Review

Schrijf jij soms alleen voor het mierenrijk?

Elk jaar weer gaan groepjes Nederlandse schrijvers naar een of ander buitenland om daar de Nederlandse literatuur uit te dragen. Je krijgt meestal niet te horen hoe het hen daar vergaat, want maar zelden loopt er in hun voetspoor een Nederlandse journalist mee. Het is daarom wel interessant dat J.Bernlef in zijn nieuwe boek uitgebreid verslag doet van twee van zulke reisjes, een door de Verenigde Staten, alweer bijna twintig jaar geleden, en een naar een poëziefestival in Senegal. Ze nemen tezamen de helft van 'Tegenliggers' in beslag.

Bernlef heeft gekozen voor de satire, of misschien moet ik zeggen de karikatuur. Dat blijkt al dadelijk uit de naamsveranderingen die hij aanbrengt. Zichzelf noemt hij Jan Liefkind, Hans Plomp heet Hans Worst, Jules Deelder wordt Jules Speer, Simon Vinkenoog Simon Broer, Bert Schierbeek Bert Schildpad, Remco Campert Remco Zondag, Karel Appel Karel de Wilde en Judith Herzberg is omgedoopt tot Julia Roozenschoon. Deze travestie zet natuurlijk meteen de licht geamuseerde toon. De sleutels voor deze sleutelverhalen liggen voor het oprapen.

De dragende figuur in beide reisverslagen is Jules Speer, doortastend, brutaal: ,,Sommige mensen werden afgeschrikt door zijn agressiviteit, maar daaronder school de blanke pit van de ongecompliceerde volksjongen die maar één adagium kende: eerlijkheid voor alles.'' En dan volgt een hilarische passage waarin Speer begint 'aan een evaluatie van de dichterlijke capaciteiten van zijn collega's'.

,,Schildpad was oké, maar of het niet wat korter kon in het vervolg. Zondag moest eens leren wat meer hardop te schrijven. Broer had last van wolken in zijn kop. 'Kun jij eigenlijk wel tot tien tellen, Simon,' snerpte Speer. 'En jij, Liefkind, met je kleine observatietjes van kleine dingetjes, schrijf jij soms alleen voor het mierenrijk?' Het was duidelijk dat Speer zichzelf met grotere dieren mat.''

Bernlef ziet de humor van dit alles in en laat alle verschrikkingen die met zulke literaire tournees gepaard gaan, glimlachend aan zich voorbijgaan. Als iemand zegt ,,Morgen de laatste dag'' noteert hij: ,,Het gezicht van Remco Zondag klaarde op, als van een kind aan de vooravond van de grote vakantie.''

Komen in deze twee verhalen dus al heel wat, niet altijd congeniale, schrijvers voor, of 'tegenliggers' zoals de titel ze noemt, in de overige stukken, die minder verhalend en meer beschouwelijk van aard zijn, portretteert Bernlef schrijvers met wie hij zich verwant voelt. De eerste is, het zal niemand verbazen, K. Schippers, wiens werk hij uitstekend karakteriseert, onder meer als volgt: ,,De afgrond die vlak onder onze afspraken over tijd, ruimte en taalgebruik gaapt is als een donkere onderschildering in zijn werk aanwezig en verleent een dramatisch accent aan de vederlicht gepresenteerde gebeurtenissen.''

Bernlef is een van de schrijvers die dank verschuldigd zijn aan hun leraar Nederlands op de middelbare school. De zijne heette Rob Nieuwenhuys, een ideale leraar die zonder veel uitleg zijn eigen smaak wist over te dragen op de leerlingen, althans op Henk Marsman, die zich later J.Bernlef zou noemen. Nieuwenhuys las voor uit 'Kaas' van Elsschot, hij introduceerde schrijvers als Nescio, Alberts, Boon, las gedichten voor van Lucebert en de andere Vijftigers. ,,Hij zei erbij dat hij er niet alles van begreep, maar dat dat ook niet nodig was. Als je maar gegrepen werd.'' Een van zijn uitspraken was: ,,De Nederlandse literatuur lijdt aan een hoge mate van deftigheid.'' Vanuit deze mentaliteit richtte Bernlef, met Schippers en Brands, in 1958 het tijdschrift 'Barbarber' op. Hij is diens hele leven met zijn ideale leraar bevriend geweest.

Ook aan Lucebert is een stuk gewijd, verrassend genoeg, want Bernlef associeer je niet ogenblikkelijk met deze experimentele dichter. Het blijkt dat hij in zijn jonge jaren zozeer in de ban was van Lucebert en de bebop dat hij onwillekeurig gedichten schreef die pure imitaties waren (hij geeft een voorbeeld). Maar ook na die tijd, toen hij zijn eigen toon gevonden had, is hij Lucebert trouw gebleven. ,,De twee Nederlandse dichters die ik het vaakst herlees zijn Herman Gorter en Lucebert. Hun poëzie heeft voor mij altijd weer die elektrificerende werking, geeft me het gevoel dat alles mogelijk is, de ruimte van het volledige leven nog steeds onder handbereik is en de poëzie bestemd is om de wereld in al zijn gemene luister en met heel zijn kakofonie binnen te halen.''

Andere tegenliggers die besproken worden zijn Rutger Kopland, Bert Schierbeek, de Zweedse dichter Lennart Sjogren, de zeventiende-eeuwse dichter Justus de Harduwijn (met dank aan Rob Nieuwenhuys) en de bundel besluit met een imposante vertaal-ontmoeting met twee cycli gedichten van de Italiaanse dichter Eugenio Montale over zijn overleden vrouw: ,,pogingen van een zeventigjarige de vrouw met wie hij een leven lang gedeeld had, in leven te houden, of liever: in leven te schrijven, substantie, duurzaamheid te geven.''

Alleen al om deze aangrijpende achtentwintig vertalingen is de heterogene bundel 'Tegenliggers' de aanschaf waard. Een fragment tot slot:

Jij alleen wist dat beweging stilstand is,

dat leegte gevuld is en de heldere hemel

de meest voorkomende wolk is.

Zo begrijp ik beter jouw lange reis

gevangen in verband en gips.

En toch stelt het mij niet gerust te weten

dat, tezamen of alleen, wij één zijn.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden