Schemerschilders op noorderbreedte

De tentoonstelling Nordic Art in Groningen geeft een bloemlezing van Scandinavische schilderkunst rond 1900. Een kaleidoscoop van visies op landschap en familieleven.

'Deze tentoonstelling werd mede mogelijk gemaakt door een Deense sigarettenfabrikant en verzekeringsmaatschappij, een Finse houtzagerij en het Zweedse koningshuis.' Die tekst had aan het begin van de tentoonstelling kunnen staan: bijna alle kunstenaars die bij 'Nordic Art 1880-1920' in het Groninger Museum te zien zijn, werden eind negentiende eeuw gesponsord (en hun werk verzameld) door enthousiaste industriëlen en adel.

In Denemarken, Zweden, IJsland, Noorwegen en het huidige Finland sijpelden moderne stromingen als het impressionisme en symbolisme vanuit Parijs de kunstwereld binnen. Kunsthistorici spreken over de 'grote doorbraak van het moderne' in Noord-Europa. Maar er ontstond geen overkoepelende 'noordelijke' stijl of beweging; de 64 kunstenaars die nu te zien zijn in Groningen gingen min of meer hun eigen weg. Sommigen met een eigen draai aan het impressionisme, richting Haagse school of symbolistisch, anderen kozen voor soms aandoenlijke folklore.

De grote noordelijke toppers, zoals de Finnen Hélène Schjerfbeck en Akseli Gallen-Kallela en de Noor Edvard Munch, hebben de afgelopen jaren hun onemanshow gehad in de Nederlandse musea. Nu is het tijd voor verdieping over de noordelijke breedte.

Al vanaf het midden van de negentiende eeuw trokken de noordelijke kunstenaars naar Parijs om daar een academische opleiding te krijgen, om daarna vaak weer terug te keren naar het noorden. Na een eerste Gouden Eeuw van Deense schilderkunst, de eerste vijftig jaar van de negentiende eeuw, ontstond rond 1880 dankzij die Parijse invloeden een modernere stroming. Vergeleken met de Parijse avant-garde is die 'noordelijke variant' somber, soms een beetje braafjes, maar ook dichter bij huis, persoonlijker.

In 1892 kocht verzekeringsdirecteur Hansen zijn eerste schilderij. Een koe, van Johan Lundbye uit 1843: een typisch Deens Gouden Eeuw-schilderij. In die stroming kwamen, net als bij het Hollandse zeventiende-eeuwse voorbeeld, vooral landschappen en genretafereeltjes aan bod. Maar een jaar later kochten de Hansens al een werk van de rijzende ster L.A. Ring (1854-1933): 'De dronkaard' uit 1890. Het werk was geïnspireerd op een jeugdherinnering van de schilder, en toont een realistische dorpsscène. Vanaf dat moment had Hansen twee verzamelthema's: hij kocht werk van gearriveerde Franse Academieschilders en (post-)impressionisten om in zijn eigen museum Ordrupgaard te kunnen tonen, ten noorden van Kopenhagen. Daarnaast het werk van jonge Deense kunstenaars die wel financiële ondersteuning konden gebruiken. Al waren de laatsten ook museumwaardig.

Verderop in Kopenhagen had tabakshandelaar Heinrich Hirschsprung toen al een van de belangrijkste particuliere verzamelingen van Denemarken. Het echtpaar Hirschsprung had direct contact met de kunstenaars, eind jaren zeventig zorgde de verzamelaar ervoor dat het jonge schildertalent Peder Severin Krøyer (1851-1909) in Italië kon studeren. Krøyer portretteerde het gezin Hirschsprung in 1881 in een losse, huiselijke setting: een van de grote kwaliteiten van deze Deense meester zijn de menselijke, bijna Rembrandteske portretten. Al maakte hij ook prachtige zeegezichten - Krøyer zou zich later voorgoed terugtrekken op het Deense platteland.

Terug naar de natuur en het licht: net als de Fransen en de Nederlanders hadden de Denen ook hun kunstenaarskolonie. In Skagen, het noordelijke drielandenpunt, kwamen de Zweedse, Noorse en Deense kunstenaars bij elkaar om 'oorspronkelijke bewoners', lucht, licht en water te schilderen, om zich los te maken van de academische tradities die ze in Parijs hadden geleerd. De Deen Michael Ancher kwam er in 1874 naartoe om de vissers te schilderen, ontmoette er zijn vrouw, en het paar zou de kern vormen van de kunstenaarskolonie. Ancher werd bekend om zijn sombere, realistische scènes uit het vissersbestaan: mannen in zuidwesters, stervende kinderen, peinzende vrouwen. Samen met zijn vrouw Anna, die als schilder niet voor haar man onderdeed, bleef hij permanent in Skagen. Maar daarin waren ze een uitzondering. De meeste kunstenaars trokken in de winter terug naar de stad. Terug naar de kunstmarkt.

Een paar honderd kilometer verderop ondertekende prins Eugen (1865-1947) in 1899 het koopcontract voor een stuk grond op Djurgarden, een van de groene eilanden van Stockholm. De jongste zoon van koning Oscar II van Zweden en Noorwegen was in Parijs opgeleid als kunstenaar, en zag in de nieuwe locatie een ideale werk- en ontmoetingsplek. Met het weidse uitzicht over het water en het centrum van Stockholm aan de overkant, de idyllische omgeving van de oude molen en het woonhuis annex museum, de beeldentuin en de overdaad aan bloemen buiten én binnen, is 'prins Eugens Waldemarsudde' ook nu nog een schilderachtige locatie. En voor de Stockholmse bevolking een geliefde plek voor een lunch en museumbezoek.

Ook in de eerste jaren van de vorige eeuw stonden de deuren open: het was een vrijplaats voor kunstenaars. De onafhankelijke Hanna Hirsch-Pauli mocht de panelen boven salondeuren beschilderen: vier keer staat prins Eugen er als beschermer van een tak van de beeldende kunsten. De werken van prins Eugen zelf zijn trouwens een van de hoogtepunten van de tentoonstelling. Zijn 'Wolkschilderijen' zijn voor Zweden als 'De aardappeleters' voor Nederland - en één van de doeken hangt nu in Groningen. In een helder, surrealistisch licht staat een oude schuur onder een prachtige wolkenlucht. Helaas mag de foto van het schilderij niet in Trouw: de Scandinavische musea geven zelden toestemming om foto's van hun kunstwerken te gebruiken.

De tentoonstelling is verder ook de moeite waard: van de luchtige illustraties van Carl Larsson tot de tegen kitsch aanschurende treurige vrouwen van de Anchers, Tornøe en Wilhelmson. De waterlandschappen van Gallen-Kallela (die werd gesponsord door een houtzagerij) blijven prachtig, en ook de winters van de IJslandse Thórlaksson of de serene zomernachten van de Noor Sohlberg ademen de strijd tegen de duisternis: kleuren worden paarsig of juist lichtblauw, mensen lossen op als schimmen. Uitschieter is het werk van August Strindberg (1849-1912). De Zweedse kunstcriticus, wetenschapper, filosoof en toneelschrijver maakte ruim honderd schilderijen. De drie zeegezichten in de tentoonstelling doen denken aan een donkere Turner, met een heel eigen, dikke penseelstreek. Ze zijn expressionistisch in de ware zin van het woord. Schilderen was voor Strindberg een uitlaatklep, hij hoefde niet te voldoen aan de smaak van zijn mecenassen.

Pasten de andere kunstenaars zich sneller aan bij de smaak van de geldschieters? Of zouden de schilders er juist van overtuigd zijn geweest met hun toegankelijke, vakkundige schilderijen de kunst te kunnen veranderen? Waarschijnlijk is het echter dat balanceren tussen oud en nieuw, en tussen nationaal en algemeen, dat deze tijdopname met al z'n uitschieters zo interessant maakt. Het is niet altijd liefde op het eerste gezicht - de ongemakkelijke somberheid van de personages wordt soms een beetje pathetisch. Maar dan is er weer zo'n lucht, zo'n magisch schemermoment, en dan ben je blij dat ze Parijs de rug hebben toegekeerd.

Nordic Art 1880-1920. Groninger Museum, Groningen, t/m 5 mei 2013.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden