Review

Schurken en rebellen in 18de-eeuws Kaapstad

Wat het Wilde Westen is voor Amerika, is het achttiende-eeuwse Kaapstad en wijde omgeving voor Zuid-Afrika. Maar in de Zuid-Afrikaanse versie van het Wilde Westen treffen we natuurlijk geen cowboys en Indianen aan, maar schurken, rebellen en weggelopen slaven.

Vanaf de vestiging van de verversingspost aan Kaap de Goede Hoop op last van de Hoogmoogende Heeren XVII van de VOC in 1653, ontstond een frontier-samenleving, die werd gekenmerkt door zeer veel geweld. Allerlei verschoppelingen leefden een leven in de marge van de prille Kaaps-Hollandse samenleving, evenals sommige 'vrijburgers'. Het was een geordende chaos, deze samenleving, waarin de grenzen van wat kon en niet kon in deze nieuwe wereld moesten worden afgetast. Kaarten van Kaapstad uit de achttiende eeuw tonen een modern stadsplan naar Amerikaans motief, met centraal natuurlijk de befaamde Compagniestuinen, waar de hele vestiging om was begonnen. Verder zien wij de slavenverblijven, de 'Vleezhal', het 'Lusthuis des Goeverneurs', de 'Stallen der Maatschappye', de 'Buytengragt' de 'Waterbak' en het 'Hospitaal'.

Hoe het leven in en om die stad was, beschrijft de Zuid-Afrikaanse historicus Nigel Penn in een vijftal micro-geschiedenissen die van groot belang zijn voor de invulling van het beeld van de Kaapkolonie in de achttiende eeuw, waarover eigenlijk betrekkelijk weinig bekend is.

Penn put zijn gegevens uit de archieven van de VOC en je kunt rustig stellen dat hij op een goudmijn is gestuit. Zo komen wij alles te weten over de bizarre geschiedenis van de brouwer en vrijburger Willem Menssink. Deze maakte het wel heel bont: niet alleen brouwde hij bier zo 'slegt en dun' dat het leek op spoeling van 'Vaderlands scharrebier', hij had het bovendien voorzien op de erfenis van zijn gewezen vrouw, die hem wegens zijn seksuele strapatsen met slavinnen de wacht had aangezegd. Om haar te pesten, bedreef hij het liefst in haar huis de liefde met een aantal zwarte slavinnen. De gewezen echtgenote, Elizabeth Lingelbach, trof hem aan samen met haar slavin Willemijntje, ze hadden zich verstopt in een kast, op zolder, met manden over hun hoofd. Toen ze hem eens aansprak op zijn liederlijke passie antwoordde Menssink gevat: ,,Weet jij nog het Caabse gebruijk niet, dat eens hier (eenmaal hier) na 't oude Testament leeft (we naar het Oude Testament leven)?'

Als ze niet zo triest waren, de vele misstappen van Willem Menssink, dan zou je nog om deze hele geschiedenis kunnen lachen. Maar nadat Willemijntje 'na buijten' was verkocht, begon Menssink een innige verhouding-op-afstand met een volgende slavin, Trijntje van Madagascar, bij wie hij een kind verwekte. Toen hij Trijntje dwong de zuigeling om te brengen, sprak hij het bijbelwoord: ,,De Heere heeft ons gegeven, de Heere heeft het ons genomen'.

Menssink liet de slaven, vooral Trijntje, het vuile werk opknappen bij zijn pogingen om zijn echtgenote Elizabeth te doden. Trijntje moest kapok en gif in haar eten doen. De zaak kwam aan het licht. Trijntje werd samen met de twee mannelijke slaven die ook voor Menssink werkten, gearresteerd. Zij werd, vijfentwintig lentes slechts, ter dood veroordeeld, aan een paal gebonden, gewurgd met een koord, en de vogelen des hemels pikten haar de ogen uit. Menssinks handlangers, zijn slaven Gerrit van Tutucorijn en Isaac van Masulipatam, kregen lijfstraffen en verdwenen naar Robbeneiland, toen al een gevangenis. Menssink ontliep zijn straf, de VOC beschermde hem, er moest tenslotte bier gebrouwen worden.

Deze eerste geschiedenis is de opmaat voor nog meer moois. In hoofdstuk drie behandelt Penn het leven van Estienne Barbier, een sergeant in dienst van de VOC. Barbier leidde in 1837 een opstand tegen het VOC-bestuur aan de Kaap, gericht tegen de oorspronkelijke bewoners van de Kaap, de Khoisan. Hij werd een mythische, tot de verbeelding sprekende historische figuur, op wie André Brink de roman 'Integendeel' baseerde.

De overige hoofdstukken zijn even boeiend en onderhoudend geschreven. In zijn introductie schrijft Penn dat deze verhalen uit de onderbuik wel degelijk bijdragen tot het grote historische beeld, ook al berusten ze grotendeels op eenzijdige archieven. Die VOC-archieven vormen voor de historicus juist zo'n goede bron van informatie omdat de stemmen van de onderdrukten nergens anders werden gehoord dan voor de rechtbanken, waar hun verhalen werden genoteerd.

Penn beseft dat geschiedenis allereerst over mensen gaat en het is in hem te prijzen dat hij zijn hoofdpersonen zo levendig neerzet. Ze krijgen karakters mee. Bovendien slaagt hij erin om zijn microniveau naar een macroniveau te tillen, waardoor een breder beeld ontstaat en hiaten worden opgevuld. Zo is het belangrijk dat Penn vermeldt dat de samenleving van de Khoisan tegen het einde van de achttiende eeuw volkomen was ontwricht door de oprukkende blanken. Gelet op het huidige geweld in en om Kaapstad is de parallel die Penn concluderend trekt treffend: ,,Het is het geweld dat de marginalen op deze bladzijden met elkaar verbindt en het is het geweld dat hen tot onze tijdgenoten maakt'. Hoe triest en hoe waar.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden