Schep uw beeld en bestrijd dat: ze deugen niet

,,Nee,'' zei Urbain Vermeulen hier vrijdag, ,,niet iedereen zal me dankbaar zijn, maar ik zeg het toch: al die goedwillende christenen die theologische debatten met moslims willen voeren kunnen hun energie beter op iets anders richten. De islam is daar nog totaal niet aan toe.'' De Belgische islamoloog wordt op zijn wenken bediend; Fred Leemhuis en imam Van Bommel dienen hem maar al te graag van repliek.

Abdulwahid van Bommel

Misschien heeft het iets met de verharding van het multi-culti-pluriformi-klimaat te maken. In de vage ongestructureerde 'islam-tegen-de-rest-van-de-wereld-discussie' mogen nu lammen en blinden als Vermeulen - en echt niet alleen vanachter zijn schrijftafel - en Jan Brugman aan het woord komen.

Brugmans stukjes van de afgelopen twintig jaar zijn verzameld en werden door een blanco recensente in Trouw besproken. Maar ook mevrouw Schepel toonde zich in haar meest recente islamitische oprisping een trouwe voetnoot van Brugman.

De heren Vermeulen en Brugman behoren tot de tweede generatie der ayatolla's onder de arabisten en islamologen. Dat zijn mensen van de oude garde die zelf in de moslimwereld zijn geweest. Het liefst kwamen ze vervolgens terug om in het gezelschap van mensen als Snouck Hurgronje, Kraemer en de oude Juynboll, in besloten elitaire clubs, gelijk een Livingstone, authentieke ontmoetingen met heuse Arabieren, wetenschappelijk te adstrueren. Maar ja, de klad is erin gekomen. Jan, maar ook alleman komt aan het woord, studeert maar af, en doet maar. Nee, nog erger, afgestudeerde Arabieren zijn ondertussen onderzoeker of hoogleraar en publiceren in het Nederlands!

Met lede ogen en pen proberen Brugman, Vermeulen en de hunnen hun stiel te bewaken. Daarbij hanteren ze slechts één techniek. Zij zijn de deskundige, dus zij stellen vast hoe de islam, de Arabische wereld en de moslim(migrant) in elkaar steken. Nadat zij dat wetenschappelijk, althans vanuit hun positie van wetenschapper, hebben vastgesteld, gaan ze dat beeld bestrijden.

Daarbij hebben ze met een aantal zaken te maken die hun altijd wat geborneerde en onaangename ondertoontje moeten verklaren. De eerste is de frustratie die voortkomt uit het feit dat arabistiek of islamologie - zeker in hun tijd - eigenlijk in academische kringen helemaal niet als een serieus hoofdvak werd beschouwd. Hoogstens iets wat je erbij doet, amice! De onderliggende positie van de derde, Arabische en moslimwereld, straalt af op het vak. Dat lijkt enigszins te worden gecompenseerd door televisie-optredens in leuterrubrieken, maar juist daar begeef je je natuurlijk op populair-wetenschappelijk glad ijs. Het meest verbijsterende wat Brugman over de Arabische wereld vertelde, toen Buitenhof nog Capitool heette, was dat hij met een echt gouden bestek aan tafel zat met de Egyptische koning Faroek.

Een tweede punt is de nogal opdringerige aanwezigheid van moslims die kunnen lezen en schrijven. Vroeger ging je gewoon met je meetlat het voorhoofd en de peniskoker van je object van onderzoek meten, nu komen ze je over je schouder van repliek dienen. En dan zijn er nog de jongens van Harvard met Arabische namen die in de echte grote wereld van deskundologie betreffende het Midden-oostersebroeinest meetellen en nog nooit van jou hebben gehoord. Kortom, deel uitmaken van de islamologische organisatie, is deel uitmaken van de frustratie. Maar Brugman is net Henry Kissinger; hoe langer hij emiritus is hoe onfeilbaarder hij op zichzelf overkomt.

Wanneer ik zo dicht mogelijk bij huis blijf, dan zegt hij in zijn laatste publicatie, 'Het raadsel van de multicultuur. Tegendraadse visies op onze verhouding tot de islamitische cultuur', dat ik in 'mijn blad Al-Mizân' in de periode dat ik directeur van het Moslim Informatie Centrum was, dommigheden over afvalligheid in de islam verkocht. Het blad Al-Mizân was een tweetalig gesubsidieerd maandblad voor en door Marokkaanse jongeren, waarin ik een rubriek over de islam mocht verzorgen. Het Moslim Informatie centrum heeft nooit een directeur gehad en kent die functie zelfs niet. Het is een soort 'maatschap' waarbinnen een ieder voor zijn eigen kostje zorgt. Dus eerst maakt hij mij belangrijk, anders zou hij zich niet met mij bezighouden. Directeur(!) in zijn eigen blad(!) en vervolgens doet hij mijn vraagtekens achter afvalligheid in het algemeen, en achter die van Rushdie in het bijzonder, af als ondeskundigheid van mijn kant. In een eerlijke discussie mag dat. Maar het is weer het proces van een zelf-gefabriceerde, niet bestaande, eenzijdige werkelijkheid, zelf fileren en met smaak opdienen.

Nadat Rudy Kousbroek zich op 16 april l982 in de NRC bijna een pagina groot had verbaasd over de afwezigheid van 'een beetje verlichte Islamiet', geeft Brugman toe dat dat ook te veel is gevraagd. ,,Wat jij van zo'n moslim eigenlijk vraagt is dat hij zich verplaatst in iemand die niet gelooft in Allah en Zijn profeet en dat hij for the sake of argument tijdelijk aanneemt dat wat hij zelf gelooft niet waar is. Dat kan de arme man niet . . .''

Ook Schepel weet alles van moslims. ,,Al1een kan een moslim officieel niet liberaal én moslim zijn.'' ,,. . . de Koran is waar en geldig voor elke plaats en elke tijd. Inclusief die haatzaaiende teksten. Wie daaraan twijfelt is vanzelf een ongelovige, en roept al die dreigementen dus over zich af.''

Dertien jaar later twijfelt Brugman in HP/De Tijd nog steeds. Nadat hij het zwaard van de islam weer eens uit zijn schede heeft getrokken concludeert hij: ,,Intussen blijft de vraag of islam en vooruitgang voor altijd gedoemd zijn met elkaar in strijd te zijn.'' Waarna hij een leerstuk introduceert ,,dat de koran en de traditie omtrent de woorden en daden van de profeet Mohamed voor altijd en overal letterlijk geldig blijven en niet als symbolisch, overdrachtelijk of tijdgebonden mogen worden geïnterpreteerd.''

Ook Vermeulen constateert dat de deur van de idjtihâd gesloten blijft en schept een aantrekkelijk model van een gedurende veertien eeuwen precies dezelfde blijvende versteende moslim. Het voordeel van zo'n fossiel is dat het erg stil zit en dat je er dan rustig en vanuit een zichzelf herhalend gelijk op kan schieten.

De interpretatie van de koran en de traditie en de mate waarin dat gebeurt is vanaf de openbaring van de koran tot heden de basis voor een levende islam geweest. Een indeling in symbolisch, overdrachtelijk en/of tijdgebonden wordt door de koran zelf aangegeven met de termen Mohkamât en Motasjabihât, onoverdrachtelijke en zinnebeeldige verzen.

Om tot een heldere uitleg te komen die betekenis heeft voor het dagelijks leven en voor de wereldvisie van de islam, is de koranwetenschap ontstaan. Deze houdt zich onder meer bezig met de precieze chronologie van de openbaringen, taalkundige betekenissen, historische context en de mate waarin een bepaald vers, meer dan enig ander op hetzelfde gebied, canonieke waarde heeft. De koran geeft bijvoorbeeld ook de begrippen Nasiech en Mansoeh aan (2:l06) die binnen de idjtihâd - het zelfstandig vaststellen van de betekenis van bronteksten met het oog op de toepassing - condities beschrijven waaronder koranverzen elkaar (soms tijdelijk) 'opheffen'.

In hun stellige ontkenning van een reeds eeuwen bestaande interpretatiemethodologie die altijd bepaalde teksten geldingskracht heeft gegeven boven andere; en het zeer onwaarschlinlijk achten van de hedendaagse polemiek tussen vertegenwoordigers van verschillende, ook vernieuwende en liberale stromingen binnen de moslimwereld, vereenzelvigen Brugman en Vermeulen zich volledig met de mensensoort waar zij het meest aanstoot aan nemen: de fundamentalisten.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden