SCHOOLPRESTATIES 1998

Voor Schoolprestaties 1998 wilde Trouw meer informatie dan de krant gebruikte in de eerste editie, om gehoor te kunnen geven aan de kritische noten die over de bijlage van 25 oktober zijn geuit. De inspectie weigerde. Andere gegevens zouden pas na het verschijnen van de kwaliteitskaart openbaar worden gemaakt, het product waarmee de inspectie in september de prestaties van scholen openbaar wil maken.

Dat vond Trouw te laat. Ouders die een school hebben uitgezocht voor hun kind willen vóór de vakantie weten of zij, gezien de nieuwste cijfers, een verstandige keuze hebben gedaan. En dus toog de krant opnieuw naar de rechter.

Het belangrijkste ontbrekende gegeven was het aantal 'neveninstromers' per school. Dat zijn tweedekans-leerlingen die van een andere school komen en de schoolprestaties flink beïnvloeden omdat zij vaak achterstanden hebben. Uiteindelijk gaf de inspectie deze cijfers zelf.

De krant wilde ook van elke vestiging het aantal leerlingen uit culturele minderheden waarvoor de school extra subsidie ontvangt. De president van de Amsterdamse rechtbank accepteerde het argument dat deze gegevens eerst nog door de inspectie moeten worden gecontroleerd. Later bleek dat de inspectie er nooit toe over is gegaan gegevens over culturele minderheden te verzamelen.

De kwaliteit

Voor deze bijlage Schoolprestaties kon Trouw gebruikmaken van betere gegevens dan vorig jaar. Dat komt vooral doordat scholen de inspectieformulieren beter hebben ingevuld. Zo horen leerlingen die buiten het reguliere onderwijs vallen, zoals asielzoekers en leerlingen in internationale schakelklassen, niet te worden meegeteld. Scholen deden dat tot voor kort toch, omdat dat makkelijker was. Toen de gegevens vorig jaar onverwacht openbaar werden, protesteerden sommige scholen. Als ze dat hadden geweten, waren ze wel zorgvuldiger geweest. Het Leidse Da Vinci dreigde zelfs met een kort geding. De school heeft de klas asielzoekers op de havo dit keer netjes buiten het inspectieformulier gehouden en de beoordeling van deze afdeling is een stuk beter.

Nu bijzondere leerlingengroepen niet meer in de cijfers zitten, hoeven deze 'bijzondere omstandigheden' ook niet meer in de lijst te worden vermeld.

De cijfers waarop de percentages allochtonen vorig jaar waren gebaseerd waren oud en golden voor een school als geheel. Weliswaar heeft het ministerie ze nog steeds niet op het gewenste niveau van nevenvestiging, maar ze zijn er nu wel van het afgelopen schooljaar. De cijfers konden bovendien worden omgezet naar percentages per schoolsoort, wat de scores ook eerlijker maakt.

Vergelijkbaarheid

Door de verbetering van de gegevens zijn de cijfers in Schoolprestaties 1998 niet vergelijkbaar met 1997. Als een school vooruitgaat is het onduidelijk of dit aan eigen prestaties te danken is of aan beter ingevulde formulieren. Bovendien zijn de gegevens nu opgesplitst naar nevenvestiging. Van een scholengemeenschap met twee mavo's moesten vorig jaar de gezamenlijke cijfers worden gegeven, nu zijn ze er voor elke mavo afzonderlijk. Nieuw zijn de percentages D- en beta-examens en het percentage tweedekansers, leerlingen die op een andere school hebben gefaald en het opnieuw proberen.

Het rendement van een school, dat wil zeggen hoe snel en hoe goed de leerlingen hun diploma halen, is dus niet alleen af te lezen aan het slagingspercentage, het gemiddeld eindexamencijfer, de zittenblijvers en de uitvallers, maar ook aan het percentage D-examens in vbo en mavo en het percentage beta-examens in havo en vwo.

In de beoordeling van het rendement, dit jaar in de vorm van plussen en minnen, is rekening gehouden met de schoolbevolking. Een school met veel leerlingen uit achterstandsgroepen haalt moeilijker een hoog slagingspercentage of hoge examencijfers en heeft eerder zittenblijvers en uitvallers dan andere scholen. Die correctie op de beoordeling is uitgevoerd met het percentage allochtonen en met het percentage tweedekansers.

Kwaliteitscontrole

Het inspectiemateriaal waarvan Trouw gebruikmaakte is door de scholen goedgekeurd en is tevens de basis voor de nog te verschijnen kwaliteitskaart. Toch heeft Trouw bij scholen met onverklaarbare uitschieters de cijfers geverifieerd. Daardoor verdwenen veel scholen van de lijst. Zo kwam er een vbo-afdeling met 95 procent tweedekans-leerlingen uit de berekeningen. Dat betekent dat in een jaar tijd bijna de hele schoolbevolking zou zijn ververst. Een foutje dat de inspectie nog niet had gecorrigeerd. Scholen met alleen een onder- of bovenbouw zijn ook uit de lijst verwijderd.

Voor het maken van de lijst is gebruikgemaakt van negen elektronische bestanden. Vijf daarvan zijn van de inspectie afkomstig. 1. namen en adressen van scholen. 2. aantallen leerlingen aan het begin en einde van het schooljaar, de tussentijds uitgevallen leerlingen, de zittenblijvers, de aantallen uitvallers na zittenblijven en de vertraagden per leerjaar, schoolsoort en vestiging. 3. aantallen neveninstromers per leerjaar, schoolsoort en vestiging. 4. per vestiging, schoolsoort en examenniveau de aantallen examenkandidaten en geslaagden. 5. het aantal kandidaten per examenvak en het gemiddeld behaalde examencijfer, per schoolsoort, examenniveau en vestiging. Het ministerie van onderwijs leverde bestanden met het aantal allochtone leerlingen en het totaal aantal leerlingen per hoofdvestiging per schoolsoort. Van het cartografisch bedrijf Geodan kwam een bestand met postcodes en gemeentenamen. Voor de indeling van de scholen in provincies werd gebruikgemaakt van een CBS-lijst.

De scholen

De door de inspectie geleverde gegevens omvatten alle scholen voor voortgezet onderwijs, behalve de vrije scholen, de scholen voor voortgezet speciaal onderwijs, de buitenlandse scholen, de agrarische onderwijscentra, de twee categorale scholen voor individueel beroepsonderwijs en de voortgezet onderwijsafdelingen van regionale onderwijscentra. Waarom deze scholen ontbreken is niet geheel duidelijk. Zo stelt de inspectie dat de vrije scholen er niet bij zitten omdat er van hen geen rendementsgegevens worden verzameld. De scholen hebben zo'n afwijkend onderwijssysteem dat die nergens op zouden slaan.

Hoe de inspectie de kwaliteit van dit onderwijs dan wel beoordeelt en hoe de uitkomst daarvan straks op de kwaliteitskaart zal worden weergegeven, is onbekend. Hetzelfde geldt voor de Roncalli scholengemeenschap in Bergen op Zoom, het paradepaardje van het ministerie van onderwijs als het gaat om succesvolle voorbeelden van het studiehuis. Vorig jaar waren er wel gegevens over zittenblijven en uitstroom van deze school, evenals van twee zelfstandige scholen voor individueel beroepsonderwijs.

Verder ontbreken scholen waarvan de inspectie geen melding van maakt. Zo zijn er volgens opgave van het ministerie twaalf mavo's voor individueel voortgezet onderwijs waar gewoon wordt meegedaan aan de landelijke examens. Een deel van die scholen blijkt niet in het bestand te zitten: De montessori-mavo Skarabee in Tiburg en de RK IVO-Mavo in Den Bosch ontbreken bijvoorbeeld.

Twee scholen in het bestand komen twee keer voor: het Marnix College in Ede en het Petrus Canisius in Alkmaar. Bij het Marnix gaat het om een gymnasiumafdeling die los van de scholengemeenschap is geregistreerd en die nu door de toevoeging 'gymnasium' in de lijst herkenbaar is. Bij het Petrus Canisius zijn twee vbo-vestigingen aangetroffen op hetzelfde adres. School noch inspectie kon daarover opheldering verschaffen. De vestigingen zitten als afzonderlijke scholen in de lijst, met verschillende gegevens.

Omdat vestigingen met alleen een onder- of bovenbouw zijn verwijderd, kan het voorkomen dat een schoolsoort in de lijst ontbreekt, terwijl die wel aanwezig is. Uiteindelijk zijn in de lijst terechtgekomen:437 scholen voor voorbereidend beroepsonderwijs, 749 mavo's, 481 havo's en 503 scholen voor vwo.

Denominatie

Net als vorig jaar blijkt dat scholen met een christelijke signatuur beter scoren dan gemiddeld, met name het katholiek onderwijs. Hoewel openbaar en algemeen bijzonder niet ver genoeg wegzakken om gemiddeld een minnetje te halen, komen zij wel onder het gemiddelde uit. Het openbaar onderwijs doet het ietsje slechter dan het algemeen bijzonder onderwijs.

Het Montessori-onderwijs scoort slecht, zoals vorig jaar ook al bleek. Toen kwam de gemiddelde beoordeling van het rendement lager uit dan dat van openbare en algemeen bijzondere scholen. Dit jaar doen de Montessorischolen het even slecht als het openbaar onderwijs. Voor het eerst zijn ook Jenaplan- en Daltonscholen in de lijst herkenbaar. Deze scholen scoren nog slechter dan het Montessorionderwijs. Voor alle drie de typen vernieuwingsscholen geldt dat ze behalve lagere slagingspercentages en examencijfers ook meer zittenblijvers-, uitvallers en tweedekans-leerlingen hebben dan andere scholen. Die tweedekansers zijn echter niet de oorzaak van de lage score, want daar is in de beoordeling rekening mee gehouden.

Scholen die deel uitmaakten van de vorige Schoolprestaties hebben dezelfde denominatie gekregen, toen gebaseerd op een opgave van het ministerie van onderwijs. Scholen die in schooljaar 1996/97 nieuw waren, voortgekomen uit een fusie, hebben desgevraagd de gekozen denominatie opgegeven. Alleen scholen die de hele vestiging volgens een pedagogisch principe hebben ingericht, worden als zodanig aangemerkt. De informatie daarover is afkomstig van de verenigingen voor Montessori-, Jenaplan- en Daltononderwijs.

Geslaagden

De gemiddelde slagingspercentages per schoolsoort zijn ongeveer hetzelfde als vorig jaar: vbo 94 procent, mavo 96, havo 85 en vwo 88 procent. De slagingspercentages van vbo en mavo zijn altijd iets hoger dan van havo en vwo omdat deze leerlingen op twee niveaus, C en D, examen kunnen doen. Wie op D-niveau een onvoldoende krijgt haalt het C-niveau vaak wel, en haalt zo toch een diploma.

Er zijn ook dit jaar forse verschillen tussen scholen. In het vbo scoort de Haagse Dalton Scholengemeenschap het laagst met 71 procent geslaagden. Honderd procent halen vele scholen, ook in de andere schoolsoorten. Onderin bij de mavo zit College 't Loo in Voorburg met 51 procent geslaagden, bij de havo het College Henegouwen in Rotterdam met 53 procent en bij het vwo is dat het Haagse Johan de Witt College met 41 procent geslaagden. In het percentage geslaagden voor het vbo zitten ook A- en B- examens, terwijl die in het gemiddeld eindexamencijfer ontbreken. Het inspectiemateriaal liet geen andere keus. Gemengde vbo/mavo examens zijn bij de mavo meegeteld.

Examencijfer

Het gemiddeld behaalde eindexamencijfer ligt bij alle schoolsoorten rondom de zes. Het vbo haalt een 6,4, de mavo een 5,7, de havo een 6,3 en het vwo een 6,2.

De grootste onvoldoende is te vinden in de mavo. Het Utrecht Zuid College kwam niet verder dan een 4,1. Het best deed de mavo van de Inspecteur Boelenschool op Schiermonnikoog het met een 7,4. In het vwo haalde het Haagse Johan de Witt college, locatie Doeverenplaats, het laagste gemiddelde met een 4,9. Het gaat om een school die bijna volledig uit allochtone leerlingen bestaat. Het hoogst scoorde het Gymnasium Bernardinuscollege in Heerlen met een 7,4.

Aan de onderkant van de havo rolde de Amsterdamse Esprit Scholengroep, locatie Jan van Galenstraat, eruit met een 5,4. De bovenkant is voor de Goudse Waarden in Gouda, een 7,0. De slechtst scorende vbo-school is het Nieuw-Rotterdam aan de Beukelsdijk (5,3), het hoogst kwam het Dongemond College in Geertruidenberg (7,4).

Het gemiddelde eindexamencijfer is berekend over alle vakken waarin leerlingen op een school examen doen. Hoe meer leerlingen deelnemen, hoe zwaarder het gemiddeld cijfer voor dat vak meeweegt in het totaal eindexamencijfer. Bij de afdelingen voor individueel beroepsonderwijs ontbreekt het gemiddeld examencijfer, omdat van A- en B- examens geen resultaten bekend zijn.

D-examens

Van de vbo-examens die op de hogere niveaus C en D worden afgenomen, is gemiddeld tien procent op het hoogste niveau, D. Het verst boven dat gemiddelde uit torent Scholengemeenschap Nijkerk, waar 62 procent van de C- en D-examens op dit niveau wordt gedaan. Bij de mavo doen alle leerlingen examen op C- of D-niveau. Gemiddeld is 84 procent van de mavo-examens een D-examen. Op het Maaswaal College in Nijmegen worden zelfs alle examens op dit niveau afgenomen.

Het percentage D-examens is dit jaar in de lijst opgenomen om het gemiddeld eindexamencijfer te relativeren. Het is immers geen kunst een hoog cijfer te halen als veel leerlingen op een laag niveau examen doen. Helaas lukte het niet om voor het vbo het percentage C- en D-examens ten opzichte van het totaal weer te geven. Ook de aantallen A- en B-examens zijn onbekend.

Bèta-examens

De technische universiteiten mogen het Lindenholt College in Nijmegen wel koesteren, want dit vwo heeft het hoogste percentage beta-examens van het land; 46 procent. Dat percentage ligt ruim boven het gemiddelde van 32. Onder de havo-scholen schiet het Oostvaarders College in Almere eruit met 43 procent bèta-examens, het gemiddelde is 31 procent. De havo van de Rotterdamse scholengemeenschap aan de Haverlandstraat heeft de minste leerlingen met wiskundeaspiraties: 14 procent van de examens is een bètavak. In het vwo staat het Stellingwerfcollege aan de Martenskamp in Oosterwolde onderaan met 19 procent.

Het percentage bèta-examens is bedoeld om het gemiddelde eindexamencijfer van een school te relativeren. Veel pretpakketten kunnen immers tot hogere cijfers leiden. Met bètavakken worden biologie, natuurkunde, scheikunde, wiskunde A en -B bedoeld.

Zittenblijvers

Het zal niemand verbazen dat het vbo van scholengemeenschap Harreveld, verbonden aan een jeugdgevangenis, de meeste zittenblijvers telt. De school komt op 36 procent, terwijl het gemiddelde in het vbo het laagst is van alle schoolsoorten: vier procent. Ook op de mavo blijven gemiddeld weinig leerlingen zitten, namelijk vijf procent. Dat is net zoveel als in het vwo. De kop van de mavo wordt ingenomen door scholengemeenschap Nieuw-Rotterdam met twintig procent zittenblijvers, van het vwo door het Stedelijk College in Zoetermeer, locatie Schubertrode, met 21 procent zittenblijvers. Aan kop bij de havo staat het Noordzee College in Driehuis. Daar bleef vorig schooljaar 31 procent van de leerlingen zitten. De havo telt gemiddeld de meeste zittenblijvers: elf procent.

Met zittenblijvers worden leerlingen bedoeld die het leerjaar overdoen binnen dezelfde onderwijssoort.

Uitvallers

De havo heeft de meeste uitvallers van alle schoolsoorten, namelijk acht procent. Het vbo volgt met zeven, dan komt mavo met zes en hekkensluiter is het vwo met vijf procent uitvallers.

Net als bij de zittenblijvers variëren de percentages uitvallers van nul tot zeer hoog. Afgezien van de internaatscholen komt het vbo van het Haagse Stevin College, locatie Berensteinlaan, het hoogst uit op maar liefst 24 procent. De mavo van het College 't Loo in Voorburg, locatie Serooskerkestraat, weet ook van wanten: daar is 38 procent van de leerlingen vorig schooljaar uitgevallen. Bij de havo haalde de Amsterdamse scholengemeenschap Asko-vo, locatie Geelstraat, de top met 28 procent. Het Vellesancollege in IJmuiden is met twintig procent uitval de koploper in het vwo.

Uitvallers zijn op de eerste plaats leerlingen die de opleiding tijdens het schooljaar verlaten. Daarnaast gaat het om leerlingen die aan het einde van het schooljaar vertrekken nadat zij zijn blijven zitten. Deze leerlingen zijn dus in de lijst niet als 'zittenblijver' geteld, maar als uitvaller.

De twee categorieën uitvallers zijn door de inspectie aangeleverd. Het lijken logische keuzes, maar de manier waarop vooral de laatste groep door de inspectie wordt geteld, stuit op bezwaren van sommige scholen, met name categorale gymnasia. Een overstap van de ene schoolsoort naar de andere, bijvoorbeeld van drie vwo naar vier havo, wordt niet als zittenblijven of uitval genoteerd als deze overstap binnen een scholengemeenschap plaatsvindt. Maar als het gaat om een zelfstandig gymnasium dat een derdeklasser na zittenblijven van school stuurt en deze leerling komt in een havo-vier klas van een andere school terecht, geldt de leerling wel als zittenblijver en uitvaller.

Ook het alternatief, afdelingen binnen een scholengemeenschap als zelfstandige instituten beschouwen, heeft een bezwaar. Categorale scholen zijn veel meer gericht op het binnenhouden van leerlingen, bijvoorbeeld door ze te laten zitten, want: hoe meer leerlingen, hoe meer subsidie. Scholengemeenschappen hoeven daarmee geen rekening te houden en kijken eerst naar het belang van het kind. Dat zou dan worden afgestraft.

Tweedekansers

Een nieuw gegeven in Schoolprestaties is het percentage leerlingen dat een school van een andere school heeft overgenomen. 'Neveninstromers' heet dat in jargon. Meestal zijn dit leerlingen die op een school hebben gefaald en het opnieuw willen proberen, vandaar de aanduiding 'tweedekansers'. Ze hebben achterstand en dus een grotere kans op uitval, zittenblijven en zakken. Er moet bij de beoordeling van het rendement van een school met deze groep rekening worden gehouden.

Overigens zijn neveninstromers niet altijd leerlingen met een achterstand. Het kan ook gaan om leerlingen die zijn verhuisd en om leerlingen die de onderbouw in een ander gebouw hebben gedaan. Deze groepen zijn in de cijfers van de inspectie niet te scheiden.

Het zal niemand verbazen dat het vbo, de onderste laag in de onderwijspiramide, de meeste tweedekansers opneemt. Het gaat om gemiddeld negen procent. De havo, waar uit- vallers van het vwo, maar vooral ook opstomers uit de mavo terechtkomen, volgt met vijf procent. De mavo laat gemiddeld drie procent tweedekansers toe, het vwo twee procent.

Allochtonen

Eigenlijk zou het beter zijn om het percentage allochtonen in de lijst 'cumi's' te noemen, want dat doet meer recht aan de aard van het getal. De eenheid cumi, kort voor culturele minderheden, wordt op het ministerie van onderwijs gebruikt om scholen met leerlingen uit allochtone groepen extra te subsidiëren. Allochtone leerlingen hebben vaak achterstanden die met extra inspanning moeten worden weggewerkt. Overigens zijn scholen niet verplicht extra subsidie voor allochtonen aan te vragen. In theorie is het dus mogelijk dat een school in de lijst nul procent allochtonen telt, maar in werkelijkheid wel degelijk allochtonen heeft. Het percentage allochtone leerlingen dient om de rendementgegevens te relativeren. Uit ander onderzoek is bekend dat het percentage een goede indicatie geeft van het totaal percentage leerlingen uit sociaal zwakkere groepen op een school. En aangezien sociaal zwakkere leerlingen over het algemeen minder goede schoolprestaties neerzetten dan kinderen van hoogopgeleide ouders, moet daar bij de beoordeling van het rendement rekening mee worden gehouden.

De percentages gelden per schoolsoort en niet per vestiging. Als bij een mavo 25 procent allochtonen staat aangegeven, dan is dit een gemiddeld getal voor alle mavo's die onder diezelfde scholengemeenschap vallen. Verder zitten in deze percentages ook leerlingen in asielzoekers- of schakelklassen, categorieën die in de inspectiecijfers buiten beschouwing worden gelaten. Het ministerie, waar de gegevens vandaan komen, maakt dat onderscheid in leerlingenaantallen noch aantallen allochtonen.

Scholen die dit soort klassen hebben en niet meetellen bij de brugklassen, worden in het eindoordeel dus iets bevoordeeld.

Net als vorig jaar bleek dat er grote verschillen zijn tussen de prestaties van scholen met veel allochtonen. Zo haalt het vbo van het Amsterdamse Asko-vo in de Tweede Christiaan Huygensstraat met 73 procent allochtonen een plus, terwijl het Nieuw-Rotterdam aan de Beukelsdijk met 75 procent allochtonen een dubbele min krijgt. De vbo-afdeling van het Montessori Amsterdam aan de Polderweg telde meer cumi-leerlingen dan gewone en zou op 115 procent allochtonen zijn uitgekomen. De oorzaak is niet duidelijk geworden en het percentage is op het gemiddelde voor Amsterdam in deze schoolsoort gesteld: 49 procent.

Beoordeling

De lijst eindigt met een beoordeling van het rendement van scholen. Uitgangspunt is dat het rendement beter is naarmate een school meer geslaagden heeft, een hoger gemiddeld eindexamencijfer behaalt, meer D-examens of beta-examens afneemt en minder uitvallers en zittenblijvers telt. In het oordeel is rekening gehouden met de schoolbevolking. De plussen en minnen zeggen dus niet iets over de achtergrond van de leerlingen die op de school zitten, maar over de bijdrage die de school levert aan hun prestaties: het is de 'toegevoegde waarde' van een school, zoals dat in het jargon van wetenschappers heet.

Net als vorig jaar heeft prof. dr. J. Dronkers van de Universiteit van Amsterdam assistentie verleend bij het maken van een beoordeling. Hij heeft zijn methode op verzoek van Trouw iets grover gemaakt, zodat de lezer met behulp van de cijfers in de lijst het oordeel zelf kan narekenen. Vorig jaar waren daarvoor de rendementcijfers van elk leerjaar nodig.

De beoordeling is betrouwbaarder dan vorig jaar. Dat heeft te maken met de extra gegevens, de verbeterde kwaliteit van de gegevens en het grotere aantal scholen. Het besluit om geen rapportcijfers meer te publiceren is gezamenlijk door Dronkers en Trouw genomen. Daarmee wordt tegemoetgekomen aan de kritiek dat een onvoldoende suggereert dat een school slecht is, terwijl die alleen maar onder het gemiddelde scoort. De overheid heeft immers nooit normen voor goed of slecht ontwikkeld.

Dronkers heeft de wijze van beoordeling dit jaar aan Trouw overgelaten. Gekozen is voor een systeem waarbij de nul op een gemiddelde score duidt, een plus daar significant bovenuit komt en twee plussen in nog sterkere mate het gemiddelde overstijgt. Scores onder het gemiddelde kregen een min, ver daaronder een dubbele min. Ter vergelijking: vorig jaar was het gemiddelde een zes, een acht of hoger toen komt nu uit op een dubbele plus.

Hieronder volgen de formules waarop de beoordelingen zijn gebaseerd. De uitkomst nul is omgezet naar een nul in de lijst, de uitkomst één is een plus geworden en twee of hoger kreeg twee plussen. Min één leidt tot een min, min twee of lager tot dubbel min. Elk onderdeel van de formule gaat uit van de gemiddelde score op dat onderdeel. De aftrek van punten aan het einde van de formule dient om de extra punten die zijn uitgedeeld voor allochtonen en tweedekansers te neutraliseren. Het gemiddelde gecorrigeerde rendement moet in elke schoolsoort immers weer op nul uitkomen. Dat impliceert dat scholen zonder allochtonen en zonder tweedekansers gemiddeld iets onder het gemiddelde uitkomen. Dat lijkt oneerlijk, maar deze scholen bevinden zich in een uitzonderlijke, niet-gemiddelde situatie en zouden dus meer dan gemiddeld goed moeten scoren. Scholen met minder dan vijftig leerlingen hebben geen beoordeling gekregen, evenmin als ivbo-afdelingen en scholen die aan internaten verbonden zijn.

In het vbo werden er negen dubbele plussen uitgedeeld, bij de mavo acht, in de havo twaalf en in het vwo vijftien. Dubbele minnen kregen 22 vbo-scholen, 32 mavo's, 21 havo's en 22 vwo-scholen.

Voor het vwo: 1. Startpunt is het gemiddelde slagingspercentage van 88,2 (a). Bereken voor elke vijf procent meer 0,24 punten (b). Elke vijf procent minder levert min 0,24 punten op (c). 2. Ga nu uit van het gemiddeld eindexamencijfer van 6,2 (d). Elke 0,1 punt (e) hoger levert 0,11 punt op (f), elke 0,1 punt lager (g) min0,11 (h). 3. Neem het gemiddeld percentage zittenblijvers van 5,2 (i). Elke procent hoger is min 0,11 punten (j), elke procent lager is 0,11 punten (k). 6. Nu het gemiddeld percentage uitvallers van 4,7 procent (l). Elke procent hoger telt voor min0,11 (m), elke procent lager voor 0,11 (n). 7. Het gemiddeld percentage bèta-examens is 31,8 (o). Elke vijf procent meer levert 0,21 meer punten op (p), elke vijf procent minder komt op min 0,21 te staan (q). 8. Tel al de bij 1 tm 7 gescoorde punten op. Dit is het ongecorrigeerde rendement van de school. Tel er vervolgens voor elke tien procent tweedekansers 0,5 punten (r) en voor elke tien procent allochtonen 0,49 punten (s) bij op. 9. Trek van de totaalscore 0,34 af (t) en rond dit getal af op een heel cijfer. Dit is het gecorrigeerde rendement, dat in plussen en minnen is omgezet.

Voor de havo:

a=84,5, b=0,21, c=min0,21, d=6,3, e=0,1, f=0,13, g=0,1, h=min0,13, i=10,9, j=min0,06, k=0,06, l=7,7, m=min0,07, n=0,07, o=31, p=0,17, q=min0,17, r=0,44, s=0,55, t=0,50.

Voor de mavo:

a=95,7, b=0,29, c=min0,29, d=5,7, e=0,5, f=0,45, g=0,5, h=min0,45, i=5,1, j=min0,07, k=0,07, l=5,3, m=min0,07, n=0,07, o=84,2, p=0,20, q=min0,20, r=0,24, s=0,41, t=o,42.

Voor het vbo:

a=93,6, b=0,36, c=min0,36, d=6,4, e=0,5, f=0,26, g=0,5, h=min0,26, i=3,8, j=min0,13, k=0,13, l=7,4, m=min0,08, n=0,08, o=10,3, p=0,08, q=min0,08, r=0,37, s=0,23, t=0,65.

Uit de formules valt op te maken dat de cijfers in de lijst niet allemaal even sterk meetellen. In vwo, havo en mavo wegen het slagingspercentage het zwaarst. Dat ligt voor de hand omdat dit het meest bepalend is voor het rendement, want dat is het resultaat van alle andere factoren. Dat ook het gemiddeld examencijfer zwaar weegt is logisch omdat dit rechtstreeks verband heeft met het percentage geslaagden: bij veel onvoldoendes zakken veel leerlingen. In het vbo heeft het examencijfer minder gewicht omdat hierin de scores voor de A- en B-examens ontbreken.

Uitval en zittenblijven werken negatief op het rendement. In het vwo, havo en vbo doen ze dat even sterk. Het percentage bèta-examens werkt positief uit op het rendement omdat op scholen waar dit percentage hoog is het slagingspercentage gemiddeld ook hoger ligt. In gewicht is er geen noemenswaardig verschil tussen havo en vwo.

Ook het percentage D-examens op mavo en vbo werkt positief uit op het totale rendement. Hoe meer D-examens des te hoger het slagingspercentage. Het gewicht van de D-examens is op het vbo lager dan op de mavo. Dat is logisch omdat dit gegeven in het vbo alleen iets zegt over de deelnemers aan de C- en D-examens en niet over de A- en B-kandidaten, die wel in het slagingspercentage zijn verwerkt.

Bij de correctie van het rendement voor de schoolbevolking met behulp van de percentages tweedekansers en allochtonen, telt het percentage allochtonen het minst mee in het vbo. Dat lijkt onlogisch omdat deze schoolsoort in verhouding de meeste allochtonen heeft. Maar dat is juist de oorzaak. Omdat de allochtonen ruim vertegenwoordigd zijn op alle vbo-scholen veroorzaken zij geen noemenswaardige rendementsverschillen tussen scholen.

Omdat de mavo wat betreft het gemiddeld percentage allochtonen tussen het vbo enerzijds en het havo en vwo anderzijds ligt, is het te verwachten dat dit ook geldt voor de correctie. Dat dit niet het geval is duidt erop dat er onder mavo's een sterke verdeling bestaat in zwarte en witte scholen. Tweedekansleerlingen tellen in het vbo het sterkst mee. De achtergrond daarvan ligt ook hier in de scheve verdeling van tweedekansleerlingen over de vbo- scholen.

De best en slechts renderende school van 1998

naam-plaats-% geslaagden-gem.examencijfer-% uitvallers-beoordeling

vbo goed

Linnaeus College, Terschellingerpad Haarlem 97 6,6 2 3 ++ SGM Petrus Canisius Coll, Vondelstr Alkmaar 100 6,7 1 3 ++ SGM Philips v Horne, Wilhelminastr Weert 97 6,6 0 1 ++

vbo slecht

Roling College Groningen72 6,1 12 16 -- OSG Dalton Voorburg/Leidschend Den Haag 71 6,1 10 14 -- Kon. SGM Apeldoorn, Mollerusln Apeldoorn72 5,6 4 20 --

mavo goed

Vlaardingse SGM, C Civilisln Vlaardingen 96 5,8 0 4 ++ SGM Het Herv Lyceum West Amsterdam98 5,8 8 3 ++ Stedelijke SGM, Jagerstr Roermond100 6,1 3 3 ++

mavo slecht

Overbosch CollegeDen Haag 59 4,5 14 18 -- Olympus College Rotterdam55 4,3 13 22 -- Chr. SGM Delta CollegeUtrecht 68 4,8 13 21 --

havo goed

Bis. College Schondeln, Heinsbergerwg Roermond 96 6,8 2 4 ++ Het Altena College Sleeuwyk 97 6,8 3 2 ++ Jeanne d'Arc (Gronsveld) Maastricht 98 6,8 3 4 ++ havo slecht

Prisma College, Zwarte WoudUtrecht 55 5,7 29 13 -- Olympus College Rotterdam58 5,5 28 17 -- College Henegouwen, HenegouwerplRotterdam53 5,8 29 24 --

vwo goed

RK College Sittard-gymn Sittard 100 7,0 2 3 ++ Het Altena College Sleeuwyk 100 6,7 0 1 ++ Gymn. VH BernardinuscollegeHeerlen 96 7,4 2 2 ++

vwo slecht

Stedelijk College, Schubertrode Zoetermeer64 5,5 21 11 -- OSG Dalton Voorburg/Leidschend Voorburg 68 5,6 11 8 -- Het Edison College Apeldoorn 66 5,8 10 8 --

De scholen die hierboven staan, zijn niet alleen beoordeeld aan de hand van hun totale rendement, maar ook ook op basis van hun scores op gemiddelde examencijfers en percentage zittenblijvers. Een goed slagingspercentage is voor alle schoolsoorten meer dan 95 procent, een slecht is voor vbo en havo minder dan 75 en voor mavo en vwo minder dan 70 procent. Een goed gemiddeld examencijfer is voor vbo, havo en vwo hoger dan 6,5, voor mavo hoger dan 5,5. Een slecht cijfer is voor havo en vwo lager dan 6,0, voor vbo lager dan 6,5 en voor mavo lager dan 5,0. Een goed zittenblijverspercentage is lager dan 3 in vbo, havo en vwo en lager dan 10 bij de mavo. Een slecht percentage zittenblijvers is hoger dan 3 op het vbo, hoger dan 10 in mavo en vwo en hoger dan 20 op de havo. Een goed percentage uitvallers is lager dan 3 op vbo en vwo en lager dan 5 op mavo en havo. Slecht is meer dan 3 op het vbo, meer dan 5 op het vwo, meer dan 10 op de havo en meer dan 15 op de mavo.

Voor de rest van de statistieken zie: dagfiche van Trouw

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden