechts 20 procent onderneemt echt actie. Vooral kleine bedrijven doen er weinig aan.

Van-werk-naar-werk is onderdeel van het beleid om de arbeidsmobiliteit te bevorderen. Daarvoor zijn onder meer arbeidsmarkt-platformen en mobiliteitsnetwerken opgezet. De betrokkenheid van werkgevers bij deze samenwerkingsverbanden is beperkt. Driekwart van de bedrijven maakt er geen gebruik van.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden