SAMPLE-GOD IN CYBERSPACE

In De Rode Hoed in Amsterdam heeft de schrijver Marcel Möring gisteren de Abel Herzberglezing 1996 gehouden. Trouw organiseerde deze samen met De Rode Hoed voor de zevende keer, ter nagedachtenis van de schrijver Abel J. Herzberg (1893-1989), auteur van onder meer 'Kroniek der Jodenvervolging', 'Brieven aan mijn kleinzoon', 'Eichmann in Jeruzalem' en 'Aartsvaders'. Eerdere lezingen werden uitgesproken door Hedy d'Ancona, Arie Kuiper, Tamarah Benima, Ido Abram, Andreas Burnier en S. Dresden. Deze tekst is hier enigszins ingekort afgedrukt. Marcel Möring, geboren in 1957 in Enschede, verhuisde op elfjarige leeftijd naar Assen, waar hij opgroeide en de middelbare school volgde. Op dertienjarige leeftijd besloot hij te gaan schrijven. Hij zag, om te kunnen schrijven, af van een opleiding en had een groot aantal verschillende baantjes om zichzelf in leven te houden. Hij was ober, aardappelcontroleur, werkte op de computer-afdeling van de Nederlandse Aardoliemaatschappij, was journalist, archivaris, theatercriticus en winkelbediende. In 1990 debuteerde hij met de roman 'Mendels erfenis', die werd bekroond met de Geertjan Lubberhuizenprijs voor het beste debuut. Twee jaar later verscheen 'Het grote verlangen', dat de AKO Literatuurprijs ontving. In 1995 werd de novelle 'Bederf is de weg van alle vlees' uitgebracht en de bundel 'Het derde testament', een verzameling joodse teksten van schrijvers en wetenschappers. 'Het grote verlangen' werd gepubliceerd in Engeland (waar Stacey Knecht voor haar vertaling onlangs de Vondel Award ontving), Amerika, Duitsland en de Scandinavische landen. Vertalingen zullen nog verschijnen in Spanje, Israel, Turkije, Japan, Roemenië en Frankrijk. Marcel Möring woont sinds 1989 met zijn vriendin en twee kinderen in Rotterdam. De integrale tekst is te bestellen door overmaking van ¿ 10 op bankrek. 49.02.15.920 (ABN Amro, gironr. 2391) t.n.v. De Rode Hoed o.v.v. Herzberglezing.

In Trouw (*) schreef ik Frans Kellendonk de volgende uitspraak toe: Er is in mij een ruimte waar God precies in past. Ik citeer mijn eigen artikel nu even. “Dat betekent: Ik geloof niet in God, ik wil in God geloven. Die uitspraak is soms afgedaan als de redeneertruc van iemand die een eerlijk, persoonlijk antwoord ontwijkt. Dat is niet waar. Kellendonks formulering is de meest heldere theologische uitspraak die ik in jaren ben tegengekomen. Het is een tegelijkertijd ethische formulering en een antropologische constatering. Hij houdt rekening met de wens en ontkent de zekerheid.”

Nu moet ik bekennen dat ik Kellendonk fout heb aangehaald. Hij zei: Er is een leemte in de schepping waar God precies in past. Het verschil kan niet groter zijn. Kellendonk bespreekt de spanning tussen de zekerheid van het weten en de onzekerheid van het (nog) niet weten.

***

Mijn parafrase behoort tot het rijk van de twintigste-eeuwse mystiek. Het is de uitspraak die mij onmiddellijk doet denken aan Evelyn Waughs 'Brideshead revisited', een roman over de teloorgang van een Engelse katholieke adellijke familie, gezien door de ogen van de onaangedane Charles Ryder. Hij raakt in Oxford bevriend met Sebastian Flyte, telg van die adellijke familie. Sebastian is een charmante, vrolijke, warme persoonlijkheid, maar ook een mislukkeling die niets terecht brengt van zijn studie. Jaren na die studietijd, als Sebastian aan het einde van zijn zwerftocht over de wereld is gekomen, een alcoholist, een zoekende, een verlorene, vertelt zijn zuster Cordelia, dan zelf een non, het verhaal van Sebastians ondergang aan Charles. Zij heeft haar broer in Marokko gevonden, in een klooster, waar hij als lekenbroeder half in en half buiten het klooster leeft. “Arme Sebastian”, zegt Charles. “Het is zo triest. Hoe zal het allemaal aflopen?” Cordelia antwoordt iets dat het beklag wegvaagt: “Ik denk dat ik je dat precies kan vertellen, Charles. Ik heb anderen als hem gezien, en ik geloof dat zij God heel na en heel dierbaar zijn. Hij zal voortgaan, half in, half buiten de gemeenschap, een vertrouwde figuur die wat rond klungelt met zijn bezem en zijn bos met sleutels...” Charles zegt: “Ik neem aan dat hij niet lijdt?” “O ja, ik denk van wel”, zegt Cordelia. “Niemand kan zich voorstellen hoezeer, verminkt als hij is - geen waardigheid, geen wilskracht. Niemand is heilig zonder lijden...”

Sebastian, voor het begrip, zou nooit een zinnig woord over religie of religiositeit uit kunnen brengen. Hij is een stuurloos schip, een leeghoofd met een diep verlangen naar God. Of hij gelooft is de vraag. Ik geloof dat mijn verkeerde parafrase van Kellendonks uitspraak nog het meest in die buurt komt. Er is in mij een ruimte waar God precies in past; ik geloof niet in God, ik wil in God geloven. Het zijn uitspraken die nog het dichtst in de buurt komen van het gedachtegoed van Levinas. Het gaat hier om, zou Levinas kunnen zeggen, maar voorlopig parafraseer ik niemand meer, het gaat hier om de beweging van het Ik naar De Ander. Dat is een fundamentele wilsdaad, even noodzakelijk als vruchteloos, want ook in de wereld van Levinas is de hoop op kennis van De Ander gering. Maar daar gaat het niet om. De beweging is wat telt.

Maar hier sta ik, negenendertig, gelaafd en gevoed door Wittgenstein en Max Frisch, Joyce en Beckett, een liefhebber van de logisch-positivisten, nog steeds, en toch doortrokken van de wil om in God te geloven: iemand die niet in God gelooft en wel elke ochtend de brooches over het handenwassen en het brood zegt; iemand die zich zo goed mogelijk aan de spijswetten houdt; iemand die zich eerder als een chassied zou omschrijven, als dat al kon, dan als een liberaal jood.

De beste manier om mijn positie te omschrijven is als volgt. Twee mannen reizen samen te voet van de ene stad naar de andere. Onderweg is het tijd voor het avondgebed en de een slaat zijn gebedsmantel om en reciteert uit zijn hoofd het lange Achttiengebed. De ander houdt zijn hand voor zijn ogen en zegt het alfabet op. Als ze klaar zijn, lacht de eerste zijn metgezel uit. “Noem je dat bidden, jij onwetende stommeling?” De andere man zegt: “Ik kan niet bidden, dus ik geef God de letters en hij maakt er wel een gebed van.” Die nacht wordt de eerste hevig ziek en hij voelt het leven uit zich wegvloeien. Hij roept zijn God aan en zegt: “Wat heb ik gedaan dat ik dit verdien?” Dan hoort hij een stem die zegt: “Dit is omdat je mijn dienaar hebt bespot.” De zieke man zegt: “Maar hij kon niet eens bidden!” De stem antwoordt: “Je vergist je. Hij kon bidden, want hij deed het met heel zijn hart. Jij weet de zinnen en de woorden, maar er is alleen maar mond en geen hart.”

***

Zo vergaat het mij. Ik zeg die zegeningen over het brood en het handenwassen, omdat ik het essentieel vind om elke dag het wonder van het brood te beseffen. En tegelijkertijd heb ik geen notie van God en ben ik geen gelovige. Mij rest alleen nog de plicht, de mitswe. Ik bezit de hardnekkigheid van mijn voorvaderen, die God ook aanriepen als hij nergens leek te zijn, maar ik mis hun overtuiging.

Ik was een religieus kind, bijna vanaf de wieg. Ik kon nog niet heel lang lezen toen mijn vader op een avond een in rood linnen gebonden kinderversie van het Oude Testament meebracht. En zoals andere kinderen 's avonds de Donald Duck lazen of Arendsoog, lag ik Genesis, Leviticus, Numeri, de kleine en de grote profeten, Richteren. Ik leefde in twee werelden. Overdag ging ik naar school, tas onder de arm, goede schoenen aan, de jas netjes dichtgeknoopt, 's avonds reisde ik aan de hand van mijn verre voorvaderen mee door de woestijn.

Of God bestond en of hij mij kon horen als ik met hem sprak, interesseerde mij niet: ik kletste hem de oren van de kop. Mijn contact met God was dat van een kind dat nog maar net kan telefoneren en oma aan de lijn krijgt. Er is de vage verwondering over het feit dat haar stem uit dat stukje plastic komt, er is zelfs de aandrang om onder de tafel te kijken, of ze zich misschien daar verborgen houdt. Maar na twee, drie keer is niets gewoner. Zo belde ik God en hij nam op.

Op zestienjarige leeftijd heb ik twee atheïstische vrienden overtuigd van het bestaan van God. Dat gebeurde ergens in juli, ter hoogte van de dode spoorlijn Assen-Rolde. Het was bloedheet en we hadden er al een lange fietstocht door het stovende Drentse land opzitten. Op de een of andere manier was het gesprek op religie gekomen en voor ik het wist sprak ik mijn godsbewijs uit, half over het stuur hangend. Het was zo'n indrukwekkende korte uitbarsting van Wittgensteinsiaanse logica dat mijn vrienden onwillekeurig op de rem trapten en stilhielden. Daar, beschenen door de hoge zomerzon, het hoofd in de kruidige geuren van de spoorberm, stonden ze mij aan te kijken. Ook na een hele tijd zwijgen en peinzen konden ze geen sluitend antwoord vinden.

Een jaar of twee later las ik Anselmus van Canterbury en kwam erachter dat zijn 'Proslogion' net zo in elkaar zat als mijn bij elkaar gefietste godsbewijs. Alleen kon ik toen de redenering tegelijk bewonderen en doorzien. Bij die dode spoorlijn was ik nog niet zo ver. Daar was het eerder zo dat ik door mijn eigen redenering werd verrast. Hoewel mijn vrienden geen antwoord hadden op het godsbewijs volgens Marcel Möring, werden ze niet religieus. Ze mochten dan sprakeloos zijn, overtuigd door de dialectiek die mij was komen aanwaaien, ze weigerden de consequentie te aanvaarden. Dat is de zwakte van elk godsbewijs: het levert misschien een aardige redenering, maar die heeft evenveel kracht als een sluitend betoog dat de verrukkelijkheid van frambozenvla verklaart aan een frambozenhater.

Ik heb sindsdien geleerd dat het altijd zinloos is om God en religie op een filosofische manier te benaderen. Omdat we op het diepste niveau nergens zeker van zijn, laat staan eensgezind, zal op hoger niveau nooit een discours kunnen ontstaan dat zoden aan de dijk zet.

Een jaar na die fietstocht kwam ik op een middelbare school die ooit hervormd was en zichzelf nu afficheerde als 'derde weg'. Binnen zes maanden was ik atheïst. Dat lag niet aan de godsdienstleraar, die mij na enig doorvragen bekende dat hij niet meer kon geloven. De gesprekken in het huis van Karel, van economie, hadden er eerder mee te maken.

Karel was lang, rossig, epileptisch en zo belezen en lenig van geest dat iedere leerling met meer dan een hersencel, daarvan waren er vier in mijn jaar, wist dat het belangrijk was om in zijn buurt te blijven. En terecht. Ik heb de bijna instinctieve neiging om je eigen overtuigingen met zelfbedachte tegenargumenten te bombarderen aan hem te danken. In de vier, vijf jaar dat wij bevriend waren, leerde ik jazz en Slauerhoff en strips kennen en werd mijn intellectuele ontwikkeling met een factor drie versneld. Hij las mijn poëzie en met een man of vier, vijf, allemaal leerlingen, bespraken we in zijn van pijptabak en beugels Grolsch opgetrokken huis die laat-puberale gedichten alsof het ertoe deed. We konden ons niet voorstellen dat het leven ooit anders zou worden.

In een dergelijk milieu kon ik zoiets wazigs als God en een zevendaagse schepping niet overeind houden. Een keer heb ik het geprobeerd. Ik herinner mij een bevlogen oratie van een kleine drie kwartier, een schildering van, laat ik maar zeggen, 'de andere wereld' die zo meeslepend en zo hartstochtelijk was dat de aanwezigen van die avond met open mond zaten te luisteren. Om na die drie kwartier hun monden te sluiten en ze weer te openen voor vragen die niet te beantwoorden waren. Mijn godsbewijs, de retorische moker die ik een keer op de fiets langs de dode spoorlijn naar Rolde had gebruikt, bleek zacht als jonge kaas.

***

Er wordt gezegd dat het jodendom twee belangrijke bijdragen aan het welzijn van de mens heeft geleverd: het monotheïsme en het socialisme. Ik denk dat dat waar is. Het monotheïsme heeft de mens verlost van het blinde fatalisme waarmee wind en regen, vuur en droogte, eb en vloed, voor- en tegenspoed werden aanvaard. Daarvoor in de plaats kwam de God van Mozes. Hij is een religieuze verdubbeling van het volk dat hij koos: querulant, sentimenteel, nauwgezet, en kan als het nodig is een keel opzetten. Ik weet dat velen deze kijk op de oud-testamentische God niet delen en bij het Oude Testament vooral denken aan wraakzuchtige massaslachtingen en strenge straffen. Maar zie hem op de berg Sinaï, met Mozes. Van ver beneden klinkt het rumoer van het rondtrekkende zootje dat die twee met zich meeslepen. Boven, in de nevelen om de bergtop, wordt er gesproken over hoe het verder moet en van de vlakte komt het geschreeuw van kinderen, daar hangen vrouwen de was op en zijn een paar mannen een makkelijker vorm van geloof aan het bouwen in de gedaante van een gouden kalf. Toen Mozes de tien geboden op de berg Sinaï ontving, dansten de kinderen van Israël rond het gouden kalf. Zij werden met ziekte geslagen en dertigduizend stierven. Mozes, de grootste van alle profeten, bad tot God en zei: “Heer, hoe kon U zoveel van Uw kinderen zo laten sterven?” En de Heilige, gezegend zij hij, antwoordde: “Ik deed het omdat ze zondigden.” “Maar hoeveel zondaars waren er?” vroeg Mozes. “Denk eens aan alle onschuldigen die ook vielen!” Na enige tijd viel Mozes in slaap en toen hij sliep kropen een paar mieren over zijn voet en beten hem en hij sloeg ze dood. “Mozes”, zei God, “waarom heb je die mieren gedood?” “Omdat ze me beten” zei Mozes. “Door hoeveel mieren ben je gebeten?” vroeg God. “Twee? Drie? Desondanks heb je er een paar dozijn gedood! Net zoals jij de mieren die jou beten niet kon onderscheiden van de mieren die niets deden, zo kon Ik de zondaren niet van de schuldigen onderscheiden.” Zoals het gezegde luidt: 'Het vuur in het bos kent geen goede en slechte bomen.' (**)

Dat is de harde Oud-Testamentische God, maar een die zich verantwoordt. Zijn andere kant is te vinden in de onderhandeling met Abraham, over het lot van Sodom. “Dus U wilt echt alle inwoners doden?” “Allemaal.” “Maar stel: er zijn vijftig rechtvaardigen onder hen?” “Dan zullen zij gespaard worden.” “Maar misschien zijn het er net geen vijftig. Misschien scheelt het maar vijf...” “Ook als er maar vijfenveertig rechtvaardigen zijn, zullen zij gespaard worden.” “Veertig?” God is geen hier geen keiharde kern van leerstelligheid meer, geen eendimensionaal opperwezen. Het joodse monotheïsme bracht ons een beeld van God als een personage dat optrad in het verhaal van de mens. Hij is een verfijning van het pantheïsme, zoals de moderne roman met zijn gelaagdheid en 'round characters' een uitbreiding is op de middeleeuwse tekst met zijn vertegenwoordigende karakters.

De God die de joden uit Egypte leidde omvat alle mogelijke goddelijke attributen, van grilligheid tot liefde, van gekwetste trots tot deemoed. Niet meer zijn die attributen verdeeld over een water-, vuur-, aarde-, donder- of boomgod. Ze zijn bijeengekomen in een karakter. Zo ook ontwikkelde onze literatuur zich, van de schematisch goede Lancelot en de perfide Bruce-zonder-land tot de complexe Stephen Dedalus, Leopold Bloom en Don Quichote.

***

Het socialisme, die andere bijdrage van het jodendom aan de geschiedenis, is de weerslag van gefrustreerd messianisme. De voorwaarden voor de geboorte van het socialisme worden in 1648 geschapen. Dat is het moment waarop de kozakken van Chmielnicki moordend en plunderend door Oost-Europa trekken en de hoop van de ballingschap vernietigen. Daarna beginnen de messianistische bewegingen op te komen, die van Sjabbetai Zwi en Jakob Frank, en toen de messiassen bedriegers bleken, goot de wanhoop zich in de vorm van een te verwezenlijken beter leven, een waarop men niet hoefde te wachten, een wereld die gemaakt kon worden. Dat was de voedingsbodem van het socialisme.

Het socialisme is een messianistische stroming. Het streven is een betere wereid, een rijk waar voorspoed voor allen, gedeelde welvaart en eerlijke verhoudingen heersen. Op geen enkele manier, ook al heeft Karl Marx dat bewonderenswaardig geprobeerd, is een wetenschappelijke fundering voor het socialisme te vinden. Het komt niet voort uit de aard van de mens, die niet tot het goede geneigd is, snel lui is en in verleiding gebracht. Het vraagt, net als de bespoediging van de komst van de messias, persoonlijke offers. Zoals een chassidische overlevering zegt dat de messias pas komt als alle joden twee keer sabbath hebben gevierd, een schier onmogelijke opgave, zo vereist het socialisme consensus omtrent de noodzaak om kennis, macht en welvaart af te staan ten behoeve van de ander, een even ondoenlijke opgave.

***

Ik ben iemand die wil dat God bestaat, maar niet in God gelooft. Ik ben nog steeds redelijk overtuigd van de voordelen van het socialisme, maar een socialist ben ik niet meer. Ik geloof dat ik, met de rest van de wereld van na 1945, langzaam ben gaan inzien dat elke vorm van vaste overtuiging leidt tot onbuigzaamheid, verlies van kritisch vermogen en, dus, tot rampen. Desondanks is mijn moraal, of ethiek, nog steeds gegrondvest op het jodendom en haar politieke uitbreiding, het socialisme. Niet omdat ik, als het liberale leeghoofd Bolkestein, denk dat een religieuze achtergrond bijdraagt tot de maatschappelijke orde, maar omdat ik ervan overtuigd ben dat een mens er goed aan doet zijn persoonlijke achtergrond volledig te onderzoeken, alvorens hij betere oplossingen zoekt in exotischer varianten. Daarom is het dat ik zo'n afkeer heb van het moderne geloven, die steeds weer opkomende nieuwe vormen van spiritualiteit: New Age, Scientology, de Celestijnse belofte, zweten in de zweethut, neuro-linguïstisch programmeren en de Groningse variant van het Boeddhisme.

Ik begrijp dat de mens meer zoekt dan hij ziet. Een leven dat bestaat uit geboren worden, leven (en dat in grote delen van de wereld vaak maar kort en miserabel) en vervolgens sterven, is in tegenspraak met onze solipsistische perceptie van het unieke individu. Ik begrijp ook dat hij graag zoekt waar het gras groener lijkt te zijn, aan de andere kant van de heuvel. Een nieuwe taal, andere vormen en riten lijken iets toe te voegen aan de overbekende dagelijkse gewoontes waarmee men is opgegroeid. Ik begrijp dat de mens de zin van zijn leven buiten zichzelf zoekt, ook al vind ik dat dom en gemakzuchtig en geloof ik dat het leven an sich geen zin heeft, hooguit zin kan krijgen. Maar dat iemand daarom biologisch-dynamisch geteeld maïsmeel van de Hopi-lndianen in de vier windrichtingen blaast om daarna een dag in een zweethut door te brengen, daar kan ik niet bij.

Nu denkt u dat ik dat omwille van de retoriek heb bedacht, die zweethut en dat maïsmeel, maar dat is niet zo. Overal in het land stappen mensen in het weekeinde in zweethutten, laten ze zich het hoofd op hol brengen met Tibetaanse klankschalen, wordt kanker genezen met edelstenen, krijgen lammen en blinden een ansichtkaart ingestraald door een gefrustreerde balletdanseres uit Tiel die in een vorig leven met een farao sliep en betaalt men de zoveelste termijn van het afpersschema dat de Scientology-kerk als de weg naar het licht presenteert. En alsof dat niet genoeg is, heet het best verkochte boek ter wereld op dit moment James Redfields 'De Celestijnse belofte'. Er is geen domheid zo groot of het kan nog erger.

Tussen alle piskijkerij, geestengetover en geloof in de heilzame werking van kleuren, geuren en stenen, nemen twee uitingen een bijzondere plaats in: Scientology en het boek van mijnheer Redfield. De leer van Scientology kan ik niet goed samenvatten. Dat heeft drie redenen. Ten eerste was de geest van stichter L. Ron Hubbard zo chaotisch en was hij zo'n slecht stilist dat aan zijn theorieën nauwelijks een touw valt vast te knopen. Ten tweede zou ik bij het navertellen van Hubbards 'mythe' de slappe lach krijgen. Ten derde heeft Scientology haar geloofsartikelen wettelijk beschermd als Trade Secrets, als handelsgeheim dus, en wordt het daardoor nogal moeilijk om over deze kruising tussen science fiction, religie en oplichterij te spreken. Laat ik dit zeggen: het komt allemaal door vreselijke intergalactische oorlogen en de buitenaardsen. Daardoor zijn wij niet zoals we moeten zijn, een staat van ongenade die we kunnen verlaten als we de cursussen van de BV Scientology volgen en, naar conservatieve schattingen, zo'n drie ton neerleggen. Zielenheil is niet goedkoop.

***

Maar mijnheer Redfield is veel interessanter dan Scientology. Hij is de stoom die ontsnapt uit het putdeksel, het zichtbare teken dat het onderaardse weer aan het borrelen is. Ik las zijn schijnbare meesterwerk ter voorbereiding op deze lezing. Ik was bang dat ik sinds de spirituele alchemie van de jaren zestig en zeventig iets had gemist. U kunt zich niet voorstellen hoe geschokt ik was, toen ik ontdekte dat dat zo bleek te zijn. De mens is nog dommer geworden.

In 'De Celestijnse belofte' volgen we een Amerikaanse man (maar een van het goede soort, hij weet de G-plek te vinden, scheidt zijn afval en houdt vooral van vrouwen vanwege hun geest en niet omdat ze op Miss Januari lijken) die gehoord heeft van een bijzonder mystiek geschrift (Aramees!) dat is ontdekt in de Peruaanse jungle. Tot zover het Umberto Eco-schema. Maar waar Eco is gericht op complexiteit, analyse, deconstructie en kritiek, reist onze Amerikaan af naar de jungle en vindt binnen twee weken, na enige tegenslagen, alle verborgen geheimen behalve de laatste. Zeg maar: Indiana Jones en de weg naar het geluk. Om de verkoop van het boek een halt toe te roepen, zal ik u de, laten we maar zeggen, 'essentie' van het boek verklappen. De natuur is vol van oerkracht, maar wat doen wij haar niet aan. Ieder mens speelt een rol. Het draait allemaal om evenwicht, in balans zijn met jezelf, de natuur en je medemens. Kinderen zijn ook bijzonder. Dat zijn de voornaamste Celestijnse Inzichten. De laatste, de tiende, ken ik niet, want die heeft mijnheer Redfield als commerciële cliffhanger buiten zijn boek gelaten. De zielenpoten die voor de negen beloftes vielen, zijn daardoor gedwongen ook het later verschenen boek met nummer tien aan te schaffen.

Daar eindigt Redfields zakelijk inzicht niet. Via het Internet bieden hij en zijn vrouw, die ook vreselijk in de weer is met het hogere, cursussen, videotapes en werksets aan, om in de beslotenheid van het eigen huis lekker snel een beetje heilig te worden. Wat dat betreft zijn Scientology en Redfields Celestijnse oplichterij tekenen aan de wand. De tweedehands autoverkopers hebben ontdekt dat er geld zit in de onzekerheid van de ont-ideologiseerde, a-religieuze mens. Het kan niet lang meer duren voor Reader's Digest ons ook gepersonaliseerde brieven gaat sturen met ons eigen persoonlijke lotnummer voor een plaats in de hemel, als we ons tenminste eerst drie jaar abonneren.

De Celestijnse belofte is de McDonald's onder de spirituele bewegingen. Het vertegenwoordigt in alle opzichten het slechtste van de Amerikaanse cultuur. Het geheim van het leven doe je in twee weken. Je hoeft je er niets voor te ontzeggen, je hoeft er geen ingewikkelde talen voor te leren (hoewel het manuscript waar het in het boek om draait in het Aramees is, krijgt mijnheer Redfield tijdens zijn 'toevallige' ontmoetingen steeds handige samenvattingen ter grootte van een A4-tje aangereikt).

***

Redfield is niet de enige, hoewel de meest uitgesproken domme. De andere nieuwe vormen van spiritualiteit vragen allemaal even weinig van de geïnteresseerde. Hooguit een bijdrage in de kosten. Maar daarna kun je je dan ook gelegitimeerd Reiki Master, medium, of ingewijde noemen. Desnoods alledrie. Want dat is een ander kenmerk van de hedendaagse 'religiositeit'. Niet alleen kost het je bijna geen inspanning en hoef je je er niets voor te ontzeggen, het is ook een amalgaam van halfverteerde, slechtbegrepen flarden van bestaande religies. Het fin-de-siècle-geloven is samplen. Het is het ritme van de Indianen (indianen zijn goed, ze staan dichtbij de natuur), een riedeltje Mozaïsche wetten (valt niet aan te ontkomen), een korte Zen-solo (niet te lang, want dan wordt het weer veeleisend) en hier en daar nog wat losse flarden boeddhisme, animisme, alchemie en goeie ouwe kwakzalverij. Honderdvijftig gulden en u bent een weekeinde later helemaal het heertje in uw overspannen, hectische moderne CNN-wereld.

En dit is nog maar het voorstadium. De nieuwste vorm van spiritualiteit zal digitaal zijn. Er kan al op het Internet gebiecht worden, er is een net-orakel, en het Vaticaan, diverse joodse (Jews in Cyberspace!) en christelijke organisaties hebben strategische posities ingenomen. Maar de toekomst van de niet-georganiseerde, laat ik maar zeggen, 'gelovigheid' is virtueel. Ik voorspel een kolkende stroom van binaire bagger, die ons meer nog dan nu met de halfbegrepen en halfverteerde feitjes van op hol geslagen domkoppen confronteert. Nu kost het verwarde types als David Koresh, dominee Jones, de Scientologen en de zonnetempel-volgelingen nog een jaar of twintig voor ze een beetje substantiële groep bijeen hebben gebracht. Straks zal dat binnen een paar jaar het geval zijn. Scientology is massief aanwezig op het Internet. Daar vecht het de guerrilla, onderzoekt de weerstand en laat haar onwelriekende spirituele uitwerpselen bij wijze van geurvlag achter. De rest zal volgen. Nu al is door sommige nieuwsgroepen niet meer heen te komen omdat ze dichtgeplakt zijn met berichten van fundamentalistische christenen die alleen maar 'Jesus Died For You, You Morons' hebben mee te delen. Er zijn tijden dat ik verlang naar een bevindelijke Groningse gereformeerde.

***

Ooit zag ik een foto van een, ik meen, Nijmeegse, muur. Het was in de jaren tachtig. Op de muur stond: Wij eisen geluk. Toen ik die foto zag, moest ik onmiddellijk denken aan een andere foto, gemaakt in een vervuilde, met roet besmeurde arbeiderswijk in Birmingham of Londen. Op een blinde muur stond een doel geschilderd en twee woorden: help us. Ik denk dat het verschil tussen de nieuwe spiritualiteit en het ouderwetse geloven zit in de ruimte tussen die twee foto's. Het is het verschil tussen de opvatting dat geluk een recht is, dat niets hoeft te kosten, en de hulpkreet uit de diepten, De Profundis. Nu niet alleen elke vorm van traditionele religiositeit lichtelijk belachelijk lijkt en de oude vertrouwde ideologieën zijn afgeschaft, is het alsof we zijn beland in het solipsistische stadium van de menselijke ontwikkeling: het gaat om ons en wij hebben er recht op dat alles goed is.

Laat u niet in verwarring brengen door onze nieuwe, boetvaardige religie, de aanbidding van de natuur. Het lijkt alsof wij ons bekommeren om de vernietiging van moeder aarde, omdat wij bezorgd zijn om de natuur. Daar is geen sprake van. Wat wij doen is de natuur in de plaats stellen van God en het goddelijke. Wij onderwerpen onszelf aan de dienst van de milieureligie. De aarde, Gaia, is bijna antropomorf geworden en dat wij op haar wonen en haar gebruiken, vervult ons met schaamte en zonde. Wij vervuilen haar en muteren haar voortbrengselen. Dat de natuur hetzelfde doet, dat vulkanen de meest giftige gassen uitstoten, olifanten bossen vernielen en sprinkhanen hele landen kaalvreten, dat apen uit pure baldadigheid takken van de boom rukken en een kat soms een muis vangt om er gewoon een beetje mee te spelen, dat is allemaal 'natuurlijk'. Wij, en onze ingrepen in onze omgeving, vallen niet binnen de absolutie. Wij zijn slecht en zondig en moeten boeten voor ons genot. Het is niet voor niets dat vooral voormalige linkse socialisten zich hebben aangesloten bij de nieuwe religie. Die oude, haast vergeten verbinding tussen het religieuze messianisme en het revolutionaire socialisme zit nog steeds in hen.

En ze gaan ver. Een aantal weken geleden publiceerde de Volkskrant een stuk over het natuurbeschermersterrorisme, de mensen die slagerijen in brand steken, ook al slapen de slager en zijn gezin boven de winkel. Een meisje zei dat ze wist dat het natuurlijk was dat een kat een muis ving, maar ze zou het toch graag anders zien. Zo ver kan het gaan. In onze zorg voor de wereld willen we de kat haar natuur ontzeggen. De leeuw naast het lam, en duizend jaar vrede, zielenheil en innerlijke rust door biologisch geteeld maïsmeel in de vier windrichtingen te blazen, maar niet aan Joegoslavië, Noord-lerland, Somalië en Irak denken. Dat hebben we opgegeven. Onszelf, de soort mens hebben we opgegeven. Er is alleen nog maar persoonlijke groei, de eis van geluk en de comfortabele eredienst aan het schone bos.

Vroeger dacht ik alleen dat de mens dom was. Later dacht ik dat hij dom en slecht was. Tegenwoordig vind ik de mens een zeldzaam soort ezel, een die niet twee keer, maar voortdurend naar dezelfde steen terugkeert.

* Mörings artikel (Fata morgana's en eldorado's) stond in Trouw van 7 maart 1996.

** Pinchas Sadeh: Jewish Folktales.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden