Samuel Beckett wist hoezeer wij troost nodig hebben

Inmiddels is het tweede deel van Becketts correspondentie uit. Het betreft de jaren tussen 1941 en 1956. 'The letters of Samuel Beckett 1941-1956, Cambridge University Press'. Er zijn geen brieven uit de oorlogstijd. Tot september 1942 verbleef hij in Parijs. De verzetsgroep waarbij hij was aangesloten, werd verraden en hij slaagde erin samen met zijn vriendin Suzanne te ontsnappen naar het zogenaamde Vrije Frankrijk. Dat verraad was trouwens een buitengewoon gore toestand, veroorzaakt door een priester, ene abbé Alesch, die bij gelegenheid zijn kazuifel uittrok en mensen aan de Duitsers uitleverde tegen geld dat hij gebruikte voor een luxe leven. Ik spaar u de details.

In 1945 ging Beckett terug naar Dublin, waar hij zijn moeder ernstig verouderd aantrof. Het was niet makkelijk om terug te gaan naar Parijs, wegens allerlei bureaucratische bezwaren. Daarom voegde hij zich bij het Ierse Rode Kruis, dat een ziekenhuis opzette in het door de oorlog verwoeste St. Lô. Hij werkte als tolk, magazijnmeester en chauffeur, dat laatste niet zonder gevaar, want hij was allesbehalve een mechanisch talent.

Beckett was veranderd door de oorlog. Het grimmige isolement dat hij eerder vergeefs zocht, was niet langer zijn ultieme doel. Hij was een zachtere man, die door het verlies van vrienden en de onvoorstelbare oorlogsellende niet nog grimmiger was geworden, integendeel. Tijdens de oorlogsjaren had hij in veel benarde situaties uitdrukkelijk samen met anderen een weg moeten vinden en dat leidde tot een andere toon in zijn denken en voelen.

Eenmaal terug in Parijs begon voor hem een periode van zeldzame literaire vruchtbaarheid. Tussen 1946 en 1952 schreef hij 'The End', 'Mercier and Camier', 'The Expelled', 'First Love', 'The Calmative', 'Waiting for Godot', en zijn allermooiste werk, de trilogie 'Molloy', 'Malone dies', en 'The Unnamable'.

De rol van literaire, artistieke en persoonlijke biechtvader wordt in deze jaren door Georges Duthuit overgenomen van Becketts jeugdvriend Thomas MacGreevy. Duthuit was een formidabele persoonlijkheid in de kunstwereld, die zich heftig afzette tegen de westerse mimetische traditie, dat wil zeggen, tegen schilderkunst als in enig opzicht een afbeeldende bezigheid. En dat was precies wat Beckett zelf obsedeerde. In deze visie is de geschiedenis van de schilderkunst een betreurenswaardige zegetocht in de richting van de perfecte afbeelding. De ontdekking van het perspectief is zo bezien een sprong achteruit, omdat de schilder nu nog verder geleid wordt naar een nog betere afbeelding.

In het werk van de Nederlandse schilder Bram van de Velde zag Beckett in verf precies datgene gebeuren wat hij als schrijver in gang zou willen zetten met woorden. "Bram en ik, wij bevinden ons op grote afstand van elkaar, als ik ons goed inschat, hoewel op een zeker moment, een willekeurig moment, zijn we heel dicht bijeen in precies dezelfde manier van vastzitten, want dat vastzitten kan komen in vormen die je niet makkelijk loslaten." Vastzitten in de zin van niet-kunnen is voortaan Becketts beschrijving van wat hij wil proberen. Hij ziet in Brams schilderijen "een smekend streven naar een vastgrijpen waar hij nooit in slaagde. Ik dacht dat hij uiteindelijk op zou houden dat te proberen, al was het maar door uitputting, zodat hij alleen nog maar het geen-kant-op-kunnen zou schilderen. Voor mij blijft dit een schilderen zonder voorgangers, waarin ik vind wat ik zoek, juist vanwege deze trouw aan de gevangenis, deze afwijzing van elke voorwaardelijke vrijheid. Door die geniale noodzakelijkheid ziet hij waar hij is, in een gat, waar hij zich in koppigheid uit probeert te werken, maar waar hij vrijheid, licht, hoge plaatsen en de enige goden treft die hem aangaan en waaruit slechts een gedeeltelijke ontsnapping mogelijk is, een ontsnapping naar verminking wel te verstaan."

Ik moet u bekennen dat ik in de schilderijen van Bram van de Velde nooit een spoor heb kunnen aantreffen van de ongelofelijke krachtmeting die Beckett erin ziet. Dat is wel anders in zijn eigen schrijven, een continu vechten om te zeggen wat hij van het leven vindt, en sterker nog, om te zeggen wat hij vindt van die neiging om iets van het leven te vinden, omdat menselijk leed waar hij een scherp oog voor had, zich niets gelegen laat liggen aan dergelijke opinies.

Uit deze soms prachtige brieven blijkt dat hij behalve van Suzanne ook van Pamela Mitchell hield en dat hij een lieve vriend was, een hondstrouwe zoon en een zorgzame broer. Zowel voor zijn moeder als voor zijn broer maakte hij zich zonder enige aarzeling los uit zijn Parijse leven toen hun einde naderde, om weken of desnoods maanden bij hen te zijn totdat ze stierven.

Maar bovenal bieden deze brieven vele passages waarin Beckett zichzelf beschrijft op een onvergetelijke wijze. Ik lees hem altijd weer om troost, omdat hij als weinigen wist hoezeer wij troost nodig hebben. Over zijn tuin in de herfst aan Mania Péron, september 1951: "Elke paar minuten klinkt er een plof op de grond, en een grote vrucht valt, die op een en hetzelfde moment groen en verrot is. Dat zegt iets."

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden