Schoolsport in Rotterdam beleidsmatig opgepikt

Dit is het derde artikel in de serie 'Armoede in de sport'. De eerste twee verschenen op 11 en 15 januari.

Sandor Benes, hoofd van het bureau schoolsport in de Maasstad, en zijn medewerkster Leny Kolenbrander kregen vorig jaar welgeteld 15 212 leerlingen uit het basis- en voortgezet onderwijs in een stuk of twaalf sporten in beweging. Er zit nog steeds groei in. Voor de 53ste keer werd een stedenontmoeting met Antwerpen gehouden. Daarnaast fungeerde Rotterdam als gastheer voor een internationaal toernooi met een aantal Europese zustersteden. De kosten daarvoor konden worden afgewenteld op sponsors in natura. Voor het overige kunnen er jaarlijks voor anderhalve ton structureel heel aardige dingen worden gedaan.

Het principe is eenvoudig. In iedere Rotterdamse deelgemeente spelen schoolkinderen buiten de lesuren wedstrijden tegen elkaar. Het vormt de opstap naar het stedelijke kampioenschap, maar dat is uiteraard niet het belangrijkste. Het gaat om het deelnemen, en vooral het kennismaken met bepaalde takken van sport. Onderwijzers, sportconsulenten en - voorzover beschikbaar - kader van sportverenigingen in de wijk tekenen voor de begeleiding. Sandor Benes: “Het moet in ieder geval laagdrempelig zijn. De doelstelling is kinderen zoveel mogelijk te laten bewegen. Daarbij hebben wij de ondergrens van 7 tot 8 jaar al verlegd naar 5 tot 6 jaar. Op die manier komen kinderen op jonge leeftijd met veel sporten in aanraking. Een afgeleide doelstelling is dat er daarna een doorstroming naar verenigingen ontstaat. Die hebben er dus ook baat bij kader en faciliteiten ter beschikking te stellen.”

Een aardig nevenverschijnsel is dat veel gymnastieklessen op Rotterdamse scholen aansluiten bij dat fenomeen, dat in de huidige vorm vier jaar bestaat. “Ik bespeur een trend”, vertelt Leny Kolenbrander, “dat de zuivere gymnastiekles verdwijnt en overgaat in meer sportgericht onderwijs. Maar het is niet op iedere school gelijk. Alles staat en valt met het enthousiasme van de vakleerkracht.” En met de aanwezigheid ervan. Het is niet langer verplicht de lessen lichamelijke opvoeding door gespecialiseerde onderwijzers te laten geven. Het openbaar onderwijs - lees: de gemeenten - heeft in meerderheid voor het in dienst nemen van vakleerkrachten gekozen. Die kunnen vaak een weektaak samenstellen uit het aanbod van een aantal, dicht bij elkaar gelegen scholen. In het bijzonder onderwijs is de schooldichtheid een stuk geringer en hebben de schoolbesturen er het geld niet voor (over) een vakleerkracht voor een x-aantal uren aan te stellen. Mede om die reden is het beleid van het ministerie van OCW erop gericht schoolbesturen in elkaar op te laten gaan, zodat er een groter werkgebied en een efficiënter gebruik van specialistische docenten ontstaan.

Vakleerkrachten

Een Nipo-onderzoek dat in opdracht van de KVLO (de organisatie van leraren lichamelijke opvoeding) werd uitgevoerd, gaf aan dat bijna drie kwart van de schooldirecteuren vindt dat een vakleerkracht op een basisschool noodzakelijk is. Op minder dan de helft van de scholen is die wens daadwerkelijk de vader van de gedachte. De aanstellingen van vakleerkrachten per school zijn doorgaans zo klein van omvang dat die mensen niet alleen van hot naar haar rennen, maar slechts de hoogste groepen één keer per week les kunnen geven. Vaak weten ze niet eens van welke school een leerling afkomstig is. Laat staan dat ze zich betrokken voelen bij dat onderwijsinstituut en verwantschap tonen met sportstimuleringsprojecten. “Het is jammer dat je afhankelijk bent van het enthousiasme van het onderwijzend personeel”, gaat Kolenbrander door, “omdat je in de praktijk kinderen bereikt die om financiële redenen niet aan sport doen. Dat zag je in de afgelopen kerstvakantie, toen de kinderen van gegoede ouders op wintersport gingen en de kinderen uit arme gezinnen bij ons kwamen sporten.”

Schoolsport is al langer een actueel 'item' in Rotterdam, ook toen het huidige bureau een vrij anoniem onderdeel was van de gemeentelijke dienst sport en recreatie. “Het is nu ook beleidsmatig opgepikt”, geeft Benes het verschil aan. “De stedenontmoetingen zijn een uiting dat er jaren geleden al belang aan schoolsport werd gehecht. De jaarlijkse ontmoeting met Antwerpen dateert reeds van 1939. In die tijd lag Antwerpen natuurlijk ver weg. De gedachte achter die stedenontmoeting was te proberen een sfeer van verbroedering tussen twee rivaliserende havensteden te creëren. Hoe kun je dan beter beginnen dan bij de jeugd?” Kolenbrander vult aan: “Uit de internationale contacten die we tegenwoordig ook met Sint-Petersburg, Ostrava en Dresden onderhouden, merk je hoe belangrijk het voor kinderen is om te weten hoe het bij hun leeftijdgenootjes in andere delen van de wereld toegaat. Er zijn kinderen die elkaar daarna blijven schrijven. Niet zoveel, maar al zijn het er niet meer dan tien, dan hebben we in dat opzicht toch ons doel bereikt.”

De slaagkans van het Rotterdamse schoolsportproject hangt voor een belangrijk deel af van de medewerking van scholen en verenigingen. Benes en Kolenbrander komen aan veldwerk nauwelijks toe, ze regelen alles op een kantoorkamer aan de Coolsingel. Bij de verenigingen moest bovendien vertrouwen worden gekweekt. Benes: “Nu bij veel sportclubs de ledentallen teruglopen, zien zij ook meer het belang ervan in. Zij boden aan te helpen. Ze waren bereid kader en scheidsrechters te leveren. Maar het heeft ook weer zijn praktische beperkingen. In potentie hebben wij grote mogelijkheden om ons project uit te breiden. Je kunt heel veel toernooien opzetten, maar je moet voor de vrijwilligers grotendeels terugvallen op de verenigingen. En die zijn er vaak niet in voldoende mate.” De doorstroming naar de georganiseerde sport - in clubverband wel te verstaan - valt dan ook tegen. “Er zou een keer gericht onderzoek naar gedaan moeten worden”, stelt Sandor Benes vast, “maar voor mijn gevoel valt die tegen. Er wordt ook niet gericht aan talentherkenning gedaan.”

Het Rotterdamse bureau schoolsport speelt verder een wezenlijke rol in de integratie van allochtonen in de Nederlandse samenleving. Een Vlaams onderzoek van tien jaar geleden is ook in dit land nog brandend actueel. Op zich is 'gemengd' sporten (in de zin van etniciteit) geen probleem, zij het wel bij islamitische meisjes. Om religieuze redenen mogen zij geen sport bedrijven in aanwezigheid van jongens, rust op sportkleding een taboe en is sporten tijdens de ramadan helemaal uit den boze. Ouders vertrouwen hun dochters dan ook niet toe aan de zorg van (mannelijke) jeugdleiders van sportverenigingen. De school is in die gevallen een veel veiliger baken. “Dat klopt”, zegt Benes. “Er zijn in ieder geval geen financiële beperkingen om niet-georganiseerd aan sport te doen. In sporten in schoolse sferen bestaat wel vertrouwen. Bij toernooien zie je veel ouders van buitenlandse gezinnen op de tribune, veel meer dan van Nederlandse afkomst. Ik vind dat de sport in Rotterdam meer is geïntegreerd dan in andere steden. Voetbalverenigingen zijn actief bezig kader te werven onder allochtonen. In andere plaatsen en steden wordt in hoofdzaak hapsnap iets gedaan.”

In die context vinden Sandor Benes en Leny Kolenbrander ook niet dat er dramatisch moet worden gedaan over de bewegingsarmoede onder de jeugd. De laatste: “De enige sport waarin veel kinderen moeite hebben met de motoriek, is zwemmen. Maar bij de meeste allochtone kinderen zit een potentieel aan motoriek waar je niet goed van wordt.” Benes: “Je ziet er in al die wedstrijden niet één die er maar een beetje bijhangt. Iedereen doet mee en kan ook meedoen. Je moet de regels uiteraard niet strikt naleven. Bij een mini-triathlon zie je kinderen die zich amper drijvend kunnen houden. Die moet je uit het water halen, anders verzuipen ze. Maar ze kunnen wel gewoon meedoen aan het volgende onderdeel. Toch ben ik niet zo optimistisch. Ik ben het van harte eens met de stelling dat er te weinig gymuren zijn op de scholen. Op de openbare scholen gaat het nog. Je zou drie uur moeten hebben, het zijn er nu twee.”

Het 'inpikken' van het derde uurtje behoort tot de acquisitie van het Rotterdamse bureau schoolsport. In een aantrekkelijke vorm gepresenteerde informatie doet de loper al een heel eind uitrollen. Kolenbrander: “Veel staat en valt met onze presentatie. We zijn volstrekt afhankelijk van het enthousiasme van de vakleerkrachten, want die moeten onze ideeën in hun vrije tijd, op woensdagmiddagen en in schoolvakanties, uitvoeren. Die hebben ook maar één lichaam.”

Haarlemmer Olie

Tijdens het zogeheten nationale debat over sport en werkgelegenheid, dat eind november vorig jaar op initiatief van NOC-NSF werd gehouden, presenteerden tal van gezaghebbende sprekers de Melkertbanen als Haarlemmer Olie. Mooi gezegd, maar er kleven veel haken en ogen aan, stelt Benes. “Ons probleem is dat je de mensen in het kader van de Melkertbanen structureel aan het werk moet zetten. Dat werkt niet. Wat we nu wel doen, is banenpoolers inzetten op scholen. Zij plegen onderhoud aan gymnastiekzalen en kunnen meteen toezicht houden. Datzelfde kun je ook in hallen en andere sportaccommodaties laten doen. Op toernooien heb je eveneens mensen voor toezicht nodig, maar omdat dat op incidentele basis is, loop je tegen tal van barrières op. Banenpoolers en mensen met een Melkertbaan moeten aan zoveel voorwaarden voldoen, dat het in de praktijk moeilijk is ze er daadwerkelijk bij te betrekken. Terwijl ze zelf dolgraag willen.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden