School leidt jongeren op, maar vormt hen ook door voorbeeld en 'klimaat'

De auteur is medewerker van het Algemeen Bureau Katholiek Onderwijs. Deze week verschijnt van zijn hand bij uitgeverij Gooi en Sticht 'Vorming in perspectief. Grondslagenstudie over identiteit van katholiek onderwijs'.

Dit is echter een illusie. Allerlei maatregelen die op het niveau van de school of door de overheid worden genomen, beperken de bewegingsvrijheid van leraren.

Leraren, aldus Van Es c.s., moeten als professionals invloed kunnen uitoefenen op veranderingsprocessen in de school. De schijnvrijheid moet worden omgezet in echte invloed op de toekomst van de eigen school. Scholen moeten de ruimte en het instrumentarium krijgen om een eigen visie te ontwikkelen op hun beleid en toekomst.

Ik vermoed dat de discussie over 'Het gedroomde koninkrijk' zal gaan over de haalbaarheid van de gepresenteerde instrumenten, over rechtspositionele consequenties, over financiele randvoorwaarden om deze plannen in de school te realiseren. Dat is ook terecht; er is zeker discussie nodig om de consequenties van de voorstellen te doordenken.

Deze discussie mag alleen niet het pedagogische debat gaan verdringen over wat men als school eigenlijk wil bieden aan leerlingen. Zou datgene wat men als taak van de school ziet, niet de leidraad moeten vormen voor de invulling van de taak van leraren? Moet het doel van onderwijs niet richting geven aan de wijze waarop men de schoolorganisatie structureert?

Dasberg-Dodde

Het debat over de pedagogische opdracht van het onderwijs kent reeds vele deelnemers. Prof. Lea Dasberg betoogde in haar inmiddels bekende redevoering op de Nationale onderwijs tentoonstelling, dat opvoeden twee taken omvat. "Het eerste is het wegwijs maken in de omringende werkelijkheid, is socialiseren, conformeren, aanpassen. Het tweede, de ethische opdracht, is opvoeden."

Deze twee taken vullen elkaar aan en beinvloeden elkaar. Onderwijs is invoering van leerlingen in de bestaande cultuur zowel als kritische bewustwording van de negatieve kanten van de bestaande cultuur. Zonder deze kritische bewustwording zouden kinderen weerloos zijn in situaties van vervreemding waarin ze terecht zullen komen. Tegelijkertijd heeft de school een opdracht om te laten zien dat de wereld beter kan dan zij is.

Prof. Dodde liet zich in een reactie zeer kritisch uit over deze opvatting van Dasberg. In de eerste plaats bestrijdt hij de opvatting dat onderwijs een opvoedende taak heeft. Onderwijs is gericht op informatie-overdracht en het ontwikkelen van vaardigheden. Vorming in waarden en normen valt buiten de taak van het onderwijs.

Tevens vindt Dodde de school niet toegerust voor vorming in waarden en normen. Grote scholen bieden volgens Dodde nauwelijks mogelijkheden tot leerlingbegeleiding. Het onderwijs kan ook niet de experimenteermogelijkheden bieden voor het oefenen in het omgaan met waarden en normen. Men moet zich volgens Dodde niet al te veel illusies maken over het effect van het onderwijs op mentaliteitsverandering bij leerlingen. Kortom, de school kan geen identiteitsbevorderend instituut worden genoemd.

Ik denk dat Dasberg en Dodde beiden gelijk hebben. Onderwijs valt niet samen met opvoeding (Dodde) maar onderwijs heeft wel een opvoedende taak (Dasberg). Onderwijs en opvoeding delen met elkaar een orientatie op de vorming van kinderen of jongeren. In opvoeding en onderwijs vindt echter veel meer plaats dat niet onder de specifieke term vorming mag worden gerekend.

Zo wordt een belangrijk deel van de opvoeding van het jonge kind bepaald door 'drill' en training, zoals zindelijkheidstraining en het leren van goede omgangsvormen. Ook in het onderwijs vindt veel meer plaats dan onder de term vorming kan worden verstaan. Daarbij kan men denken aan het leren van instrumentele kennis en vaardigheden die men nodig heeft voor de uitoefening van een beroep.

Hiervoor kan men de term opleiding hanteren in plaats van vorming. Iemand die zich veel vaardigheden heeft eigen gemaakt, is hoog opgeleid maar niet gevormd.

Daarnaast is onderwijs vormend voor leerlingen, zoals ook de opvoeding vormend kan zijn. Door een gevormd persoon is de cultuur in al zijn aspecten heengegaan. Daardoor is de lerende als persoon veranderd en is zijn of haar kijk op de wereld veranderd. Deze persoon weet waarom hij op een bepaalde wijze handelt en heeft het vermogen om verantwoordelijkheid te dragen ten opzichte van zichzelf, anderen en de natuur. De gevormde persoon heeft zelfvertrouwen om een bepaalde taak aan te pakken en heeft zich bepaalde waarden en normen (= identiteit) eigen gemaakt op grond waarvan het handelen kan worden geevalueerd.

Is de school wel toegerust om leerlingen te helpen bij het vormen van een identiteit op moreel gebied? Dasberg pleit voor experimenteermogelijkheden op school. Dodde is sceptisch: het effect van de school moet gering worden geacht. Ik denk dat ook op dit punt beiden gelijk hebben.

Wat is het effect van een reeks lessen over waarden en normen? Onderzoek op dit terrein laat zien dat onderwijs iets kan betekenen als het gaat om kennis over waarden en normen of de vaardigheid om een moreel oordeel op te bouwen. Maar het effect van een reeks lessen op de morele ontwikkeling van leerlingen en de door hen gehanteerde waardesystemen is gering. Dodde heeft dan ook gelijk als je de vorming in waarden en normen beperkt tot een of meer lessenreeksen.

Dasberg wijst op iets anders, wanneer zij aangeeft dat een school experimenteermogelijkheden moet bieden voor jongeren om het omgaan met waarden en normen te oefenen.

Behalve via expliciete leerprocessen kan de school nog op twee andere manieren invloed uitoefenen op het morele denken en handelen van leerlingen, namelijk via de voorbeeldfunctie van leraren en het schoolklimaat.

Leraren gaan op een bepaalde wijze met leerlingen om. Een leraar staat model voor bepaalde waarden en normen. Het jonge kind imiteert dit gedrag van een volwassene feilloos; jongeren gaan ook een kritische confrontatie aan met volwassenen. Daarnaast is het schoolklimaat van invloed op het morele denken en handelen van leerlingen. Iedereen kent van nabij basisscholen waar kinderen bij het einde van de lestijd als een tomeloze massa naar buiten komen stormen, en (basis)scholen waar kinderen rustig en ordelijk de school verlaten. Vanwege de geur van orde en discipline die eraan kleeft, is het misschien een besmet voorbeeld, maar het is voor iedereen direct duidelijk dat schoolklimaat effect heeft op kinderen.

Het verbaast mij steeds hoezeer leerlingen worden opgezogen door een nieuwe school. Leerlingen die (met veel te dikke boekentassen) een school voor voortgezet onderwijs binnenstappen, gaan helemaal op in deze nieuwe gemeenschap. Juist door de enorme betrokkenheid bij alles wat er gebeurt in de school, zijn scholen sterk vormend voor leerlingen.

Dit identiteitsbevorderende effect van onderwijs is ook in onderzoek duidelijk aangetoond. Daarbij kunnen twee onderzoekstradities worden onderscheiden. De eerste is het zogenaamde 'hidden curriculum-onderzoek'. Elke school heeft behalve het 'officiele' leerplan ook een verborgen leerplan. Scholen dragen ook heel veel waarden en normen over die impliciet worden vereist door de samenleving: prestatiegerichtheid, flexibel, vasthoudend, taakgericht zijn, aanpassingsvermogen, samenwerkingsvermogen, resultaatgerichtheid. De kritiek van minister-president Lubbers op dit punt is dan ook niet terecht. Als het onderwijs deze taak niet zo succesvol als nu zou verrichten, was ons sociaal-maatschappelijke systeem allang ingestort.

Een andere onderzoekstraditie richt zich op 'just community-scholen'. De Amerikaanse pedagoog Kohlberg heeft zich op het eind van zijn leven hierop toegelegd. In 'just community'-scholen is de schoolorganisatie doordrongen van het oefenen van morele discussies: minstens eenmaal per week is een

lesuur hieraan gewijd; elke twee weken komen jaarklassen bijeen rond een thema; een rechtvaardigheidscommissie van leerlingen beslecht conflicten tussen leerlingen. Onderzoek laat zien dat dergelijke scholen sterk identiteitsbevorderend zijn voor leerlingen op moreel gebied.

Verbinding

Vorming op school is niet waardenvrij. Iedere school maakt keuzen in datgene wat zij leerlingen wil bieden. Heel vaak gebeurt dit onbewust en impliciet; een zeer oppervlakkige kennismaking met het onderwijs is voldoende om tot de conclusie te komen dat scholen onderling sterk verschillen.

Op dit punt zou ik de discussie over de pedagogische opdracht en het rapport van de commissie-Van Es met elkaar willen verbinden. De commissie wil een versterking van de instrumenten waardoor scholen hun eigen profiel kunnen versterken. Dat kan alleen wanneer je als school een idee hebt wat je leerlingen wilt bieden. Welk doel van vorming staat de school voor ogen?

Bij het antwoord op deze vraag kun je je niet beperken tot informatieoverdracht en het ontwikkelen van vaardigheden (Dodde); je zult ook de normatieve vraag moeten stellen voor wat voor wereld je leerlingen wilt toerusten (Dasberg). Indien je deze normatieve vraag niet stelt, loop je het gevaar leerlingen weerloos te maken tegenover het negatieve in de bestaande cultuur. Meer nog, het onderwijs zal ongewild een bevestiging zijn van de bestaande samenleving. Onderwijs heeft ook een emancipatorische taak, ofwel een opdracht om leerlingen te laten zien dat de wereld beter kan zijn dan zij is.

Onderwijs zou gericht moeten zijn op problemen waarmee kinderen/jongeren nu en later als volwassene te maken krijgen. Zonder volledig te zijn, verwijs ik naar grote maatschappelijke problemen als de verstoorde verhouding van mensen tot het milieu, de vele brandhaarden in de wereld, racisme, de beperking van solidariteit tot het kerngezin, toenemende kloof tussen Eerste en Derde wereld, het verdringen van dood en eindigheid uit het menselijk bestaan, een economische groei als een autonoom proces dat alle andere sectoren van de samenleving is gaan overheersen.

Perspectief

Leraren en leerlingen staan samen voor dezelfde problemen. We mogen niet de valse illusie wekken dat de volwassen generatie kant en klare oplossingen heeft voor elk van de genoemde problemen. Daarvoor zijn deze te hardnekkig en hebben ze ook een omvang en intensiteit die zich niet laat vergelijken met eerdere perioden in de geschiedenis.

Geen kant en klare oplossingen, maar we moeten de opgroeiende generatie wel een perspectief aanreiken hoe het anders kan worden in de wereld. Niet alleen hebben zij kennis en vaardigheden nodig om situaties te veranderen, maar ook beelden van een nieuwe wereld waar 'de wolf graast naast het lam', waar 'de laatsten de eersten zijn'. Om de negativiteit van de huidige situatie te kunnen zien, moet men het vermoeden hebben van een nieuwe toekomst van de wereld. Om zich in te zetten voor deze toekomst, moet de opgroeiende generatie waarden verwerven die hen kunnen motiveren.

We stoten hier op de levensbeschouwelijke dimensie van vorming. Opvoeding (c.q. vorming) heeft slechts een doel 'in zoverre de opvoeder er een heeft met zijn leven' (Langeveld). Voor mij als christen heeft dit doel te maken met het koninkrijk Gods. Als ouder stuur ik mijn kinderen graag naar een school die hen wil vormen in het perspectief van het gedroomde en verwachte Koninkrijk.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden