Schrijver over de schreef

'Daden zijn belangrijker dan woorden', zegt Anton Dautzenberg over zichzelf in zijn nieuwste boek. Wat zijn die daden van de schrijver zoal? Liegen en vals spelen - en dat om de grenzen van de literatuur te overschrijden, ja, ja.

Rob Schouten (1954) is essayist en dichter; in 2012 verscheen zijn bundel 'Zware pijnstillers'. Als literair criticus en als columnist is hij verbonden aan Trouw.

Afgelopen zomer was ik een maand te gast in het Roland Holsthuis in Bergen, het schrijvershuis voor auteurs en vertalers. Schrijvers schrijven daar aan hun eigen werk maar ze pennen ook graag wat in het gastenboek, en dat lezen andere schrijvers dan weer. Ik las er een stukje in van de Tilburgse schrijver A.H.J. (Anton) Dautzenberg die er kennelijk ook had gebivakkeerd. Niks bijzonders, hij waarschuwde (zoals wel meer schrijvers hun opvolgers over allerhande zaken tippen) voor de molen in de buurt waar het kennelijk niet pluis is: "Blijf daar weg! Die molen deugt niet." Ik nam het voor kennisgeving aan.

Opmerkelijker was de bijdrage van zijn opvolger, Joubert Pignon die bij aankomst in het Roland Holsthuis merkte dat het al bezet was: "In de slaapkamer lagen vier mensen, twee volwassenen, twee kinderen. Een hond op het voeteneind. Ik kon de hond vanuit de deuropening ruiken." Het stelletje Oost-Europeanen beweerde dat ze het huis hadden gehuurd van ene Dautzenburg en dat hij weg moest gaan. Pas nadat Pignon 300 euro in het dorp gepind en aan hen overhandigd had vertrokken ze. Pignon meldde de illegale onderhuur aan de stichting die het huis verhuurt, in de hoop zijn geld terug te krijgen.

Aanvankelijk trapte ik erin. Wat een schurk, die Dautzenberg! Geen enkele andere schrijver zou de brutaliteit hebben om zoiets te doen. Maar algauw deed de reputatie van Dautzenberg het verhaal bij mij toch van kleur veranderen.

Sinds zijn entree in de Nederlandse letteren in 2010 zorgt deze schrijver voor reuring. Bijvoorbeeld omdat hij in columns schaamteloos de fysieke eigenschappen van zijn onderwerpen ter sprake bracht. Zo beschreef hij in een stuk over poëzie de 'allitererende tietjes' van dichteres Marije Langelaar. Verder beweerde hij tijdens een interview een mee-eter op de kaak van Arnon Grunberg te hebben uitgeknepen en meldde hij zich bij wijze van provocatie als lid aan bij pedofielenvereniging Martijn.

Wie mocht menen dat Dautzenberg een aanstormende jonge hond is vergist zich, de man is inmiddels 44 jaar. Hij heeft dus ruimschoots de tijd gehad om zijn entree in de Nederlandse literatuur te bekokstoven. Je kunt ook zeggen, de Nederlandse literatuur wachtte met hem toe te laten tot de tijd rijp was.

Het duurde even voor ik doorhad dat het verslag van Joubert Pignon een hoax was, voortgevloeid uit de pen van Dautzenberg zelf, die kennelijk zijn reputatie als hedendaagse baron von Münchhausen wilde aansterken en zijn collega's op het verkeerde been probeerde te zetten.

Even later drong tot me door dat ook het gezeur over die molen onzin was, ik heb er nooit een molen gezien, er ís daar helemaal geen molen.

Leuk, fictie, Dautzenberg verzint van alles en zoekt ondertussen de traditionele grenzen van fictie en werkelijkheid op, zelfs in het gastenboek schrijft hij verzinsels. Zo weet je niet van welke twijfelachtige eigenschap je hem moet verdenken: is hij een oplichter of een fantast?

De hocus pocus over de illegale Oost-Europeanen beperkte zich tot het kleine schrijverswereldje. Met een volgende stunt bereikte Dautzenberg een groter publiek.

In 2011 publiceerde hij de roman 'Samaritaan', waarin de depressieve hoofdpersoon een nier afstaat aan een zingende neger. Niet uit barmhartigheid maar uit een paradoxaal soort opportunisme; door die nier te schenken voelt hij zichzelf beter.

Oké, weer een verhaal, een verzinsel allicht, dit keer met een strekking: ook medemenselijkheid komt voort uit egoïsme. Wat maakt het uit, als de patiënt er maar baat bij heeft. Enige tijd later duikt Dautzenberg bij Pauw & Witteman op met het verhaal dat hijzelf daadwerkelijk een nier heeft gedoneerd aan een onbekende nierpatiënt. Hij laat zelfs het litteken zien, een flinke jaap ergens bij zijn buik. Ook dit blijkt bij nader inzien een verzinsel; hij heeft helemaal geen nier gedoneerd, het litteken is afkomstig van een blindedarmoperatie. Nu heeft hij in plaats van de lezer het grote publiek bedonderd.

Dautzenberg gaat nog een stap verder. In een opiniestuk in De Limburger en het Limburgs Dagblad eind 2013 veegde hij de vloer aan met de opvattingen van emeritus hoogleraar Wiel Kusters, Limburgs cultuurpaus, omtrent de opstoting van Limburg in de vaart der volkeren. Niks op tegen, maar hij schrijft Kusters citaten toe die hij uit zijn eigen duim zuigt, zinnen als 'Limburg moet zijn verleden vermarkten', 'De provincie krijgt zo weer smoel, telt weer mee in de vaart der volkeren en haalt uiteindelijke grote industriële bedrijven binnen', en zelfs vermeende Geert Wilders-citaten als 'Limburg moet terugkeren naar de roots, naar de schutterijen en het zuurvlees'. Dautzenberg voegt eraan toe "Onzin natuurlijk, nog los van het lelijke taalgebruik", dat hij nota bene zelf verzonnen heeft.

Kusters kwaad natuurlijk, op Dautzenberg maar vooral op de krant die zich nauwelijks excuseerde en de plaatsing van het artikel rechtvaardigde door te zeggen dat het een fictief stuk was. Ik moet toegeven dat mij het gewraakte taalgebruik eerder uit de mond van een behaagziek politicus dan van een geëmeriteerd professor lijkt te komen maar mag je van de modale krantelezer zo'n fijne neus voor idiomatische verschillen verwachten? Doorzien gewone Limburgse krantelezers Dautzenbergs spel? Anders gezegd: mag iemand jokken en valsspelen, louter en alleen omdat hij schrijver is en van het verzonnen verhaal een genre heeft gemaakt dat de grenzen van de literatuur overschrijdt? Het is een ethische vraag waar geen makkelijk antwoord op bestaat.

Dautzenberg fabuleert er ongeremd op los, zoveel staat vast. Het stukje in het gastenboek is een goeie practical joke, zijn optreden bij Pauw & Witteman een misschien dubieuze publiciteitsstunt, met het verhaal in de Limburgse bladen gaat hij over de schreef. Steeds dezelfde truc, maar de context bepaalt of het kán.

Eerlijk gezegd las ik het verhaal over de vrijgevige nierdonor in 'Samaritaan' zonder meer als fictie, ongeacht of het nu een autobiografische achtergrond heeft of niet: Samaritaan is nu eenmaal een roman. Maar Dautzenbergs bewering bij Pauw & Witteman dat hij een nier geschonken heeft valt in een andere categorie: het is geen fictie maar een leugen, waarbij je eventueel kunt denken: Pauw en Witteman verdienen niet beter. En zijn zelfverzonnen citaten in de Limburgse courant schaden en kwetsen willens en wetens het slachtoffer, Wiel Kusters, en eigenlijk ook de lezer die er met open ogen intuint.

De achterliggende vraag gaat nog wel wat dieper dan de aardigheid of laakbaarheid van Dautzenbergs leugens. Want waarom doet hij dat eigenlijk? Waarom beperkt hij zich niet tot literaire fictie maar bakt hij zijn poetsen ook op opiniepagina's en in talkshows, aldus invulling gevend aan de slogan: geen woorden maar daden?

Dautzenbergs dubieuze optreden heeft iets te maken met de veranderde werking van literatuur zelf. Eeuwenlang was literatuur een opvoedkundig, moralistisch medium. Je leerde er de vaderlandse geschiedenis uit, of je werd over de juiste christelijke of morele houding onderhouden. Goddeloze of immorele literatuur werd niet getolereerd. Schrijvers ervan belandden in de gevangenis, zoals de Markies de Sade, naamgever van het sadisme, of soms zelfs op de brandstapel, zoals de Franse libertijnse dichter Claude le Petit in 1662. Nog in de negentiende eeuw bepaalde een moralistische houding de kijk op literatuur. Zo schreef de toonaangevende Engelse criticus Matthew Arnold in 'Culture and Anarchy' uit 1869 dat hij de middenklasse, die van de filisters, op wilde voeden en ze 'sweetness and light' bij wilde brengen. Didactiek dus.

Pas diep in de twintigste eeuw verandert dat beeld. Menno ter Braak ('Afscheid van domineesland') gispte onder invloed van Nietzsche het alom aanwezige moralisme en muntte een nieuw criterium dat overigens wel wat van het oude weg had: waardigheid. De naoorlogse schrijvers maakten het karwei af. Gerard Reve, W.F. Hermans en Jan Cremer droegen met bevrijdende literatuur allemaal op hun eigen wijze bij aan de snelle afbraak van het moralisme in de literatuur. Het proces naar aanleiding van Hermans' 'Ik heb altijd gelijk' (waarin hij katholieken zou hebben beledigd) en het Ezelsproces van Reve, beide gewonnen door de aangeklaagde schrijvers, rondden die ontwikkeling ook in juridische zin af. Sindsdien kun je ongeveer schrijven wat je wilt.

En dat doet Dautzenberg.

In zijn jongste bundel 'En dan komen de foto's' grossiert hij, overigens net als in zijn debuut 'Vogels met zwarte poten kun je niet eten', in wrede en sadistische verhalen, kennelijk bedoeld met het oogmerk épater le bourgeois. Een stelletje mannen komt bij elkaar om een meegenomen baby op te eten, een echtgenoot biedt zijn vrouw aan vrienden aan om in haar te urineren, een man blijkt op zeer pijnlijke en plastisch beschreven wijze gespiest. Schokkend en weerzinwekkend allicht maar niet nieuw, zelfs niet in Nederland; Jacob Israël de Haan schreef aan het begin van de twintigste eeuw in 'Nerveuze vertellingen' reeds dat soort verhalen. Kannibalisme en urolagnia kennen we natuurlijk van De Sade, in Ivo Andric' roman 'De brug over de Drina' raakt iemand op een nog veel wredere manier gespiest.

Alles ist schon dagewesen, kortom. Ik denk dat Dautzenberg zich bijzonder goed realiseert hoe moeilijk het is om in deze tijd nog literair te schokken. Vandaar dat hij zijn werkterrein geregeld verlegt.

In het verhaal 'A.H.J. Dautzenberg', waarin de schrijver zichzelf interviewt, vernemen we wat de schrijver vóór heeft met zijn schrijfsels en buitenliteraire acties. Zo beweert hij zich te hoeden voor de gedachtenpolitie: "Ik vind dat mensen beoordeeld moeten worden op hun daden, niet op hun dromen, fantasieën en verlangens." En: "Morele verontwaardiging wantrouw ik per definitie. Ik weiger om me te laten knechten door de heersende opvattingen, waarbij van een schrijver wordt verwacht dat hij niet buiten de kaften van een boek treedt." En verder: "Non-fictie bestaat in mijn ogen niet, behalve als label."

Het probleem is natuurlijk dat wij niet zeker weten in hoeverre we hem in dit interview opeens wél serieus moeten nemen. Op sommige momenten lijkt ook dit in zijn handen weer een fictioneel genre en heeft Dautzenbergs ideologische en poëticale zelfonderzoek veel weg van een pastiche. Een schrijver als hij lijdt kortom per definitie onder wat ik hier maar zal noemen het aesopussyndroom; in de befaamde fabel van Aesopus roept de herdersjongen tot drie keer toe valselijk dat zijn schapen door een wolf bedreigd worden, een vierde keer gelooft niemand hem meer maar als ze gaan kijken blijken jongen en schapen opgegeten. Oftewel: "Een leugenaar wordt niet geloofd ook al spreekt hij de waarheid".

Wát je er ook op tegen kunt hebben en hoezeer zijn praktijken je ook tegen de borst kunnen stuiten, Dautzenberg is geen domme provocateur, hij is een intelligente scepticus die twijfelt aan het bestaan van de waarheid en die twijfel vervolgens op ongebruikelijke wijze ook zelf om zich heen zaait. Daar worden mensen onzeker van. In veel opzichten doet hij zo denken aan een moderne Tijl Uilenspiegel, iemand die schrijvers, lezers en anderen met 'schimpelijcke wercken' een hak zet, op het gevaar af zelf de stad uitgejaagd te worden.

"Aan de ene kant wil ik pleasen (...) maar tegelijkertijd voel ik de behoefte om af te stoten en te irriteren", zegt hij in genoemd zelfinterview. Of hij het meent? Mij lijkt het het verstandigste op voorhand niets van hem te geloven, totdat het tegendeel bewezen wordt.

Wat doet Dautzenberg?
In zijn nieuwe bundel 'En toen kwamen de foto's. Verhalen', voert de Tilburgse schrijver A.H.J. Dautzenberg (1967) zichzelf op als 'prozavernieuwer, een frisse wind'. Opvallend was zijn entree in de literatuur zeker: Trouw-recensent Jaap Goedegebure noemde de 'dwarsige en treiterzieke nieuwkomer' met diens verhalenbundel 'Vogels met zwarte poten zijn niet te vreten' 'dé literaire ontdekking van 2011'.

Volgens deze krant trok hij daarna de aandacht door niet alleen te schrijven over orgaandonatie ('Samaritaan'), maar ook door daadwerkelijk een nier af te staan - wat achteraf niet bleek te kloppen.

Fictie bleken in 2011 ook zijn interviews in de VPRO-gids over de economische crisis te zijn; hij had ermee de werkelijkheid als thema willen 'onderzoeken door deze te duiden, te manipuleren, te transponeren, te vermenigvuldigen of te negeren'.

In de zomer van hetzelfde jaar werd Dautzenberg uit protest tegen de 'heksenjacht op pedo's' lid van Martijn, de pedoseksuelenvereniging die enige tijd verboden was geweest. Dat lidmaatschap gaf hij in 21012 op toen zijn familie met doodsbedreigingen te maken kreeg.

Is Dautzenberg een oplichter of een fantast - en hoe ver mag hij gaan?

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden