Schoonheid is nooit onschuldig

De slang uit Genesis spreekt de waarheid, God niet. Een ongemakkelijk punt, schrijft theoloog Matthias Smalbrugge, dat de kerk liever niet onder ogen ziet. Het scherpzinnigste onder de dieren verleidt Eva, en leert haar dat kennis geen onverdeeld genoegen is. Dat ware schoonheid altijd een schaduw met zich meevoert. Die verleidersrol zou de kerk volgens Smalbrugge ook moeten spelen. De kerk moet willen zijn als de slang, en de lastige vragen durven stellen.

door Matthias Smalbrugge

Schoonheid is geen aardige, mooie vrouw met wie je gezellig kunt praten. Schoonheid is een oorlogsgodin. Schoonheid is een vrouw die je zo kan fascineren dat je nauwelijks doorhebt dat de aard van die fascinatie niet bewondering is, maar kennis.

Neem Helena, de mooiste van alle vrouwen uit de Oudheid. Natuurlijk, je kunt haar afschilderen als een onschuldige vrouw, die tot haar eigen schrik werd geschaakt door Paris. Of als een manipulatieve femme fatale. Het doet er niet toe. De geschiedenis valt niet te achterhalen, laat staan de waarheid. Niet omdat we te weinig van haar zouden weten, maar omdat schoonheid altijd een schaduw met zich meevoert – een donkere gestalte die als masker kan dienen voor vele verhalen en dus voor vele vormen van kennis.

Waartoe verleidt schoonheid? Tot kennis. In het geval van Helena: tot ongemakkelijke kennis, ongewenste kennis, kennis van goed en kwaad. Daarom noemde Augustinus God schoonheid, zo oud en zo nieuw. Want liever illusieloos gesproken over God als oorlogsgodin dan suggereren dat kennis van God een mens werkelijk zou geruststellen. Nee, het hart van een mens is onrustig op jacht naar kennis, totdat het met die vreemde schoonheid samenvalt.

Helena is niet de enige oermythe die ertoe doet als je het verband tussen schoonheid en schaduw in kaart wilt brengen. Het prachtige verhaal over de boom van kennis van goed en kwaad is zo mogelijk nog sprekender. Het behoort tot de allergrootste christelijke mythen die onze cultuur hebben vormgegeven – meer nog dan die over Helena, Oedipus, Hamlet en Faust. Helaas is het in de christelijke traditie ontdaan van zijn gouden schoonheid en wordt het verkocht als het oudroest van de zondeval. Tijd om op zoek te gaan naar het goud, op het gevaar af dat we weer op die oude oorlogsgodin uitkomen.

Waar ging het ook alweer om? God schiep ooit een aarde, kaal, zonder enig groen, zonder geluid van dier of mens. Waarna hij een mens maakte en speciaal voor hem een prachtige tuin plantte. Een mens, met zorg geboetseerd en met de levenskus op de lippen, in een tuin van alle denkbare schittering voorzien. Ten slotte zorgt hij ook nog voor een metgezel voor die mens, Eva. Gemaakt uit de tralies die een eenzaam hart gevangen houden.

Decor en spelers zijn dan voorhanden. Midden in die tuin, in het hart van de hof, plaatste hij de boom van kennis van goed en kwaad. Maar van die unieke boom mocht de mens niet eten, dan zou hij sterven. Sprak God, verbood God. Die boom wordt iets verderop nog eens drievoudig omschreven: hij is verrukkelijk om van te eten, een lust voor het oog en aanlokkelijk omdat hij wijsheid schenkt.

Zet je zo’n schitterende boom midden in de tuin, dan zorg je ervoor dat de mens er letterlijk niet omheen kan, hoe scherp je het verbod ook formuleert. Zo’n boom wordt door plaats en schittering onweerstaanbaar: je wilt de hartslag van die tuin voelen en ongetwijfeld is dat ook de bedoeling. Het verbod wil niet verbieden, maar overtreding uitlokken.

Daarom heeft God een uiterst scherpzinnig dier gemaakt, de slang. Die spreekt Eva aan op haar onvolledige kennis van God met de woorden: „Is het waar dat God heeft gezegd...?” Hij verleidt haar vervolgens om van die prachtige boom te proeven. Want, zo is zijn argument, je kennis van God is beperkt. Je zult helemaal niet sterven als je ervan eet. Integendeel, je zult, net als God, goed en kwaad kennen. Eva bezwijkt. En inderdaad, zij gaat helemaal niet dood.

Waarmee ik het eerste punt bereik dat de kerkelijke en theologische traditie liever onder tafel laat. De slang spreekt de waarheid, God niet. Een ongemakkelijk punt, ik kom erop terug. Neemt niet weg dat het de glorie van Eva is dat zij het gesprek met de slang aandurft en bereid is een eigen beslissing te nemen. Opnieuw, schoonheid als dorst naar kennis.

Maar die kennis wordt duur betaald en is geen onverdeeld genoegen. Kennis heeft blijkbaar een stekelig karakter. Want hoewel Adam en Eva hun hele leven al naakt waren en daar geen enkele schaamte over voelden, ontdekken ze die naaktheid nu pas en verbergen ze zich uit schaamte en schuld.

Let wel, het gaat niet om schuld en schaamte als zodanig, het gaat om de tweeledigheid van schoonheid en kennis. In plaats van de geschiedenis van de zondeval had het verhaal dan ook beter de geschiedenis van schoonheid en schaduw kunnen heten. Vergelijk het met de zelfportretten van Rembrandt. Sommige zijn ijzingwekkend mooi. IJzingwekkend omdat ze je een blik gunnen op kanten van de mens die je wellicht liever niet had gezien.

Schoonheid is nooit onschuldig. Enerzijds willen we dolgraag de harmonische en gelukkige kant beleven die aan schoonheid is verbonden. Denk aan de Venus van Milo, het type schoonheid dat gemakkelijk op afstand is te houden. Anderzijds willen we eigenlijk helemaal niet weten hoe de mens is met wie Rembrandt ons confronteert. Of wat de aard is van de schoonheid die Francis Bacon ons voortovert wanneer hij een gapend schone leegte creëert in zijn portret van Innocentius X. Of waarom wij, zoals Rudy Kousbroek constateerde, zo gefascineerd kunnen zijn door de schoonheid van een machinegeweer, het kille en strakke metaal.

Het verhaal in Genesis is, kortom, zo slecht nog niet. Op het moment dat de mens een blik werpt op zichzelf, wordt hij zich blijkbaar zijn eigen eenzaamheid gewaar. Hij beseft dat hij kan leven met een metgezel, dat hij kan leven voor Gods aangezicht, maar au fond is hij alleen, en wil hij dat wellicht ook zijn. Hij kan een verbond sluiten met een ander, hij kan liefhebben en geloven, maar zijn eenzaamheid is zijn hart. Het enige dat min of meer paal en perk stelt aan die eenzaamheid, is kennis. Kennis door de ander, gekend worden.

En dat is altijd een kennis van goed en kwaad, want er bestaat geen ongebroken eenheid meer die de mens kan achterhalen. Ook niet in liefde en geloof. De schrijver van Genesis heeft geen heimwee naar de mythe van Plato, waarbij mannelijk en vrouwelijk ooit in bolvormige wezens een eenheid vormden. Voor hem is dat dagdromerij. Het hart van de mens, weet hij, is eenzaamheid. Daar dient religie dan ook voor: schoonheid te kunnen beleven als een dubbele kennis, een clair-obscur. Waarom noemde Augustinus God schoonheid? Omdat hij geloofde dat je alleen voor Gods aangezicht die dubbele aard van de schoonheid in het gelaat kunt zien.

Daarmee staat echte religie haaks op veel moderne spiritualiteit, die beduidend optimistischer van aard is. Die wil dat je tot jezelf komt, inkeert tot je ware zelf, noem het allemaal maar op. Dat zijn geen bewegingen die louter rust en vrede opleveren, zoals zo vaak gesuggereerd. Integendeel, ze confronteren je met eenzaamheid, gebrokenheid, geheimen.

Liefde en zelfkennis zouden volgens de moderne spiritualiteit tot het goede behoren. Maar liefde is geladen met goed én kwaad, en zelfkennis is vaak uiterst zelfdestructief. Zie Oedipus. Diens zelfkennis leidt tot zijn ondergang. Hoezo bestaat er enige kennis, enig geloof, enige liefde die buiten goed en kwaad omgaat? Dat is pure naïviteit. Zo haal je de scherpte van de kennis weg.

Waarmee de overgang naar kitsch is gemaakt. Kitsch is schoonheid die geen kennis brengt. Zeker geen tweeledige. Kitsch confronteert je niet met je eigen innerlijk, noch met de schittering, noch met de schaduw. Kitsch wekt hooguit sentiment op. Kitsch is het huilende zigeunerjochie, het besneeuwde kerkje, de kerstnacht, de zoveelste bewerking van de Matthüuspassion. Kitsch is Heleen van Royen beschouwen als literatuur en Michel Houellebecq als de postmoderne profeet van Michel Foucault.

Kitsch is imitatiegedrag – wat historisch gemakkelijk te verklaren valt. Ooit was de burgerlijke cultuur een imitatie van de hofcultuur. Tot aan de Franse Revolutie geeft het hof in smaak, mode en cultuur de toon aan. Vanaf de negentiende eeuw zijn de verhoudingen omgekeerd. Dan imiteert het hof de burgers, waarmee de kitsch zijn intrede doet. Of je het nu hebt over de stijl van Napoléon III of van koning Willem III of van de Donaumonarchie in Oostenrijk-Hongarije – het is allemaal dezelfde kitsch van te veel, te zwaar, te pretentieus. Het is zwijmelen bij Sissie-achtige decors, het zijn verkeerde feelgood movies.

Religieus gesproken is kitsch gelovig zwijmelen, zonder de tocht naar kennis aan te durven. Het is verkondigen dat geloof natuurlijk een kwestie is van overgave en vertrouwen, waarmee het verstand niets mee te maken heeft. Het is ontkennen dat de complexiteit van het leven ook een plaats moet hebben in het geloof.

Kitsch in religieuze zin is het fundamentalisme en het brave formalisme van de EO. Maar het is evenzeer de sentimentele nieuwe spiritualiteit waarnaar zoveel vraag is, het genoeglijke gekeuvel dat de scherpte van het leven wil ontwijken. Vooral geen vuile handen maken, vooral goed en kwaad buiten de deur houden, vooral pretenderen dat er rust en vrede bestaan die je ontdekt op een mooie bergtop tijdens een roerende pelgrimage die zowaar de afspiegeling blijkt te zijn van die eigen zielehoogten. Hoe prettig. En hoe gelijkend op de EO-pleisterplaatsen voor afgetobde zielen. Beide lijken wegen naar een rijk van vrede en geluk. Maar het is imitatie van de echte tocht naar kennis.

Als dit zo is, dan is elk heimwee naar de kerk van vroeger eveneens kitsch. Of we nu verlangen naar de volkskerk van vroeger, de soevereiniteit in eigen kring, of de brave vrijzinnigheid. Hetzelfde geldt voor het streven naar eenheid dat uiteindelijk de Protestantse Kerk in Nederland tot stand bracht. Ook dat is imitatie van het verleden, terwijl we weten dat het voorbij is, over, passé.

De kerk die wij beleven heeft immers haar beste tijd gehad. Niettemin probeert zij op dezelfde weg voort te gaan. Juist dat maakt de kerk niet eens meer burgerlijk, maar kleinburgerlijk. En ze merkt het niet. Als gevolg daarvan kan een gelovige het soms Spaans benauwd krijgen in de kerk en zich afvragen in welke mate hij van zijn liefde vervreemd is geraakt.

Want altijd, op elk niveau, moet er bedacht worden of de kudde wel kan volgen als er één stap naar voren wordt gezet. Telkens is er de vrees dat bij het winnen van drie mensen, er drie in de achterhoede zullen afhaken. Het is die kleinburgerlijke angst – de wens om steeds maar het verleden te verlengen – die maakt dat de protestantse kerk zo langzamerhand tot religieuze kitsch vervalt.

Is daar serieus bewijs voor? Mij dunkt. En dat schuilt vooral in de vastgeroeste kerkelijke omgang met de oermythe over schoonheid en schaduw, het verleidingsverhaal. Hoewel de maatschappij bol staat van verleiding en marketing, wil de kerk daar niets mee te maken hebben. Als de kerk gevraagd zou worden een rol te spelen in het verhaal van de slang, dan zou ze dat weigeren. De kerk wil helemaal niet weten waar Eva de guts vandaan haalde om met de slang te spreken. Eva spelen – zij moet er niet aan denken. De enige rol die zij haar gelovigen gunt is die van de schaamtevolle achterneefjes van Adam. De kerk wil evenmin weten waarom de slang – toch door God als de scherpzinnigste van alle dieren geschapen – de vrouw wilde verleiden. Noch waarom juist hij de waarheid sprak en God niet.

Waarom was dat? Waarschijnlijk omdat God letterlijk afziet van de waarheid en die in het spel van goed en kwaad legt. Er is geen geïsoleerde waarheid buiten goed en kwaad om, en dus laat God die aan scherven vallen. Bewust. Je kiest voor goed en kwaad en binnen dat kader valt ook de waarheid van je leven.

Maar de kerk doet de handelingen van de menselijke acteurs in dit verhaal af met het begrip ’zonde’. Dat is prettig. Dan kun je immers zeggen dat Eva gezondigd heeft, zonder je nog te hoeven verdiepen in de vraag wat haar dreef. Met die term snijd je de weg af naar verdere kennis. En verval je in sentiment – het sentiment dat het begrip ’zonde’ inzet om God zo ver mogelijk van de mens weg te houden. Het sentiment van de veilige onderwerping.

Heb je eenmaal het woord ’zonde’ op de mens toegepast, dan is de afstand met een zondeloze God natuurlijk enorm geworden. Onoverbrugbaar. God is het goede en wij zijn slechts arme zondaars. Tegelijkertijd durft de kerk niet werkelijk voor de zondaarsrol te kiezen en zich het verlangen en de passie van Eva eigen te maken. Als kerk, zeker als calvinistische, laat je je niet door schoonheid verleiden, je houdt haar gewoon buiten de deur. Alsof je daarmee de complexiteit van het leven eveneens buiten de deur kunt houden. Dat kan, inderdaad. Maar de prijs die je betaalt is die van het vervallen in sentiment en kitsch.

De kerk wil niet verleiden. De kerk wil de schoonheid van de allergrootste verhalen niet gebruiken. Zij wil geen ravissante Eva spelen. Zij wil ook geen Adam spelen (hoewel we het vaak genoeg hebben over de oude Adam in ons). En ze wil al helemaal geen slang spelen.

Toch is dat bij uitstek de rol die de kerk zou moeten spelen: die van de verleider, die de woorden van God toetst en onderzoekt. Veel meer dan een goed schriftgeleerde is die slang tenslotte ook niet.

„Staat er niet geschreven dat je nergens van mag eten?”

„Nee, je mag van alles eten, behalve van die ene boom; dan ga je dood.”

„Nee hoor, dan ga je niet dood, maar zul je zijn als God.”

Het was een interpretatie die uiteindelijk de juiste bleek te zijn. De slang verleidt de vrouw ermee, hij leert haar dat het bestaan een scherpte bevat die je pas in schoonheid gewaarwordt. Dat leidt inderdaad tot de ontdekking van de schaduw van de schoonheid, van schaamte en schuld. Waarna de mens de wijde wereld in wordt geschopt, om te werken en lief te hebben.

De kerk moet op zoek naar een scherpe lezing van de Schrift, zij moet de slang durven spelen. Zoals Jezus ons aanraadde, trouwens. Hét pleidooi voor de scherpzinnigste aller dieren komt uit zijn mond. Alsof hij die oude oermythe nieuw leven wilde inblazen. Hij stuurt in het evangelie van Matteüs zijn discipelen erop uit met de opdracht scherpzinnig te zijn als de slang. Als welke slang? Natuurlijk die van Genesis.

Als de kerk de kitsch achter zich wil laten en tegelijkertijd serieus wil ingaan op de behoefte aan spiritualiteit, dan moet ze willen zijn als de slang. En de lastige vragen durven stellen. De vragen die gaan over waar en onwaar in God, over Gods bedoeling met die gewilde scherpzinnigheid, over de schoonheid als oorlogsgodin. Dan moet ze de moed hebben om de grote oermythen van onze cultuur opnieuw te interpreteren.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden