Schrijver zoekt boer

Decennialang stond de streekroman in zeer laag aanzien. Maar nu de boer een bedreigde soort lijkt te worden, maakt hij een regelrechte comeback in onze letteren, stelt Rob Schouten vast. Nostalgie? De noeste werkers in de nieuwe plattelandsliteratuur krijgen wél te maken dreigende snelwegen, pretparken en voortvarende planologen. Net als in het echt.

Ricus van de Coevering: Sneeuweieren. Van Gennep Amsterdam. ISBN 9789055158973; 178 blz. euro 17,90

Max Niematz: Kromzicht. Contact, Amsterdam. ISBN 9789025425654; 200 blz. euro 18,90.

Martin Hendriksma: Familievlees. De Geus, Breda. ISBN 9789044510430; 392 blz. euro 19,90

Anne-Gine Goemans: Ziekzoekers. De Geus, Breda. ISBN 9789044 509939; 288 blz. euro 19,90.

Pal na de Tweede Wereldoorlog, in een tijd waarin voor ons gevoel het oer-Holland nog heus wel bestond, dichtte J.C. Bloem al deze beroemde regels: „En dan: wat is natuur nog in dit land? / Een stukje bos, ter grootte van een krant, / Een heuvel met wat villaatjes ertegen.” Karakteristiek, dat plukje natuur, die villa’s; Bloem noemde het eigenlijke platteland niet eens meer, alsof dat inmiddels al van de kaart was verdwenen, nauwelijks vijftig jaar nadat Nederland nog aan de hand van de plattelandscultuur op het leesplankje had leren lezen: bok, weide, does, hok, duif, schapen.

Het blijkt bij nader inzien een welhaast profetisch gedicht: in de komende jaren zou de literatuur zich steeds verder terugtrekken van het platteland en zijn bevolking. Vooroorlogse romans als ’Peelwerkers’, door een eerzaam auteur als Antoon Coolen, of ’Het wassende water’ van Herman de Man, worden nog tot de literatuur gerekend maar dan wel tot het ietwat verdachte genre van de streekroman. Een genre dat door het bekende leerboek ’Literaire kunst’ van Lodewick alsvolgt wordt gekarakteriseerd: „Kenmerk van de streekroman is, dat het gebeuren er zich afspeelt in een landelijke omgeving. Vaak dienen gebruik van dialect of een dialectisch getint Nederlands, evenals beschrijving van folkloristische eigenaardigheden om de couleure locale te versterken. Een eveneens vaker optredend verschijnsel is, dat niet één persoon doch a.h.w. een hele dorpsgemeenschap de hoofdfiguur is. De psychologie is niet altijd de sterkste kant.”

En dat laatste lijkt de doodsteek, onbenullige psychologie! In de grote romans van na de oorlog zul je geen boer of plattelandsgemeente meer in de hoofdrol zien, de provincie dient er nog slechts als exotisch uitstapje (het is niet toevallig dat ik me uit Hermans’ ’De donkere kamer van Damocles’ blijf herinneren dat de hoofdpersoon op het station van Lunteren uitstapt, om in dat dorp een liquidatie uit te voeren – zo uitzonderlijk was dat kennelijk al).

In de jaren zestig en zeventig zal de stad met haar eigentijdse dynamiek en problematiek het regime geheel overnemen. De enige literaire streekroman in die tijd was een soort experimentele pastiche, van de avant-gardist Jacq Firmin Vogelaar, ’Vijand gevraagd, ’n boerenroman’, die het verguisde en achterhaalde genre nog een keer te kijk wilde zetten. De ware streekromans, boeken als ’Liefde in Peelland’ van Toon Kortooms, of ’Sil de strandjutter’ van Cor Bruijn, waren toen al ernstig afgezakt tot het genre der vermaakslectuur.

Maar het platteland lijkt de laatste tijd bezig met een literaire comeback. Nu in de stadsstaat Nederland dorp en boerenbevolking zo ongeveer van de kaart zijn geveegd en herstel van de natuur, zo vaak strijdig met het boerenbedrijf, de voorrang heeft gekregen, steekt een romantisch verlangen naar een soort oer-Holland met oer-Hollanders de kop op. Dat spreekt niet alleen uit de ongekende populariteit van een tv- programma als ’Boer zoekt vrouw’ maar ook uit romans die de landerijen weer intrekken. Zoals de negentiende-eeuwers terughunkerden naar een feodale wereld vol ridders en jonkvrouwen, zo hunkeren wij terug naar een wereld van eenvoudige emoties, van harde werkers die met hun handen iets opbouwen, een strijd om het bestaan waar geen junks, modekoningen of geflipte intellectuelen aan te pas komen.

Ik heb het vermoeden dat het platteland via de achterdeur van de historische roman weer is binnengeslopen. Boeken als ’Gewassen vlees’, ’Publieke werken’ en ’De sterke man’ van Thomas Rosenboom bieden en passant doorkijkjes in een plattelandswereld van vroeger aan.

Tegelijkertijd brachten non-fictie-auteurs als Geert Mak en Frank Westerman het verdwijnende Nederland van eertijds in beeld, met bestsellers als ’Hoe God verdween uit Jorwerd’ en ’De graanrepubliek’. Het mag dus zo te zien weer van de intellectuelen. Ook maatschappelijke ontwikkelingen spelen een rol: het verlangen van de verstedelijkte babyboomers naar tweede huisjes in het buitenland genereerde ook weer belangstelling voor de eigen plattelandscultuur.

Een paar jaar geleden verschenen ongeveer gelijktijdig van Tommy Wieringa de roman ’Joe Speedboot’ en van Jan Siebelink ’Knielen op een bed violen’; werken die zich ostentatief in dorpsgemeenschappen afspeelden. Beide werden genomineerd voor de grote literatuurprijzen. En een van de meest geprezen debuten van de afgelopen jaren, ’Boven is het stil’ van Gerbrand Bakker, deed al niet eens moeite meer om het zaakje urbaan te verpakken. De omslagtekst spreekt van ’een beeldend en ontroerend portret van een man temidden van de oer-Hollandse elementen’.

Het hek is van de dam, letterlijk. Nederland lijkt weer rijp voor stolpboerderijen, de driekusman en de vraag wie de boerderij overneemt. In ’Sneeuweieren’ van Ricus van de Coevering lukt het overigens niet zo met de opvolging. Boer Harm en zijn vrouw Olga hebben David uit Ghana geadopteerd, maar het joch heeft meer met biologie en filosofie dan met het boerenbedrijf. Tot overmaat van ramp schiet zijn vader hem ook nog per ongeluk dood tijdens een jachtpartij. Allemaal nuchter verteld maar het is natuurlijk in wezen een boerentragedie: de dreigende snelweg, de zoon die niet wil, de ondergang van het bedrijf.

In de nieuwe versie is het platteland nauwelijks nog een idylle waar men door schade en schande wijs wordt. Door de ogen van David ziet het er zo uit: „Als hij iets saai vond, was het wel de braderie. Oude vrouwen met haakneuzen en wratten in het gezicht zaten er te kantklossen, er werden muffe meubels verkocht, er was een tent met een podium waar dikke boerinnen elk jaar dezelfde klompendans deden en ’s avonds zwalkten dronken jongens door de straten op zoek naar ruzie.”

’Sneeuweieren’ speelt zich af in Brabant, ’Kromzicht’ van Max Niematz, de enige niet-debutant in het gezelschap, is gesitueerd in Groningen, begin twintigste eeuw. In ’Kromzicht’ speelt opportunisme een belangrijke rol. De boerenfamilies Hensius en Tiedeman zijn felle concurrenten van elkaar. De een teelt zus, de ander zo.

Knecht Moes, vroeger in dienst bij Tiedeman, verkast naar de ambitieuzere Hensius, maar als het daar misgaat met het verhoopte stamboekvee, keert-ie toch weer terug naar Tiedeman. Klazien brengt eerst Berend Tiedeman het hoofd op hol, begint dan iets met haar oom Ludo Hensius en eindigt toch weer bij Berend.

’Kromzicht’ heeft daarmee iets weg van een boerensoap. De auteur kijkt van een afstandje naar het leven op het land en treft er vooral de aangeknaagde clichés aan. „Hoe genoegelijk rolt het leven des gerusten landsman heen” schreef de boerendichter Poot. Bij Niematz: „Wat hem betrof was het alvast maandag. Het grootste geluk vond hij toch altijd weer door de week, in de gedweeë voortgang van zaken.”

Ook in ’Familievlees’ van Martin Hendriksma wordt eerder de neergang dan de glorie op het platteland beschreven. Drenthe. Harmen Barels werkt zich van ’varkensjongen’ op tot worstfabrikant. In de oorlog wordt het bedrijf groot door de handel met de Duitsers. Na de oorlog probeert zoon Warmont een deal te sluiten met een Amerikaans bedrijf maar voor het zover komt rijdt hij zich dood in een dikke Cadillac. Zelf wordt het bedrijf, nu gerund door Warmonts broer Vic, bedreigd door de Leverunie (een eenvoudige omzetting van Unilever dunkt me).

Om de teloorgang te keren bedenkt Vic een list, de bouw van een kunstmatige berg met pretpark, kabelbaantje en jazzfestival, die toeristen moet trekken. Ook hier klopt dus de moderne tijd nadrukkelijk aan de deur. ’Familievlees’ breekt abrupt af op het moment dat Vic zijn vader van de toeristenberg wil vertellen, met de suggestie van dood en ondergang.

Anne-Gine Goemans zet, anders dan haar mannelijke collega’s, vooral hilarisch in met haar debuut ’Ziekzoekers’. Roelof Zeevoet heeft het grote bollenbedrijf van zijn vader overgenomen, die met z’n tweede vrouw naar Amerika is vertrokken. Roelof lijkt meer een filosofische lapzwans dan een hardwerkende bollenkweker maar intussen heeft hij grootse plannen, bijvoorbeeld voor het laten schilderen van een ‘Panorama bollenstreek’: „Het panorama is een lofzang op de ruimte en vormt een regelrechte aanklacht tegen projectontwikkelaars, vierde en vijfde nota’s, planologen, ambtenaren, architecten, makelaars, de regering en zo kan ik nog wel even doorgaan. Laten we vooral Schiphol niet vergeten. Dat is de maffia in haar zuiverste vorm.” Ook laat hij zich in met een duister tulpenbeleggingsspel, dat als een zeepbel uit elkaar spat. ’Ziekzoekers’ lijkt een provinciale sitcom, waarin het bloemencorso wordt overgenomen door homo’s en de bollenkwekerij wordt opgefleurd met Zen-teksten.

Zo is het palet van deze schrijvers wel heel verschillend, ingetogen (Van de Coevering), sceptisch (Niematz), zakelijk (Hendriksma) en hilarisch (Goemans), maar de boodschap van deze jongste generatie streekromanciers klinkt toch vrij eenduidig: het leven op het hedendaagse platteland lijkt niet erg bestand tegen de geest des tijds.

Of deze voorstelling van zaken ook een werkelijke wederopstanding van de plattelandsroman inluidt, bijvoorbeeld in de vorm van een nieuw soort existentiële bewustwording, vraag ik me overigens af. Literair gesproken zijn het geen opzienbarende werken. Misschien wel vanwege het onderwerp doet het allemaal nogal denken aan de gestampte pot. Een pot waarin de smaken nostalgie, traditie en ambitie, aangelengd met wat hedendaagse strijd om het bestaan, de hoofdtoon voeren.

Wat dat betreft lijkt het kalme en ontroerende ’Boven is het stil’ van Gerbrand Bakker, waarmee dit golfje moderne plattelandsromans begon, ook direct het hoogtepunt. Wel een revival dus, maar nog geen restauratie.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden