SCHAAMTELOZE HELDEN EN LICHTZINNIGE GODEN

De 'Ilias' wordt gespeeld in het Transformatorhuis van Toneelgroep Amsterdam (terrein van de Westergasfabriek aan de Haarlemmerweg, tel. 020-5974488) t/m 23 december op dinsdag t/m zaterdag om 19:30 uur. Kerstmatinees op 25 en 26 december om 13.30 uur. Premiere a.a. zaterdag.

De 'llias' van Homerus is de oermoeder van de Europese literatuur. Dat is veel te onhandig uitgednukt: in feite vormen alle gedichten, romans en toneelstukken die na Homerus zijn geschreven, aantekeningen in de kantlijn van de 'llias'. Zie als bewijs voor deze stelling, die misschien wat gortig overkomt, de hierboven geciteerde passage uit de elfde zang van het gedicht. We zitten daar weer eens midden in een mannenmoordendeveldslag tussen de legers van Grieken en Trojanen, en boem, pats! staat daar plotseling de eenzame houthakker op zijn berghelling, die na een ochtendje houthakken trek krijgt in zijn twaalfuurtje.

Het zo naast elkaar zetten van het 'verhevene', het massale sterven, en het triviale, die twee dingen in één volzin op elkaar laten inwerken, zodat een gevoel van radeloze ontroering wordt gewekt, dat is bij uitstek het literaire moment. En sindsdien zijn dichters en schrijvers in de weer die ontroering bij hun toehoorders en lezers te wekken. De ,llias, is een epos dat voorgedragen wordt door een verteller/zanger. Maar een groot gedeelte van de vertelling bestaat uit tekst die in de mond van een personage wordt gelegd. De alwetende verteller, die niet alleen het verleden en het heden kent, maar ook weet hoe de dingen zullen aflopen, sleept de toehoorder voortdurend aan de haren mee, het begrensde blikveld binnen van de sterveling die niet weet wanneer zijn stervensuur is gekomen. Dat is het perspectief van de tragedie, en al Aristoteles zag, niet in de vorm maar in de werking van het gedicht de contouren van de tragedie.

In het begin van dit jaar publiceerde Gerard Koolschijn een vertaling van de ,llias', maar dan als toneelstuk, 'in vijf akten samengevat'. De verteller verving hij door de Muze; zij spreekt de teksten die nodig zijn om de verhaallijn vast te houden en een beetje orde te scheppen in de veelheid van optredende personages, goden en mensen. De Muze, die straks gespeeld wordt door Marjon Brandsma, draagt prozagedichten voor, terwijl de personages in ritmisch proza spreken. In beide gevallen is het ritme goed hoorbaar 'Homerisch' in de zin dat de verhouding tussen beklemtoonde en onbeklemtoonde lettergrepen veelal een op twee is, zodat de suggestie van de cadans van het epische vers wordt gewekt.

Ook het mooiste geschenk van Homerus aan de zanger wordt de Muze toebedeeld, en dat kan ook niet anders: de vergelijking. Zoals uit de wolken duistere nevel oprijst, zoals een kind in het zand bij de zee, zoals een verscheurende leeuw een hinde bespringt, zoals een eik met hoge kruin in de bergen, zoals papavers in de tuin zwaar door het zaad en de regen het hoofd laten hangen, zoals gieren met gebogen nek en kromme klauwen krijsend vechten, zoals op een herfstdag de donkere aarde zwaar onder stormen gebukt gaat, zoals een leeuw wiens welpen door een jager geroofd zijn, zoals op een dag in de winter de sneeuwvlokken dicht opeen vallen, zoals rook uit een stad naar de lucht stijgt, zoals je in een droom niet inhaalt wie vlucht: heel de lawine van het lijden stort de Muze als een mater dolorosa, onbereikbare godin die als enige werkelijk met ons lot is begaan, over ons uit.

Koolschijn veronderstelde in zijn voorwoord dat deze samenvatting van de 'llias', die toch nog wel een speeltijd van zes uur vergde, niet geschikt was om werkelijk opgevoerd te worden. Maar bij Toneelgroep Amsterdam dacht men daar anders over. Het gezelschap bereidde zich voor om naast de Stadsschouwburg en Theater Bellevue een derde theater te betrekken, het Transformatorhuis op het terrein van de Westergasfabriek. In deze immense ruimte kun je het vlakke-vloer-theater realiseren waarvoor Bellevue te klein is en de schouwburg ongeschikt. Peter oosthoek zou daar de 'llias' regisseren, en Koolschijns versie werd, met instemming van de vertaler, verder ingekort tot een voorstelling van drie en een half uur. Paul Gallis ontwierp een decor dat over de lengte van het Transformatorhuis 29 meter mat: trappartijen links (het Griekse legerkamp) en reehts (de stad Troje), en in het midden de Olympus, een platform van vijf meter hoog waarop de goden zouden vertoeven.

Zo ging oosthoek met een groot gedeelte van de acteurs van het gezelschap, versterkt met vele gastacteurs, aan het werk. Alsof de makkelijk levende goden van Homerus toch nog een keer die stervelingen een kunstje wilden flikken, die als driftige wespen rondzoemden om hun geliefdste plekje in de literatuur, kroop het verderf als de opdoemende schaduw van een hoge berg naderbij. Oosthoek werkte zich steeds verder vast in wat één van de artistiek leiders, Titus Muizelaar, nu karakteriseert als 'spektakelstuk'. Er werden uitgebreide choreografieën ontworpen voor de legers van Grieken en Trojanen, maar de acteurs bleven zich, om de woorden van één van hen, Hajo Bruins, te citeren, 'een stel gymmende heren' voelen. Het decor werd een loodzware last in de mise-en-scene, buitenstaanders in het gezelschap die naar een repetitie kwamen kijken, zeiden dat ze na vijf minuten niet meer begrepen waar het stuk over ging. Hans Kesting ging door zijn rug, moest aan een hernia worden geopereerd en kon de rol van Achilles niet meer spelen. De voorstelling koerste op een catastrofe af. Peter oosthoek, die niet alleen een groot acteur is, maar ook een bijzondere regisseur, verklaarde achteraf dat hij voor het eerst van zijn leven met het lood in de schoenen naar de repetities ging. De acteurs, die hem in ieder geval wilden beschermen, repeteerden met evenveel lood in de schoenen verder. Zoals in elke tragedie, vond ook in deze de katharsis plaats. Twee weken geleden stapten Gijs de Lange (Odysseus) en Titus Muizelaar (Agamemnon) naar Oosthoek en zeiden hem dat het zo niet langer kon. Oosthoek had weinig tijd nodig omdat toe te geven: 'Ik kon niet meer terug in mijn gedachten om te bereiken wat ik wilde bereiken', zei hij. Met droefheid en opluchting gaf hij de regie op. De Lange, bijgestaan door Muizelaar, nam deze over. In een snelle wisseling werd het idee van de voorstelling radikaal gewijzigd. Het decor, de muziek, de choreografie werden geschrapt, de taal werd het alles beheersende voertuig van de handeling.

Het opvallende bij deze dramatische ommekeer is, dat de spelers het stuk per se wilden spelen en iedereen in de afgelopen hectische tijd een enorme energie ontwikkelde, zoals Lineke Rijxman (Hera) zegt, om het stuk op poten te krijgen. De speeltijd is inmiddels verder ingekort tot twee en een half uur, en ik vraag Gijs de Lange hoe lang je de 'llias' kunt blijven samenvatten: wanneer houdt zo'n 'llias' op de 'liias' te zijn? Zijn antwoord is geruststellend. De 'llias' van Toneelgroep Amsterdam, naar het motto van het eerste bedrijf ook wel genoemd 'Kind, waarom huil je?', pretendeert op geen enkele manier de 'llias' te zijn. Het is een epische toneelvoorstelling, waarvan het zo aardig is, in onze lees-cultuur, dat we daarmee teruggaan naar de orale traditie. Bijzonder daarin is dat de toehoorder in één sessie de gehele spanwijdte van het verhaal te horen krijgt, van het moment dat de wrok van Achilles wordt gewekt als Agamemnon in de eerste zang hem krenkend bejegent, tot in de vier en twintigste zang Priamus, de koning van Troje, het lijk van zijn zoon Hector in Achilles' tent komt loskopen.

De 'llias' is geen epos over de oorlog, zoals je zou denken door al dat bloedvergieten in de stoffige vlakte van Troje of in de kolkende stroom van de Skamander die woedend wordt dat hij verstopt raakt door alle lijken en niet meer in zee kan uitstromen, maar het is een epos over leven en sterven. Het gaat om het leven: om de roem, de eer en het goud die zijn te behalen. De helden van de 'llias' leven in een schaamteloze schaamte-cultuur, zeggen wij vanuit onze schuldcultuur. In Koolschijns dramatische versie, en heel sterk naar voren gehaald in de voorstelling, zijn de goden daarom het meest aards, het meest herkenbaar. Zij zijn de pochers, de ruziemakers, de vleiers en de lafaards. Hun luchthartigheid, toch al een van hun wezenlijkste kenmerken bij Homerus, wordt een bijna onverdragelijke lichtzinnigheid. Tragiek, te beginnen bij Vader Zeus (Pierre Bokma) is hun ten enenmale ontzegd. Zij zijn de heldere, onnavolgbare voorbeelden voor de stervelingen die in grote eenzaamheid dat korte stukje weg afleggen dat naar de Hades voert. Op dat traject is roem, eer en goud verwerven het enige dat je tegenover de sterfelijkheid kunt stellen. Achilles, gespeeld door Hajo Bruins, zegt het met woede en met droefheid, als hij de overmacht aan geschenken die Agamemnon hem belooft om de ruzie bij te leggen afwijst: 'Een koe en een schaap kan men roven, ketels en paarden kopen, maar dat de adem van een mens terugkeert als die eenmaal de tanden voorbij is, dat is niet te koop, die buit kunnen wij niet behalen'. En zo sneuvelt Hector, door de godin Athena in de gedaante van zijn broer Deïphobos misleid, en valt Mark Rietman dreunend voor Achilles' voeten neer. Zoals een rijzige pijnboom valt of een machtige eik, door de houthakkers in het gebergte geveld om een scheepsbalk te zijn, zoals rook uit een stad naar de lucht stijgt, zoals je in een droom niet inhaalt wie vlucht.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden