Schud de collectie eens op

Tientallen musea haalden op verzoek van de kunstredactie van Trouw een kunstwerk uit het depot dat nog nooit of lange tijd niet te zien was voor het publiek. Na vier jaar komt er een einde aan deze serie. In deze slotaflevering een terugblik op enkele werken. Zijn ze definitief uit de kelder?

Raar maar waar: er zijn musea die topstukken verborgen houden in het depot, onzichtbaar voor het publiek. Ze hebben daar allerlei redenen voor, zo maakte de serie 'Kunst uit de kelder' duidelijk. Ze zijn te kwetsbaar, nemen te veel ruimte in, zijn niet geliefd, in onbruik geraakt, een eenling of vreemdeling in de collectie. Voor deze serie werden tal van verborgen schatten voor de dag gehaald. In een aantal gevallen leidde dat ertoe dat ze alsnog een vaste plek op zaal kregen.

De ervaring leert dat je voortdurend je depot moet opschudden, zei directeur Sjarel Ex van Museum Boijmans Van Beuningen in Rotterdam vier jaar geleden, bij het begin van de serie. "Want dan ga je je vanzelf afvragen: waarom ligt dat daar allemaal? Wat moeten we ermee? Met als resultaat dat je soms nieuwe dingen ontdekt aan werken die ongeliefd zijn, in onbruik geraakt of nooit worden uitgeleend." Het kan ertoe leiden dat kunstwerken die je had willen afstoten, toch weer een plek veroveren, weet Ex.

Musea moeten kritischer naar hun collecties kijken. Dat is misschien wel de belangrijkste conclusie na al die verhalen over kelderstukken en winkeldochters. Directeur Benno Tempel van het Gemeentemuseum Den Haag: "Musea zijn de afgelopen jaren twintig jaar veel professioneler gaan werken. Maar de slag die ze nu nog moeten maken, is dat ze met een objectieve blik naar hun collecties gaan kijken en zich afvragen: Waarom ligt dit in het depot? Moeten we dit wel bewaren? Is dit werk niet beter op zijn plek in een ander museum?" Dat geldt niet alleen voor de kelderstukken, benadrukt Tempel, ook voor de voorwerpen op zaal en zelfs voor topstukken.

Zelf gaf Tempel onlangs een romantisch schilderij van Henri Fantin-Latour weg aan Museum Gouda, dat hem in ruil daarvoor een abstract drieluik van Marthe Wéry gaf. Het initiatief lag bij directeur Gerard de Kleijn van het Goudse museum. Hij wil zo'n twintig werken ruilen die niet (meer) passen in zijn collectie. Voor veel musea is die stap nog te groot, ondervond De Kleijn.

Musea moeten over hun eigen muurtjes heen kijken, zegt Tempel. Het uitruilen moet wel zorgvuldig gebeuren en met instemming van de eigenaren van de collecties. Dat vergt maatwerk en tijd, maar de collecties kunnen er sterker door worden. "Musea moeten zich altijd voor ogen houden dat het niet hún stukken zijn die ze bewaren. Het is nationaal erfgoed, dus van ons allemaal."

Zwaar vervuilde 'zwerver'

Dit was wat ze bij Teylers Museum in Haarlem een 'zwerfschilderij' noemen. Het lag niet in het depot, maar zwierf waarschijnlijk meer dan een eeuw door het museum. Bij een controle van alle 'zwervers' kwam het weer in beeld. Het hing toen al decennia in de kamer van de huismeester, waar in het verleden stevig was gerookt. Daardoor was het zwaar vervuild.

Conservator Terry van Druten keek zijn ogen uit toen het was schoongemaakt, zoveel moois was er onder het vuil vandaan gekomen.

Het is nog steeds raadselachtig hoe dit werk zolang heeft kunnen verstoffen. Nu hangt het weer in de Eerste Schilderijenzaal, waar het in 1839 ook een plek had gekregen. Internationaal maakt deze Dreibholtz inmiddels furore. Het was een van de blikvangers op de tentoonstelling 'De romantische ziel', eind 2012 in het beroemde Tretjakov museum in Moskou.

Te broos voor de zaal

Het had nog heel wat voeten in de aarde om dit kunstwerk te tonen. Op een speciale schokvrije kar werd het broze schilderij uit het depot van het Kröller-Müller Museum in Otterlo gehaald. Op zaal werd het op een speciale sokkel in een hoek van 45 graden gepresenteerd. Auguste Herbin schilderde dit werk met melkhoudende caseïneverf op een plaat van kalkmortel. In de loop der tijd is die plaat steeds brozer geworden. Er treedt een soort verzandingsproces op. Als het plat aan de muur zou hangen, valt de mortel er zo af. Dat verklaart meteen waarom dit stuk al jaren niet meer te zien is op zaal. De toenmalige directeur Evert van Straaten gunde deze broze 90-jarige een eenmalig uitstapje uit het depot, omdat hij het zo'n originele en intrigerende compositie vindt.

Verwoest schilderij

Dit doek zal waarschijnlijk nooit meer het depot van De Mesdag Collectie in Den Haag (onderdeel van het Van Gogh Museum) verlaten. Het is onherstelbaar verwoest door een soort chemische ontploffing in de verf. De kunstenaar heeft bij het mengen te veel kasselse aarde gebruikt, wat kan leiden tot het slecht drogen van de olieverf, met scheuren van het verfoppervlak tot gevolg. De kleuren zijn zo donker geworden dat de voorstelling nauwelijks meer is te zien. Restauratie is niet mogelijk. Conservator Maite van Dijk haalde het tevoorschijn om de treurige geschiedenis van dit werk te vertellen, dat het topstuk had kunnen zijn in het oeuvre van Rousseau. Ook wilde ze ermee laten zien dat musea niet uit luiheid kunstwerken eindeloos in het depot laten liggen. Ze hing het naast een olieverfschets die Rousseau heeft gemaakt van hetzelfde berglandschap met koeien, zodat het publiek kon zien wat de schilder voor ogen stond. Het schilderij is ontoonbaar, maar er is wel een bijzonder verhaal over te vertellen. Zoals het geval was met alle kunstwerken die de afgelopen vier jaar de revue passeerden in Kunst uit de Kelder.

De lieveling van de conservator

Hoe groot je museum ook is, er blijven altijd werken die te mooi en bijzonder zijn om in het depot te laten, maar die je toch niet kunt laten zien. Er moeten nu eenmaal keuzes worden gemaakt, zegt conservator Sander Paarlberg van het Dordrechts Museum. Hij greep deze serie aan om alsnog zijn lieveling uit de kelder te halen. Paarlberg bekende dat hij in het depot altijd even bleef kijken naar dit zomerlandschap van Andreas Schelfhout. Dit was nou echt een schilderij om in te 'verdwalen'. Tot zijn spijt was het buitenboord gevallen na een grote verbouwing. Paarlberg had het in de aan de Romantiek gewijde zaal willen hangen, maar daar paste het net niet goed. Met zijn lage horizon en machtige wolkenluchten doet het eerder aan de zeventiende eeuw dan aan de negentiende eeuw denken. Bovendien heeft het museum twee prachtige schilderijen van B. C. Koekkoek waarin de kenmerken van de Romantiek veel duidelijker zijn te zien. Die wonnen het van de Schelfhout. Toen Paarlberg het voor deze serie op zaal had gehangen, zou het daar een paar maanden blijven. Maar het viel zo in de smaak dat die periode werd verlengd, en nog eens verlengd. Zo heeft het alsnog een vaste plek verworven. Het 'eerherstel' is terecht, zegt Paarlberg, omdat het een schakel vormt tussen de zeventiende en negentiende eeuw, 'de periodes waarin dit museum goed is'. Het schilderij krijgt een prominente plaats op de grote tentoonstelling van schilders van het Hollandse landschap die 5 april opent.

Juweeltje vindt nieuw tehuis

Meer dan veertig jaar lag dit 'Winterlandschap met figuren bij een rivier' in het depot van het Singer Museum in Laren.

Conservator Anne van Lienden haalde het tevoorschijn in de hoop dat deze 'vreemde eend' elders 'een nieuwe vijver' zou vinden. Het schilderij kwam in 1969 via een legaat in Singer terecht, maar past niet in de klassieke moderne collectie. Daarom verdween het naar de kelder.

Dat verdient het niet, vond de conservator, want het is een 'juweeltje'. Toen het groot afgebeeld in deze krant verscheen, ging er een belletje rinkelen in het Stedelijk Museum Alkmaar.

Conservator Christi Klinkert realiseerde zich hoe goed dit winterlandschap zou passen in 'haar' museum, waar de Alkmaarse schildersfamilie Van der Heck prominent aanwezig is. En zo vond deze ontheemde eend zijn thuisvijver. Het Alkmaarse museum kreeg het in langdurig bruikleen. Het doek heeft daar nu een ereplaats in de Gouden Eeuw-zaal.

De komst van het schilderij inspireerde het museum tot een tentoonstelling (dit najaar) en onderzoek naar het schildersgeslacht Van der Heck. Dat leverde ook nog een nieuwtje op, vertelt Klinkert.

Dit winterlandschap komt uit het atelier van Claes Jacobsz. van der Heck, de senior van dit schildersgeslacht. Diens zoon Maarten Heemskerk is waarschijnlijk de schilder en niet, zoals tot nu toe werd verondersteld, diens achterneef Claes Dirksz. van der Heck.

Sleutelwerk dat te veel ruimte vraagt

Er zijn kunstwerken die niet altijd zijn te zien, omdat je ze niet zomaar even kunt neerzetten of ophangen. Dat kan te maken hebben met hun omvang, hun lichtgevoeligheid of kwetsbaarheid, maar ook een speciale reden hebben. Dat laatste geldt voor dit conceptuele werk in de collectie van het Bonnefantenmuseum in Maastricht. Het is een raadselachtige combinatie van palmen, foto's, een paneel en tableaus met merkjes van goudstaven en een lijstje van zaken die je met goud kunt kopen. Met dit werk wilde Marcel Broodthaers de draak steken met de gewichtigdoenerij van museumdirecteuren en de commercie op de kunstmarkt. Het is een sleutelwerk in de collectie, maar een vaste plek op zaal zit er niet in, omdat het zoveel ruimte vraagt. Ook moet je elke keer naar het tuincentrum om daar grote palmen uit te zoeken. Die kun je nu eenmaal niet in een depot opbergen. De toenmalige directeur Alexander van Grevenstein greep deze serie aan om zijn favoriete werk weer eens te tonen. Dat was in april 2011. Sindsdien keerden de palmen twee keer terug in het museum.

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden