Schilderen zoals een huis wordt gebouwd

De Duitse schilder Matthias Weischer is een van de meest gewilde kunstenaars. De primeur van zijn eerste expo in ons land is voor het Haags Gemeentemuseum.

Het Gemeentemuseum in Den Haag had graag een schilderij willen kopen van Matthias Weischer, ter gelegenheid van diens overzichtstentoonstelling – zijn eerste in Nederland. Maar dat bleek onmogelijk. „Er was niets meer te koop”, vertelt conservator Doede Hardeman. „Er is zelfs een wachtlijst voor zijn werk.”

Maar wie denkt dat deze jonge kunstenaar almaar koortsachtig aan het werk is om te voldoen aan de grote vraag naar zijn schilderijen, heeft het mis. Het afgelopen jaar trok Matthias Weischer (1973, Elte, Westfalen) zich terug in Villa Massimo in Rome, waar hij dank zij een stipendium van de Duitse overheid in alle rust kon werken aan zijn verdere ontwikkeling. Hij zag zijn verblijf in Rome ook als een soort rustpauze om zich te bezinnen hoe hij zijn werk verder kan verdiepen en een nieuwe richting kan inslaan. Hardeman: „Het is goed dat hij dat heeft gedaan en zich niet gek laat maken door de druk die de kunstmarkt legt op hem en andere populaire kunstenaars.”

In Villa Massimo heeft Weischer veel getekend en nauwelijks geschilderd. Deze tekeningen, die te zien zijn op een expositie in Rheine in Duitsland, net over de grens bij Enschede, maken duidelijk dat hij zich meer op de natuur wil richten. De kunstenaar is nu vooral bekend door zijn schilderijen van verweerde en vaak propvolle interieurs en verstilde ateliers, waarin zelden een mens is te zien en waar de tijd naar het lijkt stil heeft gestaan.

Matthias Weischer behoort tot de best verkochte en meest tentoongestelde Duitse schilders van zijn generatie. Hij studeerde van 1995 tot en met 2003 aan de Hochschule für Grafik und Buchkunst in Leipzig. Sinds eind jaren negentig staat hij bekend als een van de voornaamste representanten van de Neue Leipziger Schule, een groep gelijkgestemde kunstenaars die gemeen hebben dat hun schilderijen op groot formaat doek vaak een theatraal karakter hebben. In korte tijd veroverde deze jonge groep de kunstmarkt en sindsdien wordt het werk van Weischer onder zijn handen vandaan gekocht. Alom wordt hij geprezen om zijn fabelachtige schildertechniek. Meestal schildert hij eerst een achtergrond van vele transparante lagen, vaak zo dik dat de verf als een korrelige korst over de randen van het doek uitstulpt. Daarna vult hij het vlak in met allerlei voorwerpen – van stoelen, lampen en tapijten tot gordijnen en draperieën, maar dan in zulke ongebruikelijke combinaties dat het vervreemdend werkt. „Eigenlijk schilder ik zoals je een huis bouwt”, legt hij uit in de catalogus. „Ik begin vaak met de muren, dan volgen de voorwerpen in het interieur en ten slotte de afbeeldingen op de muren.”

Zijn geschilderde interieurs zien er door zijn techniek en het veelvuldige gebruik van de kleur bruin vaak verweerd uit en roepen vage herinneringen op: aan woonkamers uit de jaren vijftig en zestig van de afgelopen eeuw of aan het interieur van je opa en oma. De dikke lagen verf waar van alles doorheen schemert, roepen ook associaties op met de vele behanglagen in oude huizen die je stuk voor stuk moet afpellen om bij elke volgende laag verder door te dringen in de geschiedenis van het huis. De muren in zijn interieurs vertonen scheuren, ribbels en gaten. In een van zijn doeken zit ook letterlijk een gat, dat erin kwam toen hij het werk in woede wegsmeet in zijn atelier. Hij heeft het gat laten zitten omdat het erbij past. Weischer laat zich inspireren door illustraties uit cultuurhistorische boeken of interieurtijdschriften uit de jaren vijftig en zestig. Hij vervormt deze bronnen zodanig dat zijn interieurs niet precies in tijd of plaats zijn te duiden.

Mensen zie je nooit in zijn interieurs – hooguit vage schimmen of een paar in broekspijpen en pantoffels gehulde benen. Het is alsof hij ermee wil zeggen dat de mensen allang zijn verdwenen en dat alleen de interieurs nog iets vertellen over hun verleden. Zijn schilderijen zitten ook vol symbolen en verwijzingen naar beroemde voorgangers in de schilderkunst als Van Gogh, Rembrandt en Magritte. Zo duikt in het schilderij Pfeife een pijp op, onmiskenbaar de pijp uit het beroemde schilderij van Magritte. Net zoals in het werk van Magritte is ook op dit doek niets wat het lijkt en vraag je je voortdurend af: wat is echt en wat niet?

Op de expositie hangt vooral werk uit de jaren 2005 en 2006 en begin 2007. Wat opvalt is dat in de loop der tijd zijn schilderijen minder groot en minder vol worden, waardoor de zeggingskracht vaak nog sterker wordt. Zo zijn op het schilderij ’Kaartenhuis II’ alleen twee kale muren te zien en twee speelkaarten die tegen elkaar gezet zijn op de vloer. En toch kun je daar heel lang naar kijken, om te beginnen naar de muren die zo doorleefd zijn geschilderd dat je vanzelf gaat fantaseren over de mensen die hier ooit hebben gewoond. In enkele jaren tijd heeft Weischer zich ontwikkeld tot een virtuoze schilder. En afgaand op de natuurtekeningen die hij maakte in Rome, kunnen we nog veel meer moois van hem verwachten.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden