SCHOOLORKEST

Slechts een handvol scholen heeft een eigen leerlingenorkest. Voor de dirigent is het véél werk, maar de aanwezigheid van een orkest werkt ook als een magneet op ouders. En het is nog verschrikkelijk leuk ook.

Saskia de Loos, dirigent, tikt af. “Is die trom niet iets te hard?” vraagt ze. Het meisje achter de trom knikt zelf al van ja. “Ietsje zachter dan. Nog es.”

Conrector J. Ouwerkerk, een man met het gepolijste stemgeluid van een radio-omroeper, is de verteller. “De Moor ligt op zijn sofa. Maar de ballerina verleidt hem gracieus tot een dans”, spreekt hij welluidend in zijn microfoon.

De vleugel zet in.

“Een, twee, drie”, telt De Loos.

De vleugel gaat te langzaam.

“Zet 'm op!”, roept De Loos. “Eén-twéé-dríe!”

Het meisje met de klarinet valt in, maar haar instrument klinkt opeens beroerd. De Loos tikt af. Het meisje zegt dat ze het instrument eerst even droog moet maken, en loopt naar haar koffer. Daar gaat ze in de weer met doek en wisser.

“Dènk je eraan dat je je vloeitjes straks op de lessenaar bij je hebt?” zegt De Loos. De vleugel geeft een A, zodat de klarinet opnieuw kan stemmen.

“Nou, de rest moet maar gewoon gáán. Maar, op het puntje van de stoel hè?”, zegt De Loos als haar repetitie voorbij is. Dan gaan de orkestleden zich op een holletje verkleden: allemaal iets zwarts en wits aan.

Gymnasium Erasmianum is een van de - zeer ruim geschat - veertig middelbare scholen in Nederland met een eigen orkest. Niemand houdt bij hoeveel het er precies zijn. Maar op een totaal van 1048 scholen voor voortgezet onderwijs, zijn die met een orkest in elk geval oorverdovend in de minderheid.

Bij de 38 zelfstandige gymnasia zijn orkesten in verhouding juist dik gezaaid: negen van de 38 hebben er een dat goed genoeg is om en plein publique op te treden. Afgelopen maandag hadden zij in Arnhem hun jaarlijkse festivaldag. Een handvol andere gymnasiale orkesten bleef thuis, in eigen oren niet goed genoeg. Zelfs niet als het 'niet om de eer, maar om de ontmoeting' gaat, zoals organisator Arnhem geruststellend in z'n uitnodiging schreef.

“Nee, het is niet dat een scholengemeenschap-met-orkest niet mee mag doen; maar dit is nou toevallig het festival van de zelfstandige gymnasia”, zegt de rector van het Stedelijk gymnasium in Arnhem, drs. C. Joosse.

Een apart festival van scholengemeenschap-orkesten? Nee, daar heeft hij nog nooit van gehoord. Trouwens, in heel Arnhem is er helemaal geen scholengemeenschap met orkest. Even verderop, in Wageningen, wel: het Wagenings Lyceum.

Waarom zelfstandige gymnasia zoveel vaker een orkest hebben dan scholengemeenschappen is een vraag waarop minstens twee antwoorden mogelijk zijn: een vleiend, een sceptisch. “Het hoort nou een keer bij de cultuur van een gymnasium om een orkest te hebben”, zegt Joosse.

De sceptischer verklaring is dat gymnasia bitter weinig muziek op het gewone lesrooster zetten. Eén uur per week in de brugklas, punt. Het schoolorkest is dan een vorm van compensatie. Maar dat is het alleen voor de leerlingen, tussen de dertig en honderdtien per school, die metterdaad in het orkest spelen. De rest van de Nederlandse gymasiasten krijgt dus minder muzikale vorming dan hun leeftijdgenoten op een scholengemeenschap.

“Dat is natuurlijk een oprechte schande, zeker voor scholen met zoveel culturele pretenties”, zegt de Rotterdamse conrector Ouwerkerk er maar meteen bij.

Ruth van de Putte geeft muziek op het Rijnlands Lyceum in Oegstgeest. Net als het Wagenings Lyceum is haar school een van die zeer schaarse scholengemeenschappen met orkest. “Een schoolorkest is voor ouders een symbool van status en van kwaliteit. Zonder enige twijfel”, gelooft Van de Putte. “Ik denk dat ze er de school zelfs op uitzoeken.”

Op maandagmiddag, meteen na schooltijd, staat Van de Putte voor het orkest. Dat tijdstip is geen toeval. “Als je direct na schooltijd repeteert moeten de kinderen hun instrument mee naar school nemen. Dan zien de andere kinderen dat, en ze horen het ook. Die leren daarvan dat je geen ei bent als je viool speelt”, zegt ze.

Of de andere kinderen dat werkelijk vinden is overigens zeer de vraag, want zeven van de tien brugklassers op het Rijnlands bespeelt al bij eerste binnenkomst een instrument. Actief aan muziek doen - graag met een béétje niveau - hoort tot de opvoeding, in de bevolkingslaag die z'n kinderen naar een school als het Rijnlands stuurt. “Veel mensen die bij de universiteit werken”, zegt Van de Putte over de doelgroep van haar school.

Afgelopen jaar verloor haar orkest na het eindexamen een stel talentvolle leden. “Een schoolorkest is nooit continu; er komen leden bij en er gaan er af,” zegt ze, “maar dit jaar was het echt een aderlating.”

Niet alleen is een schoolorkest nooit stabiel in omvang en niveau, het is het ook niet in z'n samenstelling. Het Erasmianum-orkest heeft bijvoorbeeld geen enkele bas, en maar één cello. Het Rijnlands orkest heeft twaalf dwarsfluiten (meest meisjes) en zes altsaxofoons. Het Arnhemse orkest heeft te veel strijkers, en te weinig hout.

“Zó overdreven enthousiast dat iemand terwille van het orkest bas gaat spelen, is de sfeer nou ook weer niet”, zegt Van de Putte, “maar als ik iemand binnenkrijg die èn piano èn saxofoon speelt, dan zet ik hem in waar-ie nodig is, en niet noodzakelijk waar hij het liefste wil. Dat tekent de sfeer: je moet er wel iets voor over hebben.”

De voornaamste reden dat Nederland zo slecht in z'n schoolorkesten zit is, denkt Van de Putte, dat het voor de dirigent zo ontzettend veel werk is. Dat schrikt af. Wanneer je nooit een gewone bezetting hebt, en allemaal verschillende niveaus, dan zal er speciaal voor dat orkest een arrangement moeten komen: wat kant en klaar beschikbaar is, is niet bruikbaar. En wat het orkest dit jaar wel aankan, kan volgend jaar te moeilijk blijken.

Saskia de Loos, van het Erasmiaans, lost haar gebrek aan bassen bijvoorbeeld op door de piano in te zetten. Strawinsky maakte van Petroesjka twee versies: een voor orkest, een voor twee piano's. Op die twee zettingen heeft ze zitten turen om er voor haar orkest een bruikbaar arrangement van te maken.

Van de Putte gaat nog een stap verder: ze speelt zo weinig mogelijk 'bekend' repertoire, en ze maakt de arrangementen zelf. “Ik heb een voorkeur voor de twintigste eeuw: Slavicky, Huub de Vriend, Turina. Geen dingen die iedereen toch al kent, zodat het publiek niet gaat zitten denken dat dit 'niet zo goed' is. En zo gearrangeerd dat de moeilijkste partij terecht komt bij wie het aankan. Het maakt enig verschil of je al sinds je vijfde cello speelt, of pas sinds een jaar.”

Aan het maken van die arrangementen is ze úúúúren per jaar kwijt. “Op veel scholen heeft de docent muziek, als die ook voor het orkest staat, daar geen zin in, zodat ze het daar laten bij één flinke gelegenheidsproduktie per jaar: de musical op de grote schoolavond. Wij hebben ons orkest permanent, en geven voortdurend concerten. Reken daarvoor maar op een dag werk per week”, zegt ze.

Thuis heeft ze sinds kort een zware computer staan met een notatieprogramma en een sequencer (een computer-hulpmiddel voor componist en arrangeur). Sindsdien hoeft ze niet elke partij met de hand uit te schrijven. Dat scheelt. Niettemin zat ze deze krokusvakantie nog drie dagen achter het beeldscherm. “Een ander heeft vakantie. Ik zit te arrangeren”, zegt ze - half gedreven, half nijdig. “Een orkest is héél wezenlijk voor het schoolklimaat, maar de leiding van een school doet vaak of je een arrangement zo even opschrijft. Dat heeft iets aanmatigends, want het is natuurlijk gewoon vakwerk. Een school die een orkest belangrijk vindt zou er meer voor moeten uittrekken dan een onkostenvergoeding van 2000 gulden per jaar. Bruto.”

Op de gymnasia staat opmerkelijk vaak iemand voor het orkest die zelf helemaal geen les geeft, maar speciaal extern wordt ingehuurd. De docent muziek is op zo'n school, vanwege het kleine aantal muzieklessen, zelden in vaste dienst. Zo regelt het Rotterdamse Marnix Gymnasium dat: “Onze oudercommissie vindt het orkest zo belangrijk dat ze er 5000 gulden per jaar voor uittrekken om een dirigent te huren”, zegt rector drs J. Radstake. “Daar heb je drie, vier produkties per jaar voor.” Dat geld komt uit de vijf tientjes ouderbijdrage die het Marnix per jaar rekent.

Maar voor hoe het orkest klinkt is een andere factor van groter belang. Het enige gymnasiale orkest, bleek op de festivaldag, waarvan het publiek gelukzalig uit zijn dak gaat en om meer roept, is het Bernardinus Symfonisch Ensemble, van het gelijknamige college uit Heerlen. Dat 27 mans-orkest (het kleinste) klonk overtuigend en krachtig. Krachtiger dan de andere, zelfs het 110 man sterke orkest (het grootste) van Gymnasium Haganum uit Den Haag, dat net als menig ander orkest gezellig een eind weg moddert. Niet dat het de gymnasiale orkesten om de prestatie gaat: “De kinderen zijn bij de schoolvakken al zo met prestaties bezig, dat het bij een orkest nou juist níet om competitie moet gaan”, benadrukt de Arnhemse rector Joosse nog maar eens. Maar dat laat onverlet dat het Bernardinus ensemble meer doet dan de noten, met wisselend succes, naspelen. “Je moet goede mensen hebben, maar ook moet je véél aandacht geven aan de kwaliteit van het strijken”, zegt Harry Dieteren, de Heerlense dirigent. Hij geeft muziek op het Bernardinus, jawel. Maar vooral staat hij ook voor het Landgraafs symfonie orkest en het Limburgs operakoor. Dieteren is een professionele dirigent. En dat is ook bij een schoolorkest te horen.

Ruth van de Putte, de zich suf arrangerende docente muziek in Oegstgeest, weet ondanks de werklast wèl heel goed waarvoor ze het allemaal doet. Het is namelijk zo verschrikkelijk leuk, zo'n orkest. “Als ik voor het orkest sta, als ik die gezichtjes zo veel energie zie opbrengen, zo veel lol zie hebben, zo veel over zichzelf zie leren, daar kan maar weinig tegenop,” zegt Van de Putte. “Spelen in een orkest is: leren samenwerken, leren om je ergens voor in te zetten, om ook weleens ergens iets voor op te geven. Als je met het orkest op reis bent heb je ook nooit enig ordeprobleem. De chauffeur van het busbedrijf zei dat de laatste keer nog: wat waren díe rustig. Dat had-ie nog nooit meegemaakt. Wie in een orkest speelt máákt iets, zet iets neer. Dat straalt van de kinderen af. Dat helpt ze ook de moeilijke jaren van de puberteit door.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden