Schranderheid is geen wijsheid

Het 55ste Holland Festival begint vandaag met Euripides' 'Alkestis'. Het festival biedt minder dans, muziek, opera en toneel, omdat lange tijd onduidelijk was of de subsidie gehandhaafd zou worden. Het festival presenteert ook Euripides' tragedie 'De bacchanten'. Waarom wreekt Dionysus zich op de vrouwen van Thebe?

Het laatste of voorlaatste stuk dat de Griekse tragediedichter Euripides heeft geschreven, is de 'Bakchen' (op z'n Grieks gespeld) of 'Bacchanten' (op z'n Latijns gespeld). Onder die laatste titel zal het Zuidelijk Toneel Hollandia drie voorstellingen van het stuk geven in het Holland Festival onder regie van Johan Simons en Paul Koek. De productie is een typisch internationale festivalproductie die zijn première beleefde tijdens het Brusselse Kunstenfestival begin mei en intussen al te zien is geweest tijdens de Wiener Festwochen en in het Herodes Atticus-theater in Athene. In de eerste helft van oktober zal de voorstelling nog te zien zijn tijdens de RuhrTriennale in Duisburg.

Bakchanten zijn volgelingen van de god Dionysus ofwel Bakchos. Het stuk werd in 405, na de dood van de schrijver, in de regie van zijn zoon in Athene opgevoerd. Het is Euripides' indrukwekkendste tragedie, waarin hij het thema dat zijn leven beheerst heeft, namelijk de vraag naar de rationaliteit van het menselijk handelen, thuis brengt in het beangstigende dramatische conflict tussen een god en een mens.

Het beangstigende zit al meteen in de opening van het stuk, waarin de god Dionysus verklaart dat hij gekomen is naar de stad Thebe in de gedaante van een mens. Immers, de Griekse goden waren anthropomorf, mensvormig. Als een god zich dan als een mens vermomt, voorspelt dat weinig goeds. En inderdaad, Dionysus is naar Thebe gekomen om de stad te straffen. Zijn moeder Semele was een Thebaanse prinses, maar toen zij vertelde dat ze zwanger was van de oppergod Zeus, lachten haar zusters haar uit en smaalden dat ze kennelijk een misstap had begaan met een of andere man. Semele bad daarop tot Zeus in zijn volle heerlijkheid als god van donder en bliksem aan haar te verschijnen, en Zeus deed dat. Semele liet het leven onder de blikseminslag, en Zeus redde het onvoldragen kind, Dionysus, door het te naaien in zijn dij en zo de zwangerschap te voltooien. De zusters zagen in de smeulende resten van Semele's vertrekken de bevestiging van hun vermoeden: Zeus had de blasfemie van Semele bestraft.

Dionysus straft de stad voor haar ongeloof door alle vrouwen, de zussen van Semele voorop, met waanzin te slaan en de bergen in te jagen. Zelf neemt hij deel aan de handeling in de vermomming van de knappe jongeman over wie weldra het gerucht gaat dat hij met de vrouwen op de berg de bosjes induikt. Zijn tegenspeler, koning Pentheus, deelt het ongeloof van zijn moeder Agaue en zijn tantes in de nieuwe god met vanzelfsprekendheid. Op hem rust de taak de ernstig verstoorde verhoudingen in de stad te herstellen.

Een groep vrouwen die de riten van de nieuwe god viert en belijdt, is met de vreemdeling meegekomen. Zij vormen de 'meute die bij zinnen is'. Zij zijn gedurende het hele stuk aanwezig op het toneel en vertellen al in hun eerste lied wat de rituelen van Dionysus inhouden: 'sparagmos', het levend aan stukken rijten van een gemzebok, en de 'omofagia', het vervolgens verslinden van het rauwe vlees. In de handeling die daarop volgt, speelt de god zijn spel met zijn slachtoffers: hij laat zich gevangen nemen en bevrijdt zich weer met een spectaculaire aardbeving. De gebeurtenissen nemen een grimmiger wending, als een herder uit de bergen komt vertellen dat de vrouwen van Thebe, de 'waanzinnige meute', runderen levend aan stukken scheuren en kinderen uit dorpen roven. Pentheus kan niet anders doen dan proberen de vrouwen met geweld naar de stad te halen. De god ziet zich genoodzaakt opnieuw zijn wapen van de waanzin in stelling te brengen. In de beklemmendste scène van alle Griekse tragedies maakt hij zich meester van de geest van Pentheus. De koning wordt van zijn wil beroofd, en vertrekt in travestie, ritueel aangekleed als een bacchante, met de vreemdeling naar de berg. Daar wordt hij, op aanwijzingen van de god, door de waanzinnige vrouwen aan stukken gescheurd. Agaue keert zegevierend met het hoofd van haar zoon, denkend dat het een leeuwenkop is, terug naar Thebe. Vóór de paleispoort komt zij onder leiding van haar vader Kadmos weer bij zinnen, en keert zich verbitterd van de Dionysusdienst af. De god verschijnt in een triomfantelijke epifanie boven het paleis.

Meer dan welk ander stuk heeft Euripides zijn 'Bakchen' geladen met het begrippenpaar 'de roes en de rede'. Dionysus is als god van de wijn natuurlijk de god van de roes, de geestvervoering en de waanzin. Maar als god is hij natuurlijk ook elk mens de baas in de rede, in het schrander nadenken. Daarmee weet hij tenslotte Pentheus, die met alle middelen probeert de waanzinnige meute, de dood en verderf zaaiende bacchanten in de bergen, weer in het gareel te krijgen, te vernietigen: door de koning zelf in de roes van zijn dienst te dwingen. Voor het zover is, zal Pentheus de vreemdeling vertwijfeld toeroepen: 'Schrander ben je, schrander, behalve waarin je schrander zou moeten zijn'.

Je kunt zeggen dat dit het belangrijkste thema van heel Euripides' oeuvre is geweest. Ruim twintig jaar eerder had hij een dergelijk conflict tussen god en mens laten zien in zijn 'Hippolytus', waarin de op haar stiefzoon verliefde Phaedra een bij voorbaat verloren race loopt tegen de godin van de liefde, Aphrodite. In de 'Hippolytus' ging het om de irrationaliteit van het menselijk handelen in zijn persoonlijke levensomstandigheden; in de 'Bakchen' teistert een roes van tot overspannenheid gebrachte emoties een hele samenleving en sleurt haar de afgrond in.

Je zou zeggen dat het stuk de kroon van Euripideïsche luciditeit op zijn werk is, maar de geschiedenis leert anders. Eeuwen lang heeft men lijnrecht tegenover elkaar gestaan bij de uitleg van het stuk. De ene partij beweerde dat de dichter met de 'Bakchen' zijn kritische voorstelling van de Griekse godenwereld in zijn werk herriep en zich vroom schikte naar het traditionele geloof in de goden; de andere partij zei dat juist de 'Bakchen' de toeschouwers waarschuwde hoeveel onheil religie kon stichten. De schrijver van het belangrijkste commentaar op de 'Bakchen' in de vorige eeuw, Eric Robertson Dodds, heeft deze kloof gedeeltelijk overbrugd door te wijzen op de irrationele aspecten van Pentheus' handelen: de jonge, nog bijna puber-koning van Thebe is achter zijn façade van strenge seksuele repressie bloednieuwsgierig naar wat er eigenlijk allemaal voor spannende dingen gebeuren in de bergen. Gretig gaat hij in op het voorstel samen met de vreemdeling naar de vrouwen te gaan zitten loeren.

Ondanks alle meer dan voortreffelijke kwaliteiten van Dodds' werk, verduisterde hij met deze observaties de politiek-maatschappelijke kant van het stuk. Als kind van zijn tijd was hij gefascineerd door de psychologie; Freud legde hij met graagte op de karakters in de Griekse tragedie, al deed hij dat heel wat zorgvuldiger dan menig vakbroeder die aan de bron stond van de psychologiserende braakgolf die de tragedie al decennia lang overspoelt. Maar er is nog iets waarbij Dodds helaas de oorzaak is van veel narigheid, en dat hangt samen, denk ik, met zijn hang naar allerlei geloof in occulte zaken bij de oude Grieken. De tekst van de 'Bakchen' is beroerd overgeleverd. Van de twee handschriften breekt het belangrijkste af op het punt dat de herder vertelt hoe de vrouwen uit dorpen de kinderen roven. Het enig overgebleven handschrift gaat verder met een 'wondertekst': de vrouwen roven ook bronzen en ijzeren voorwerpen, die vanzelf op hun schouders blijven liggen, en op hun hoofd dragen ze vuur, zonder dat hun haar in brand vliegt.

De oplossing voor al deze wonderlijke dingen is al een halve eeuw oud en kwam van een Engelse classicus, John Jackson. Na zijn studie was hij weer gaan wonen op de ouderlijke boerderij, waar hij zijn moeder verzorgde, de schapen hoedde, en in zijn vrije uurtjes een fantastische verzameling notities schreef over de teksten van de Griekse tragedie. Hij kwam tot een volstrekt logische verplaatsing van de woorden 'geen brons, geen ijzer' naar enkele regels verder, waar ze inderdaad als een sleutel in zijn slot vallen. Omdat Jackson een paar van zijn notities had gepubliceerd in een tijdschrift, was de wetenschap op de hoogte van zijn scherpzinnigheid. Maar hoewel de universiteit van Oxford jaar in jaar uit probeerde meer werk uit zijn handen te praten, gaf Jackson pas toe in het jaar waarin hij ook stierf, 1952. Zijn verzamelde notities verschenen in 1955.

In de tweede editie van zijn commentaar op de 'Bakchen' wees Dodds het voorstel van Jackson af. Hij vond het 'te gecompliceerd'. En vanwege het enorme gezag van Dodds is Jacksons verbetering van de tekst bij vrijwel alle interpreten van het stuk stiefmoederlijk bedeeld gebleven, hoewel zijn verplaatsing de plot van de dichter echt in zijn voegen zet: de vrouwen roven uit de dorpen niets anders dan kinderen, en wel voor het ritueel waarin volgens de oudste fase van de mythe geen gemzebok, maar een knaapje aan de god werd geofferd. Dat is de reden waarom Pentheus, rationeel, besluit met het leger de bergen in te trekken, en dat veroorzaakt in de strijd, die hij, onwetend, met een god voert, zijn ondergang.

Het deed me daarom werkelijk een genoegen te zien, dat vertaler Herman Altena voor de voorstelling van het Zuidelijk Toneel Hollandia de verplaatsing van 'geen brons, geen ijzer' had overgenomen. Dat genoegen wordt wel meteen getemperd door het feit dat hij het de toeschouwer vrijwel onmogelijk maakt de consequenties van het verhaal van de herder te begrijpen, bijvoorbeeld door de inval van de vrouwen in de dorpen nog steeds als een 'plundertocht' te beschrijven. Ik heb er de vertaler naar gevraagd, die terugschreef dat hij de tekst niet explicieter wilde maken dan we hem nu hebben. Dat is een respectabel standpunt, al vind ik dat zeker voor de voorstelling een gemiste kans. Het gezelschap speelt de 'Bakchen' als een reflectie op de politieke stellingname van de dichter in het Athene van het eind van de vijfde eeuw. Daarom werd in 1998 de 'Iphigeneia in Aulis' opgevoerd in de politieke ambiance van het Haagse stadhuis, het stuk dat samen met de 'Bakchen' tot Euripides' literaire nalatenschap behoort. Maar van de politieke stellingname in de 'Bakchen' wordt de toeschouwer weinig gewaar, vooral doordat de Dionysus-rol van Fedja van Huêt een wat verveeld, klierderig en zeurderig godje oplevert, in plaats van een verbeelding van de kwaadaardige en beangstigende macht van de massa die zich verongelijkt voelt en op wraak zint. Evenals Dodds was Euripides een kind van zijn tijd, en voor hem waren de goden geen poppetjes meer, maar, onder andere, de uitdrukking van irrationele krachten die in de mens werkzaam zijn.

Misschien begreep de tijdgenoot van Euripides de implicaties van de kinderroof beter, omdat hij de mythe kende. Daar had Altena wat aan kunnen doen, zoals hij wél, in de proloog, de vermelding van de liefde tussen Zeus en Semele voor de moderne toeschouwer wat te kort door de bocht vond gaan en er een twaalftal verzen bij componeerde met monkelende kasteelromantiek: 'zijn ogen vonkend van begeerte naar de zachte tintelingen van haar liefdesspel'. Het rood van plaatsvervangende schaamte schoot mij naar de kaken. Maar verder niets dan goeds over deze vertaling: Altena blijft met zijn muzikale gevoeligheid voor de Griekse tekst en zijn hang naar precisie onze beste tragedievertaler van dit moment.

In de voorstelling krijgt Dionysus' tegenstrever, koning Pentheus, een prachtige vertolking van Aus Greidanus jr. Met zijn verschrikte, soms fel uitschietende oogopslag is hij de ontroerende knaap-koning die de eerste crisis in zijn bewind probeert de baas te worden. En die crisis is groot: zijn grootvader, ex-koning Kadmos ((Walter Bart) en de geestelijke leidsman van de stad, Teiresias (wat obligaat wegens zijn mythische androgynie hier door een actrice gespeeld, Yonina Spijker) zijn naar het vijandige kamp overgelopen; zijn moeder ook al, naar hij moet veronderstellen omdat ze de bergen is ingetrokken. Ook Frieda Pittoors als die moeder maakt aan het eind in haar verdriet en woede de overtuigende en smartelijke indruk die haar optreden ook voor het eerste publiek moet hebben gehad blijkens de getuigenissen daarover, al is het natuurlijk zonde en jammer dat hele stukken uit het slot in dat tweede, slecht overgeleverde handschrift van het stuk verloren zijn gegaan. De drie bodeverhalen die ons het wel en wee van de 'waanzinnige meute' meedelen, een kort in het begin en twee lange later in de handeling, worden alle verteld door Elsie de Brauw. Dit gaf een goede eenheid; in de opvoering van de 'Bakchen' drie en een half jaar geleden bij Toneelgroep Amsterdam ging regisseur Jürgen Gosch zo ver dat hij in overeenstemming met de antieke theaterconventies maar drie acteurs inzette voor alle rollen.

Dat was voor deze voorstelling ook een goed alternatief geweest, temeer daar de regie de rol van het koor sterk had gereduceerd: slechts drie dames, die bovendien volkomen in de schaduw staan van een uitvoerig zangkoor met orkest dat op uitheemse instrumenten als de darbuka, de kanoun, de saz en de nay muziek uitvoert van de Syrische componist Nouri Iskander. Het gezelschap koos voor deze (kerkelijke) muziek, omdat 'de muziekcultuur binnen de Syrisch Orthodoxe kerk de muziek van de Grieks-klassieke tijd dicht benadert'. Ik ben verrast, al was het alleen maar omdat ik niet wist dat we zulke stellige uitspraken over de muziek van de oude Grieken kunnen doen. Overigens maakt deze wat nasale en eentonige muziek nauwelijks een Dionysische indruk op me: kerk en theater lopen elkaar hier toch wat te veel voor de voeten.

Een toneelbeeld van grint op de vloer en een achterdoek van toneelbreed schapenvel zorgt voor een sombere ambiance, evenals een dood schaap en een stok met wat groen: de 'vreugde van Dionysus' is hier ver te zoeken. De aardbeving waaronder de god het paleis van Pentheus laat trillen, zien we uitgedrukt in een over het toneel wandelende koelkast, tezamen met de 'siddering van het vlees' van het koor. Aan het slot gooit Agaue de inhoud van de koelkast over de vloer. Dit soort van diepzinnigheden (of grapjes?) zijn aan mij niet besteed; ik weet niet of ik moet lachen om de belachelijkheid of huilen om de knulligheid van zulke dramaturgische signalen.

Ach ja, zo kun je doorgaan: waarom toch duwt Teiresias Pentheus zijn kraaien in het gezicht? Of waarom wordt Pentheus pootje gehaakt door de god tijdens diens verhoor? Het zijn de zwakheden van de acteur die bij de woorden 'een rode klaproos' voor de duidelijkheid een rode klaproos uit zijn hoed tevoorschijn trekt.

Genoeg gemopperd; laat ieder genieten van het vele moois dat de voorstelling ook biedt. Want je moet toch de 'Bakchen' wel heel erg maltraiteren, wil de toeschouwer niet meer kunnen zien wat Euripides heeft gedaan. Hij heeft immers met dit stuk een monumentale studie verricht naar de massa en haar macht, naar het religieuze en ideologische kleed waarin de angst zich hult: de angst voor het denken, de angst voor de vrijheid, en daaruit voortvloeiend de massale aanbidding van de slavernij.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden