Scheffer: te weinig kinderen geboren (opinie)

Door migratie raken Nederlanders én migranten in kramp. Iedereen moet op zoek naar een nieuw ’wij’,

De migratie is een brutal bargain (een meedogenloos koopje), vindt Paul Scheffer in zijn boek ’Het land van aankomst’. In plaats van verrijking en winst levert zij vervreemding en verlies op. De ingezetenen grijpen gemakkelijk terug op een verkrampt, nostalgisch beeld van de eigen Nederlandse cultuur en gemeenschap.

Maar die kramp bestaat ook bij de migranten, die te lang zijn blijven vasthouden aan de illusie van terugkeer en het behoud van een Anatolische of Riffijnse dorpscultuur in de grote Nederlandse stad. Scheffer vindt de afweerreactie hierop van autochtone Nederlanders begrijpelijk, en hekelt het feit dat die lang is gekleineerd als vreemdelingenhaat.

We moeten die dubbele kramp overwinnen en op zoek gaan naar een nieuw ’wij’. Die zoektocht werd lange tijd verhinderd door de neiging van multiculti’s om de eigen cultuur en identiteit te verwaarlozen, en het omgekeerde streven van vele migranten naar behoud van eigen cultuur en identiteit. De multiculti’s wilden niet zien dat dit ook het behoud betekende van religieuze bigotterie, de onderdrukking van meisjes en vrouwen en een machistische eercultuur.

De vorming van dat nieuwe ’wij’ vergt dus zelfkritiek van beide kanten. Vreemd genoeg verwacht Scheffer die kritische houding wél van multiculti’s en migranten, maar veel minder van de onzekere autochtonen die krampachtig vasthouden aan hún Nederlandse cultuur. Hij toont zoveel begrip voor het onbehagen van de Verdonk-, Wilders- en Marijnissenstemmers, dat hun nationalistische behoudzucht wordt vergoelijkt.

Die asymmetrie heeft alles te maken met Scheffers conservatieve opvatting van het historische ’contract tussen de generaties’. Werkelijk burgerschap veronderstelt volgens hem een verplichtend besef ’dat er iets aan ons is voorafgegaan en er iets na ons komt’. Bezinning is nodig op de eigen cultuurgeschiedenis, ’omdat veel mensen naar beschutting en houvast zoeken’. In een seculariserende samenleving kan de terugkeer naar het historisch-nationale gemeenschapsbesef de bindingsfunctie van de religie overnemen.

Scheffer geeft dit ’contract tussen de generaties’ niet alleen een cultuurhistorische maar ook een biopolitieke invulling. In zijn pleidooi voor het herstel van de verwaarloosde normatieve kaders van school, werk en gezin ruimt hij een opvallende plaats in voor de ’hoeksteen van de samenleving’. Het gezin heeft niet slechts een persoonlijke maar ook een maatschappelijke betekenis. Concreter: het is een groot en groeiend probleem dat er veel te weinig kinderen worden geboren. Dat doorbreekt het contract tussen de generaties, want wie verzorgt en onderhoudt straks de ouderen?

De gedachte dat de vergrijzing kan worden opgelost door migratie is volgens Scheffer niet reëel. Daarom is het ’tamelijk urgent’ dat mensen meer kinderen krijgen en gezinnen gaan vormen waarin zij op een succesvolle manier kunnen worden grootgebracht. Een bevolking die zichzelf niet meer in stand houdt is niet langer tot vernieuwing in staat.

Het ’contract tussen de generaties’ krijgt daarmee een zeer moralistische uitwerking. Scheffer lijkt zelfs een inheemse bevolkingspolitiek te propageren die in de buurt komt van een fokpremie voor autochtonen. Herverdeling is nodig via de belastingen van kinderloze volwassenen naar ouders van kinderen, want ’wie geen kinderen grootbrengt, investeert niet in zijn oudedagsverzorging’, zo zegt hij de Duitse demograaf Kaufmann na. De sociaal-democraat Scheffer lijkt de sociale solidariteit daarmee deels in te ruilen voor de biologische solidariteit.

Volgens eigen zeggen gaat het hem niet om demografische kwantiteit maar om de sociale kwaliteit van een deugdelijke opvoeding. Maar dan moeten er natuurlijk wel meer kinderen komen. Uit bezorgdheid voor zijn (en mijn) oude dag lijkt Scheffer plotseling bevangen door een obsessie met voortplanting. Overigens hebben hij noch ik met onze enige dochters die reproductieve gemeenschapsplicht vervuld. We plegen contractbreuk. Maar wat niet is kan zelfs op onze leeftijd nog komen.

Kwalijker is dat Scheffer nadert tot de cultuurbiologische visie op het gezin van de conservatieve filosoof Ad Verbrugge. Die ziet het gezin als een zedelijk instituut dat vooral de voortplanting dient en zo een quasireligieuze gemeenschapsfunctie vervult. In het ’deugdelijke’ gezin is niet het eigen maar het algemeen welzijn maatgevend. ’Als de wil tot voortplanting en overdracht van een cultuur uitdooft’ is volgens Verbrugge het einde in zicht. De vergrijzing van Europa tekent de ’diepe levensmoeheid’ van onze beschaving.

Het is onduidelijk hoe deze bevolkingspolitiek zich verhoudt tot de kritiek van zowel Scheffer als Verbrugge op het traditionele moslimgezin, dat het contract tussen de generaties moeiteloos vormgeeft door zich uitbundig voort te planten, huwelijken te arrangeren, en partners van verschillende generaties uit het moederland te betrekken. Zijn zij nu deel van het contract of niet? Hier lijkt sprake van een vorm van ongelijke behandeling die vloekt met het nieuwe ’wij’ dat Scheffer uit alle macht tot stand wil brengen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden