Schatten uit een varend VOC-dorp

In het diepste geheim werd het wrak van VOC-schip de Rooswijk opgegraven, om plunderaars uit de buurt te houden.

door Wybo Algra

Na 250 jaar op de zeebodem is de Rooswijk nauwelijks nog als schip herkenbaar, vertelt Ton van der Horst. De bouten en spijkers zijn weg geoxideerd, de spanten hebben losgelaten, de kanonnen zijn door de dekken gezakt. Wat rest is een dik pak op de zeebodem met daarin verstopt kookgerei, een mosterdpotje, munten en een kleine duizend zilverbaren.

De Rooswijk leek op de Amsterdam, de replica van het VOC-schip achter het Scheepvaartmuseum in Amsterdam. Kleiner, dat wel. Het laadvermogen van de Rooswijk bedroeg 850 ton, dat van de Amsterdam 1200 ton. De Rooswijk verging in 1740 met man en muis op haar tweede reis op de verraderlijke zandbanken bij Goodwin Sands in Zuid-Engeland. Daar werd het wrak vorig jaar gevonden door een timmerman en hobby-duiker, 24 meter onder de zeespiegel en acht kilometer uit de kust.

„Er liggen daar honderden wrakken. De zandbanken veranderen steeds van vorm, zodat soms wrakken tijdelijk bloot komen te liggen”, verklaart Van der Horst. Hij is restaurator in het Scheepvaartmuseum en gaat in zijn vrije tijd mee op duikexpedities. De Rooswijk is zijn zesde VOC-wrak. Prachtig vindt hij het om uit zo’n schip, ’een varend dorp’, spullen op te duiken die mensen meer dan 250 jaar geleden in handen hadden.

In het diepste geheim heeft de duikploeg van berger Rex Cowan gewerkt, van mei tot september. Er ligt nog van alles, in het voorjaar beginnen ze weer. Dit weekeinde nam staatssecretaris Wijn van financiën alvast enkele zilverbaren in ontvangst. Van Van der Horst had die publiciteit niet gehoeven, dat brengt schatgravers op ideeën. „Zodra je je hielen licht na het duikseizoen slaan anderen hun slag, daar kun je donder op zeggen.”

Gaat Nederland slordig om met zijn cultuurhistorie door buitenlandse, commerciële duikers hun gang te laten gaan in ruil voor een deel van de opbrengst? VOC-kenner Jerzy Gawronski vindt van wel. Maar Van der Horst, die al 25 jaar met Cowan werkt, zegt: „Als het de schatgraverskant op gaat, haak ik af. Alles wordt gefotografeerd en gemeten. Wat niet in grote hoeveelheden wordt aangetroffen, gaat naar musea. Het Muntmuseum in Utrecht beoordeelt alle zilveren stukken en pikt er de beste uit.”

Ook conservator Joost Schokkenbroek van het Scheepvaartmuseum relativeert de kritiek van Gawronski. „Natuurlijk is het goed als Nederlandse experts erbij betrokken zijn. Aan de andere kant, wij staan niet vooraan in de rij voor de spullen uit de Rooswijk.” Afgaande op wat hij over de lading hoorde, zegt Schokkenbroek, voegt het weinig toe aan wat er al in de musea ligt.

Ton van der Horst is het daar niet mee eens. „Dit is een hele mooie vondst.” Hij roemt de grenen kisten waarin de zilverbaren zaten. De kisten zijn bedekt met een dikke laag zand, klei, geoxideerd metaal en schelpjes. Daaronder is het hout intact. Van het metalen beslag, de handgrepen en sloten is niets over. Maar hun afdruk staat in die aangekoekte laag, en het zegel van de maker. „Daar krijg ik het warm van.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden