Review

Samuel de Lange herleest Augustinus

Welke klassiekers verdienen het herlezen te worden? Komende maand keurt het kanon vijf oerboeken van het christendom. Om te beginnen Augustinus' 'Belijdenissen'.

De Confessiones ('Belijdenissen') van de kerkvader Augustinus (354-430) behoren tot de vroegste bekentenisliteratuur. Vóór de 'Belijdenissen' was het onder denkers niet bon ton om met hun privé-leven te koop te lopen, maar in de Middeleeuwen zette het verslag van Augustinus' bekering van zondaar tot christen kracht bij aan de overtuiging dat het wereldse bestaan uit den boze was, en dat alle heil binnen de kerk lag. Augustinus' misantropie heeft de relatie tussen kerk en wereld getekend tot Thomas van Aquino redelijker betrekkingen tussen mens en geloof voorstelde. Maar altijd als de tijden uit het lood waren, zoals tijdens de Reformatie en de Franse Revolutie, haalden reactionairen Augustinus' 'Belijdenissen' weer van stal. De ironie wil dat zijn beroemdste navolger, Rousseau, met zijn 'Confessions' juist de onbevangenheid van de menselijke staat wilde tonen.

De terugblik van de kerkvader op zijn jeugd is vervuld van een zondebesef dat al meteen aanvangt. In het eerste hoofdstuk verneemt de lezer dat ,,de zwakheid van de ledematen van de wiegenkinderen onschadelijk en onschuldig is, maar de ziel van de kinderen niet''. Volgt een beschrijving van een jaloerse baby die niet zou misstaan in 'Spock'. In het tweede boek is Augustinus waar hij wezen moet: ,,Maar het kookte in mij, ellendige, ik volgde de vaart van mijn zinnelijke lust en verliet u en uw wetten.''

In het biografische gedeelte van de 'Belijdenissen', dat wil zeggen in de eerst negen van de in totaal dertien boeken, is de de seksualiteit het struikelblok dat hem van de volledige toewending tot God weerhoudt. Daardoor lijkt het of Augustinus een wild liefdesleven heeft geleid, maar in de 'Belijdenissen' is maar van één vrouw sprake, met wie hij tien jaar samenleefde en bij wie hij een zoon had. Augustinus' gejammer over de wellust maakt dezelfde hysterische indruk als het voorbeeld van een verschrikkelijke jeugdzonde dat hij opdist: peren stelen bij de buren.

Augustinus' zonden zijn twijfelachtig, zijn braafheid is dat evenzeer. Hij verstoot tenslotte zijn vriendin, omdat zijn kwezelachtige moeder een betere huwelijksartij voor hem weet. Tot zijn verontschuldiging zij gezegd dat hij zich ellendig voelt over de scheiding -vanwege die verdomde seks natuurlijk!-, maar geen woord van medelijden met de naamloze moeder van zijn kind. Het hoogtepunt van zijn biografie komt als hij na lange twijfel in het achtste boek door een stem wordt aangespoord de Bijbel ter hand te nemen, en een tekst op te slaan. Een barse vermaning van Paulus om het pad der zonde te verlaten zet hem eensklaps op het rechte pad, en zijn bekering is een feit.

Het is niet makkelijk van het moederskind Augustinus -het biografische gedeelte van de 'Belijdenissen' loopt tot de dood van zijn moeder in 387- te houden. En om zijn stichtelijke werking uit te oefenen, is medeleven toch een vereiste. Maar de lezer kan moeilijk anders besluiten dan dat men zich hoede voor schijnheiligen en brave Hendriken.

Behalve zijn pekelzonden had Augustinus ook nog zijn geestelijke dwalingen op te biechten. Voor een intellectueel hadden de oude goden van het Romeinse Rijk hun bekoring verloren, maar er presenteerden zich in zijn dagen redelijker levensbeschouwingen dan de eredienst van Jupiter en co. In de 'Belijdenissen' kritiseert Augustinus het manicheïsme, de astrologie en het platonisme. Drie manifestaties van de tijdgeest die zich onderling goed verstonden, en ook indruk maakten op het vroege christendom. De klare indeling van de wereld in goede en kwade krachten die de volgelingen van Mani erop na hielden, het geloof dat het heelal een orde was opgelegd waarin alles boven en op de aarde samenhing, en het streven van Plato's school naar één enkel geestelijk principe waartoe de schepping te herleiden was, die opvattingen oefenden grote aantrekkingskracht uit op Augustinus en zijn tijdgenoten. Plato beschouwt hij als een voorloper van het christendom, maar de astrologie, en vooral het manicheïsme bestrijdt hij uit alle macht. Tegen de astrologie formuleert hij bezwaren die nog steeds geldig zijn, zoals de vraag waarom de levensloop van tweelingen die onder hetzelfde gesternte zijn geboren toch zoveel verschilt. Zijn ware woede geldt echter de manicheeërs, die hij zwetsers noemt. Hier wreekte zich de voormalige bewondering, die met zijn bekering in afkeer was omgeslagen.

Grootmoedigheid legt Augustinus al evenmin aan de dag in zijn verdediging van het christendom, als in de bespiegelingen over zijn jeugd. De wendingen in zijn filosofie zijn al even willekeurig als de beslissingen in zijn leven, en hij verdedigt beide met meer vuur dan wijsheid. Augustinus is in staat op de ene pagina de sterrenwichelaars met kracht van argumenten te bestrijden, en op de volgende zijn geloof in wonderen te belijden; hij geeft af op Vergilius' klaagzang over het bedrog van Dido door Aeneas, en vervolgens vergiet hij hete tranen over zijn eigen moeder als hij heimelijk van haar wegvaart. Weten is bij Augustinus net als bij Plato een kwestie van voorkennis die al in de mens verborgen ligt, maar het inzicht wordt alleen gewekt dankzij Gods genade. Het laveren tussen eigen kracht en de hoop op verlichting zorgt voor de afwisseling van redeneringen en aanroepingen, een stijlbreuk die de hele 'Belijdenissen' lang aanhoudt.

In de laatste vier boeken bereikt deze persoonlijke apologie van het christendom een hoogtepunt als hij om het idee te bewaren van een God die eeuwig en altijd zichzelf gelijk is, het hele begrip tijd als een illusie afschildert, en de dubbelzinnige taal van Genesis als een onuitputtelijke bron van waarheden. Dan heeft de rede het definitief tegen de openbaring afgelegd.

Op zijn best is de kerkvader als het over onhebbelijke menselijke eigenschappen gaat. Hij heeft een open oog voor de minder snoezige kanten van kinderen, en in mensenwerk ziet hij al gauw de effecten van jaloezie, geilheid en hebzucht. Een zeker realisme kan men hem niet ontzeggen. Hij heeft ook een treffende indruk nagelaten van de depressie die hem overviel bij het verlies van een vriend. Maar hij zou Augustinus niet zijn als hij dat all zu menschliche niet inslikte toen zijn moeder stierf, en zich in haar hemelgang verheugde.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden