'Schrijnend geluk, dat is pas mooi'

Een mens verhoudt zich een leven lang tot veel of weinig anderen: tot familie, collega's, geestverwanten, vrienden, geliefden, en soms tot God. Maar ook tot plaatsen, muziek, een landschap, een ideologie. 'Waar hoor ik bij' is de vraag waarop het levensverhaal een antwoord geeft. Deel 4

Herman Franke (52) is criminoloog en schrijver. In 1998 won hij de Generale Bank literatuurprijs met zijn derde roman 'De Verbeelding'.

Ik behoor tot het treurige, opgeklommen type dat nergens meer bij hoort. Ik ben alles ontgroeid of ontvlucht. Ik heb wel een permanent romantisch verlangen naar de geborgenheid van een groep, maar ik zou niet weten bij welke groep ik zou kunnen horen. Het is soms wat eenzaam maar ik voel me er niet ongelukkig bij.

De prijs van ergens bij horen is dat je iets van jezelf moet inleveren en daar heb ik moeite mee. De winst van het nergens bij horen is dat ik veel milieus van binnenuit ken. Ik weet hoe arbeiders praten, hoe schrijvers praten, hoe journalisten praten, hoe boeren, studenten en hoogleraren praten. Een goudmijn voor een schrijver. Ik ben een solist, een asociale loner. Ik heb de sprong naar een nieuwe wereld - de journalistieke, de wetenschappelijke - verschillende keren gemaakt om er vervolgens weer uit te stappen. Ik ontworstel me aan groepen, dat is mijn karakter. Ik ervaar een onvermogen in het sociale verkeer, kom er niet tot mijn recht. Ik ga wel naar vergaderingen en recepties maar het vergt veel van me. Ik moet ervan herstellen. In gezelschap voel ik meestal op een bepaald moment de drang om in mezelf te keren.

Misschien dat ik daarom graag naar het café ga. Ik ben er tussen de mensen en toch beschouwer. Ik kan luisteren en praten zonder verplichting en weggaan wanneer ik wil. Er hangt de sfeer van avontuur en vrijheid. Dat spreekt me aan. Ik ben een romanticus tegen wil en dank. Ik kan zwelgen in de grote gevoelens maar heb ook een hang naar de zelfkant. Ik voel een onuitroeibaar protest tegen het leven. Weiger, zoals Kierkegaard, om te vermaatschappelijken, op te gaan in de wereld. Dat kan. Je kunt weigeren om je over te geven. Je kunt zeggen: 'ik doe niet mee'. Ik vind het niet goed wat er gebeurt. Het is te veel ellende. Het is te lelijk, te onvolmaakt. En ik leg me daar niet bij neer. Ik geef de beleving dat de wereld totale waanzin is niet op, die verdiept mijn leven en voorkomt dat ik mee gaan doen aan de kermis. Er zijn dingen in de schepping en het leven die je niet goed moet vinden. Als ik gelovig was zou ik kwaad zijn op de Schepper. Wanneer hij bestaat is hij ook een rotzak .

Na het overlijden van mijn eerste vrouw ben ik als een bezetene gaan schrijven. Alsof de dood me op de hielen zat. Het 'memento mori' voel ik nog iedere dag. Ze is gestorven aan een hersenbloeding, dertig jaar oud. Ik was drieëndertig en net afgestudeerd. We woonden in een dorpje in het huis van haar overleden ouders. Ze stierf op een moment dat het niet goed meer ging tussen ons maar we nog erg aan elkaar vastzaten. Ons gevecht bond ons. Door haar overlijden is onze relatie midden in de strijd afgebroken. Dat heeft er toe bijgedragen dat haar dood zo'n traumatische ervaring voor me is geweest en de rouwperiode zo'n zwarte tijd. Ik had behalve diep verdriet, ook last van complexe schuldgevoelens. Veel mensen weten niet hoe moeilijk zo'n proces is. Soms, wanneer ik tegen iemand zei dat mijn vrouw was overleden, draaide die persoon zich botweg om en liep weg.

Het was eenzaam. Ik leefde als een kluizenaar. Op het moment van haar overlijden was ik net aan een wetenschappelijke carrière begonnen. Ik heb die toen een paar maanden stopgezet. In het dorp vonden ze me een zonderling. Tot vier, vijf uur 's nachts brandde er licht bij mij thuis, 's ochtends bleven de gordijnen gesloten. Ik heb in die tijd veel geschreven. Op het obsessieve af. Een dikke pil van negenhonderd bladzijden over de geschiedenis van de gevangenisstraf. Dag en nacht was ik ermee bezig. En een boekje waarin ik de inhoud van rouwadvertenties van de laatste tweehonderd jaar analyseerde. Hoe hebben mensen in de loop der tijd hun verdriet verwoord, over de dood gesproken, hun emoties geuit. Voor mij was dat een vorm van rouwverwerking. Als socioloog wist ik dat veel van wat ik voelde cultureel bepaald was, maar die wetenschap botste met de wrede ongeciviliseerde pijn die ik ervoer. Dat eerste jaar was een periode waarin ik erg op mezelf was maar ook ontdekte dat mijn kracht lag in het opbouwen van een eigen wereld. Ik hield me staande door verhalen te verzinnen.

Mijn vader had een woninginrichtingzaak in Groningen. Die zaak was gevestigd aan het eind van het Zuiderdiep, aan de rand van de hoerenbuurt. Op straat speelde ik met de jochies uit die buurt. Ik sprak met een onvervalst Gronings accent. Omdat ik goed kon leren ging ik naar de hbs, wat in ons milieu uitzonderlijk was. Mijn vader had alleen lagere school, mijn moeder een paar jaar ulo. Het was in die tijd in Groningen vanzelfsprekend dat je als doorlerend katholiek jongetje naar het Maartenscollege ging. Een buitengewoon chique school die gerund werd door de jezuïeten. Mijn klasgenootjes tennisten, hockeyden, spraken keurig Nederlands en keken op me neer vanwege mijn Gronings accent. Als ik met een vriendje mee naar huis ging had ik geen idee hoe ik me moest gedragen. Ik kende de goede manieren niet. Die heb ik later proberen te leren maar het blijft een inhaalslag. Ik doe het steeds net weer anders. Aan die achterstand heb ik een permanente onzekerheid overgehouden.

Mijn positie in het gezin was vergelijkbaar met mijn positie op de middelbare school: die van een beschouwende buitenstaander. Ik ben de jongste, boven mij twee zussen en twee broers. Het waren de jaren zestig en de generatiekloof liep dwars door ons gezin. Zij waren van werken, geld verdienen en auto's, ik van school en boeken en een basgitaar. Alleen met mijn moeder voelde ik me verwant. Ik heb in mijn leven gedaan wat zij had willen doen. Leren, boeken schrijven. Ze droomde van roem als schrijfster. Op haar vijfenzeventigste is ze gedebuteerd met een verhalenbundel in het Gronings. Ons gezin was volstrekt acultureel maar wel schreef mijn moeder toneelstukken voor amateurgezelschappen, slimme streekromanverhalen. Ze had een eigen binnenwereld. Ze las ook, net als mijn zussen, alles wat ik schreef, in tegenstelling tot mijn vader of mijn broers. Mijn oudste broer heeft ooit een keer een roman van mij opengeslagen, en na een pagina weggelegd met de woorden: 'Waar gaat dit in hemelsnaam over?!'. Ze hadden thuis weinig op met universiteit en studeren. Er werden platte grappen gemaakt over studenten. Over de Vindicat-ballen die, jenever in de hand, vanaf het bordes van hun sociëteit op de vroege ochtend dronken met bekakte stemmen riepen: 'zeg werkman, wat heb je op je brood'. Ik had daar ook een enorme afschuw van.

Ik ben nooit echt gelovig geweest maar ik weet wel wat het is om te leven met de gedachte dat er een schepper is die over je heerst, en je in de gaten houdt en tegenover wie je je later moet verantwoorden. Dat beeld raak ik niet gauw kwijt maar met het instituut heb ik niets. Mijn vader is nooit een overtuigd gelovige geweest, mijn moeder wel, maar zij kreeg in de jaren zestig problemen met de kerkelijke veranderingen. Ze had er moeite mee dat een geloof dat altijd gepresenteerd was als het ware geloof in de juiste gedaante ineens omgebogen en geherinterpreteerd kon worden. In haar ogen stond dat haaks op het idee van het ware geloof. Ze kon er niet mee uit de voeten. Toen bovendien de pastoor nog eens in de kerk verkondigde dat het dom was te geloven in de dingen zoals ze vroeger door de kerk waren gepresenteerd was voor haar de maat vol. Briesend kwam ze thuis: 'Dat ze ons voor de gek gehouden hebben is nog tot daar aan toe, maar dat ze ons er ook nog de schuld van geven is te erg voor woorden'. Dat was het einde van mijn moeders relatie met de kerk.

Mijn eigen relatie is maar een kortstondige geweest. Een flirt op de middelbare school. De jezuïeten moesten allemaal elke dag een mis opdragen en daar hadden ze misdienaars voor nodig. Ik werd gevraagd. Ik was veertien. Fiets te vanaf dat moment elke ochtend om zeven uur met een nuchtere maag naar school. In doodse ochtendstilte speelde het ritueel zich af: het dragen van de bijbel van links naar rechts, het rinkelen met de belletjes. Het ademde een rare surrealistische sfeer. Had ook iets treurigs: die mannen die vroeg in de ochtend in alle eenzaamheid hun plichten deden. Een oudere misdienaar, acoliet, leerde mij Latijn en de andere kneepjes van het vak. Het was een rijke jongen, van goede komaf. Hij moest lachten om mijn 'ai' in kyrie-eleison, zoals mijn klasgenoten om mijn vette 't's.

Tegenover die keurige wereld van school stond de ruwe wereld van de straat. Met haar eigen taal en gebruiken. Zo was het de gewoonte van een groep jongens om in de dagen voor oud en nieuw kerstbomen te jatten en die op oudjaarsdag te verbranden. Ik deed een beetje mee met de groep, was een wat halfslachtig bendelid. Op een van onze strooptochten passeerden we mijn acoliet met een kerstboom. Het was duidelijk dat hij het zou moeten ontgelden. Ik probeerde me tevergeefs te verschuilen, maar de acoliet had me al gezien en keek me minachtend aan. Het was een verwarrend moment. Ik was getuige van een botsing tussen twee culturen waar ik in zat zonder bij een van beide echt te horen. Niet lang daarna was ik misdienaar-af.

Omdat ik niet naar de universteit wilde, uit weerzin tegen die elitaire en bekakte rijkeluis-ballenwereld, ben ik na de middelbare school naar de heao gegaan. Een miskleun. Na een jaar hield ik het voor gezien. Ik kreeg les in vakken waar ik een afkeer van had: commerciële economie, etiquette in het bedrijfsleven, wat moest ik ermee? In die tijd zag ik een advertentie staan van het Nieuwsblad van het Noorden voor een journalist, ik solliciteerde, en werd aangenomen. Die baan heeft me in korte tijd de ogen geopend. Ik ontdekte wat er allemaal in de grote wereld te beleven viel en nam radicaal afstand van de kleine wereld van thuis. Ik heb een jaar of vier in de journalistiek gezeten, vond het een boeiend vak, het ging ook goed maar ik kreeg steeds meer weerzin tegen het houden van interviews met gestudeerde mensen die duidelijk hun min achting voor mij, jongetje met Gronings accent, lieten blijken. Althans, zo voelde ik het.

Ondertussen waren vrienden van me naar de universiteit gegaan en ik zag dat er ook nog een ander stu-leven, vrij en leuk. Ik besloot sociologie te gaan studeren. Tijdens mijn studie heb ik wat pogingen ondernomen om een roman te schrijven maar dat werd niks. Ik geloofde er ook niet echt in. Het was niet genoeg van mezelf, te ideologisch. Ik was links, zonder overigens ook maar enige binding te hebben met radicale maoïstische studentengroeperingen. Bij stakingen ergerde ik me mateloos aan die agressieve studentenleiders. Ik zat in een andere positie, had al gewerkt en wist veel meer van de samenleving dan de jongens die daar op de barricaden stonden. Inmiddels zijn we dertig jaar verder en is niemand meer links. Maar ik ben linkser dan toen. Ik walg van het rucksichtslose graaien en het ophemelen van materiële waarden. Betreur de zoekgeraakte solidariteit met mensen die het slechter getroffen hebben. Ik heb nog steeds geen binding met partijen, zal ook nooit activist worden, maar de groeiende tweedeling baart mij zorgen. Maar je mag het niet eens zeggen. Dan word je uitgelachen door van die asociale newconomy-types.

Tien jaar lang woonde ik met mijn eerste vrouw in een dorp, terwijl ik studeerde in Amsterdam. Het dorp beknelde me. Ik kon niemand duidelijk maken wat ik deed. Studeren? Behalve het zoontje van de burgemeester kenden ze niemand die studeerde. En van dat zoontje begrepen ze het wel want dat was altijd een rare geweest maar ik was toch eigenlijk een gewone jongen. Voor de zoveelste keer in mijn leven verkeerde ik in een dubbelpositie. De dag dat ik van het dorp naar de stad verhuisde, in Amsterdam ging wonen, was het alsof ik thuiskwam. De anonimiteit, de drukte, de concentratie van 'niets menselijks is de mensen vreemd', het overal heen kunnen gaan, alles kunnen bekijken wat er om je heen gebeurt, het was een verademing. Ik studeerde cum laude af, promoveerde cum laude, werd hoofddocent criminologie maar op het moment dat ik hoogleraar kon worden ben ik bij de universiteit weggedaan. Na mijn proefschrift vond ik de tijd gekomen om 'echt' te gaan schrijven. Het was nu of nooit.

Ik betrap mezelf nog regelmatig op idiote culturele lacunes. Ik heb veel gelezen maar ineens valt er een naam die iedereen kent en ik niet en dat is toch het gat uit mijn jeugd. Nu ben ik schijver en behoor ik tot een culturele voorhoede, ik ben daar op eigen kracht gekomen maar ik had ook graag op mijn twaalfde in het Concertgebouw gezeten, boeken van Shakespeare gelezen of gedichten van Marsman in mijn handen gedrukt gekregen. Ik heb het als een gemis ervaren dat die cultuur mij niet van huis uit is meegegeven. En dan zie je dat de laatste jaren die zogenaamde elite-cultuur belachelijk gemaakt wordt. Televisie en kwaliteitskranten buigen het hoofd voor een platte agressieve massacultuur die vijandig is ten opzichte van alles wat in mijn ogen mooi en kwetsbaar is. Ook in hogere culturele kringen wordt de smaak steeds meer bepaald door platheid. De logica van Cruijff wint het van die van Aristoteles, André Rieu krijgt meer waardering dan Yehudi Menuhin.

Ik kom zelf uit een milieu waar een dédain heerste voor hogere cultuur en een enorme waardering voor commerciële shit. Ik vind dat bedreigend, word daar bang van. Vandaar mijn aanval in NRC Handelsblad op het culturele marktdenken van Rick van der Ploeg. Vandaar ook mijn stelling dat meer elitaire kunstuitingen recht hebben op bescherming. Vervolgens ben ik met harde hand in de hoek gezet als jaren vijftig snob. En dat terwijl ik geen enkele binding heb met snobisme en elitarisme. Ik haat het. De enige reden dat ik opkom voor kwetsbare, oprechte kunst is de schoonheid ervan. De troost die ervan uitgaat laat ik me niet afnemen door een luidruchtige wals van massacultuur.

Ik ervaar een kloof tussen de schrijver Herman Franke en de persoon Herman Franke. Een onoverbrugbare kloof. Ik heb niet geleerd te praten maar de schrijver in mij durft alles te verwoorden. Joseph Brodsky heeft gezegd: 'In gezelschap ben ik nooit mezelf maar altijd iemand anders'. 'Zelfs in de liefde', voegde hij eraan toe. Het eerste herken ik, het laatste niet. In een liefdesrelatie verdwijnt het altijd aanwezige gevoel van vervreemding. Als ik ergens bij hoor is het bij de vrouwen met wie ik wat gehad heb. Vrijen en intimiteit heffen de eenzaamheid op, slechten de menselijke barrières. Al baken ik ook in relaties een eigen domein af en heb ik een eigen binnenwereld.

Een dominant gevoel in mijn leven is, dat ik maar voor een gedeelte rechtstreeks uiting kan geven aan mijn persoon. Ik heb zelden het idee: nou ben ik gezien zoals ik ben. Mijn angst is dat op een dag niemand me meer ziet, ik helemaal een outsider ben. Alleen en niet meer in staat te communiceren. Levend dood.

Ik ben geen spontaan type en zal het nooit worden. Ik ben buitengewoon reflexief. Hard voor mezelf en voor anderen. Ik wil alle redenen waarom ik iets doe, motieven van waaruit ik handel, hoe kleinzielig of egoïstisch ook, onder ogen zien. Verlang dat ook van een ander. Jammer genoeg zijn maar relatief weinig mensen daartoe in staat. De meesten draaien zich liever een rad voor ogen. Misschien is dat verstandiger maar ik kan het niet. Ik heb me wel eens voorgenomen om naar een ander land te gaan en iemand anders te worden. Me meer te gedragen op de manier zoals ik zou willen zijn. Het zal me niet lukken. Ik kan niet morgen een uitbundig en bourgondisch persoon zijn. Bovendien is het gevaarlijk. Ik zou mijn gevoel van identiteit kwijtraken. Literatuur is wat dat betreft al een risicovol spel. Ik dagdroom en fantaseer veel. Leef voor een deel in een zelfverzonnen wereld. Door het schrijven leer je veel kanten van jezelf goed kennen. Ik geef die kanten volop de ruimte in mijn verhalen en personages, dat is bevrijdend maar ook verwarrend. Je kunt ten onder gaan aan literatuur, dat heb ik wel gevoeld. Maar je kunt er ook door opgetild worden. Wat ik mooie literatuur vind is literatuur waarin het schrijnende besef aanwezig is dat de werkelijkheid om ons heen illusoir en niet te kennen is, in beweging en subjectief, grillig en ongrijpbaar. Mijn personages zijn obsessieve en gepassioneerde zoekers. Ze streven hartstochtelijk naar geluk maar bereiken het niet. Ik bewonder mensen die met volle overgave streven, alles proberen en het risico nemen om op hun bek te gaan. Kaal geluk, daar houd ik niet van. Schrijnend geluk, dat is pas mooi.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden