Schiedamse Cobra-collectie schept verplichtingen

Eugène Brands: 'Victory Borfimah', olieverf op jute, 1949. Het Stedelijk Musuem Schiedam kocht dit werk in 1954, waarmee het de basis van de Cobra-collectie werd.

Ter afsluiting van een uitgebreid restauratieproject dat ruim drie jaar heeft geduurd, toont het Stedelijk Museum Schiedam zijn voltallige bezit aan werken die tijdens de Cobra-periode door Nederlandse kunstenaars zijn gemaakt. Dat levert de verrassende uitkomst dat het Schiedamse museum over een van de meest opmerkelijke Cobra-collecties in Nederland beschikt. Hoewel allerminst compleet biedt deze oeuvretentoonstelling een prachtig overzicht van kunst uit de vijftig en zestig met een Nederlandse signatuur.

Verrassend is ook de omvang van dit deel van het Schiedamse museumbezit, dat honderden schilderijen, maar ook grafiek, enkele sculpturen en wat archiefstukken beslaat. Van een geografische band tussen Schiedam en de Nederlandse 'afdeling' van Cobra was immers geen sprake. Het woord 'cobra' staat voor een vervaarlijke slang, maar Cobra is ook een afkorting, die verwijst naar de drie steden COpenhagen, BRussel en Amsterdam. In die drie hoofdsteden waren de meeste vertegenwoordigers van het spontane expressionisme actief, al verhuisde een deel op een bepaald tijdstip ook weer naar Parijs. In Schiedam zijn voor zover geen schilders actief geweest die tot de Cobra-groep gerekend kunnen worden. Verzamelaars, die een stimulerende rol in het gemeentelijke aankoopbeleid speelden, waren er daarentegen wèl. En ook de legendarische museumconservator Daan Schwagermann toonde destijds grote belangstelling voor de revolutionaire kunst van Appel, Corneille, Constant, Rooskens en Brands, om de allerbekendste groepsleden te noemen. Schwagermanns voorkeur voor de Cobra-groep ging echter weer niet zo ver als die van zijn Amsterdamse collega Willem Sandberg die ook op het persoonlijke vlak goede relaties met de kunstenaars onderhield.

Schwagermann legde de basis voor de Cobra-collectie op een relatief laat tijdstip: in 1954 kocht hij van Eugène Brands diens 'Victory Borfimah', een olieverf op jute dat Brands al in 1949, dus kort na de oprichting van de beweging, had gemaakt. Het doek is echt een sleutelstuk in Brands' oeuvre. Hij had kort na de Tweede Wereldoorlog een expositie in het Stedelijk in Amsterdam bezocht, waar een eerbetoon aan de (late) Mondriaan werd gehouden. Op die tentoonstelling hing het meest prominente doek dat Mondriaan kort voor zijn dood in 1944 had gemaakt, het inmiddels door het Haags Gemeentemuseum verworven Victory Boogie Woogie.

Brands wilde stelling nemen tegen de zijns inziens steriele wijze waarop Mondriaan met de schilderkunst omsprong. 'Victory Borfimah' bevat tal van verwijzingen naar voor die tijd duistere en geheimzinnige elementen uit de Afrikaanse cultuur die een rechtstreekse afspiegeling van de diepste menselijke roerselen geven. Het woord 'bormifah' refereert aan de met kruiden gevulde toverbuidel die door Afrikaanse medicijnmannen wordt gebruikt. Voor Brands, maar ook voor andere schilders als Constant en Appel, hoefde de schilderkunst zich niet langs bedachte paden ontwikkelen. Bij hen stond de spontane inval centraal, die niet gehinderd moest worden door intellectuele overwegingen.

Het gevolg van deze opvatting was dat er een stroom aan schilderijen ontstond, waarin de gevoelsmatige expressie de boventoon ging voeren. De schilderkunst van Cobra kende de vrolijkheid en spontaniteit van de kindertekening, niet in het minst doordat de vormentaal refereerde aan 'primitieve' instincten en de bijbehorende kleuren vaak heel primair en basaal waren. Cobra-kunst had een verhalend karakter: Appel wandelde constant in een dierentuin rond te lopen, zo veel voorliefde koesterde hij voor wilde dieren, fabelwezens en sprookjesmonsters. Andere schilders, die zich meer voelden aangetrokken door de spontane kunst van verre volkeren, reisden naar Afrika. Ze kwamen terug met een even exotische als spontane beeldtaal.

Het is Schwagermanns verdienste dat hij met de beperkte middelen die hem ten dienste stonden, een prachtige verzameling heeft opgebouwd. Het moet dan ook betreurd worden dat Schwagermanns opvolgers in het museum zich weinig om het consciëntieus opgebouwde bezit hebben bekommerd. Schwagermanns directe opvolger Pierre Janssen bijvoorbeeld, maakte weinig werk van een consistent aankoopbeleid en richtte zich meer op een educatief beleid. Hans Paalman, die het museum tussen 1962 en 1990 zou leiden, had al helemaal weinig op met Cobra en concentreerde zich in zijn aankoopbeleid op de koele abstractie die in de jaren '70 opgeld deed. Ondertussen rotten de Cobra-werken, die toch al niet in zo'n beste conditie verkeerden, steeds meer weg in de depots. Pas in de jaren '90 werd besloten om dit deel van het bezit te inspecteren, met een veel omvattende restauratie als gevolg.

Een van de bittere consequenties van het beleid van Schwagermanns opvolgers is dat de collectie nooit volwaardig is uitgegroeid. Zo ontbreken Denen als Jorn, Henning-Pedersen en Ortvad, maar er zijn ook vrijwel geen beelden, zoals bijvoorbeeld de Belg Reinhoud die maakte. Van individuele tentoonstellingen van Cobra-leden is in Schiedam evenmin vaak sprake geweest. Met deze totaal-expositie verplicht het Stedelijk van Schiedam zich dan ook tot een herziening van zijn beleid: wil het de verzameling op zijn juiste waarde schatten, dan zal het noodzakelijk zijn dat de collectie verder wordt uitgebouwd en dat de individuele leden eindelijk laten zien waarmee ze zich sinds de jaren '50 hebben beziggehouden.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden