Samenwerken, tot in de loopgraven

Is ons oordeel over goed en fout werkelijk zo ingesleten, en wordt onze rationaliteit dan zo overschat? In de serie artikelen over ons moreel instinct, vandaag het laatste deel: de neiging tot samenwerken zit diep verankerd, de haat tegen klaplopers ook.

Tot zijn verbazing zag kapitein Edward Hamilton Westrow Hulse niemand meer in de loopgraven: „Ik hoorde flarden van ’Tipperary’, gevolgd door Deutschland über alles’”. Die avond bracht een Duitse ordonnans hem een paar wollen handschoenen.

Kerstverbroedering 1914, in West-België, te midden van honderden onbegraven, stinkende lijken. Zelfs dáár? Het is in onze aard geslopen om naar samenwerking te zoeken, zei de etholoog er eerder over. En de neuroloog pretendeerde dat hij de cerebrale bedrading voor onze coöperatieve en empathische inborst op het spoor is. Anderhalf jaar geleden toonde het blad Science scans waarop te zien was hoe het brein tijdens een ontmoeting met een nog onbekende handelspartner beetje bij beetje vertrouwen opbouwt.

Toch is de evolutionaire logica achter altruïsme en coöperatief gedrag nog erg ondoorzichtig. Loont die samenwerkende aard? We gaan terug naar de loopgraven: Kerst 1914 schudden de vijanden elkaar openlijk de hand. Er gingen ook geruchten van heimelijke verstandhoudingen tussen bataljons aan weerszijden. Schutters misten elkaar opzettelijk en mikten op hoger gelegen objecten om aan te geven dat ze van goede wil waren. In hun afweging zat een element van leer om leer: kom jij mij tegemoet, dan ik jou; schend je de verborgen deal, dan straf ik je navenant.

De bioloog John Cartwright vergelijkt het in ’Evolution and Human Behavior’ met het prisoner’s dilemma. Twee mededaders kunnen kiezen tussen bekennen, óf ontkennen en de mededader beschuldigen. Als beiden ontkennen, krijgen ze 1 jaar cel. Bekent A en B niet, dan gaat bedrieger B vrijuit en krijgt A vijf jaar. Dat weet A ook, dus die lapt B erbij. Helaas, nu krijgen beiden drie jaar.

In een wereld vol argwaan houden mensen of samenlevingen elkaar zo in een wurggreep. Denk aan de wapenwedloop. En Griekse dorpen schijnen elkaar ten koste van enorme offers met steeds hogere torens de loef af te willen steken.

Mensen vinden dikwijls een evenwicht. Maar de een wil alles voor niks, waar de ander best bereid is te betalen of ergens veel energie in te steken. Die ongelijke bereidheid om te geven en nemen zou logischerwijs moeten resulteren in een tweespalt van schlemielen en profiteurs. Moeder natuur bewijst dat zo’n scenario soms zonder overleg optreedt. Zo zijn er bacteriofagen – virussen die op bacteriën parasiteren – die in de gastheer een andere collega gebruiken om stukjes virus voor henzelf aan te maken. Dat gaat, zolang er genoeg virale werkers zijn om de luiwammesen te onderhouden.

Werkwilligen en klaplopers, dat herkennen we een beetje. Wij werken samen en bejegenen elkaar met vertrouwen, al zijn we op onze hoede, geassisteerd door een sterk ontwikkeld rechtvaardigheidsgevoel. Hoe kon zo’n coöperatieve, maar ook bedachtzame houding evolueren? Wetenschappers trachtten in de afgelopen twintig jaar om daar een logische, evolutionaire rekensom aan te koppelen.

In het leven uitsluitend voor eigen gewin gaan wordt op den duur afgestraft, maar je coöperatief opstellen gaat ten koste van de eigen beurs. Is hier een schrandere uitweg denkbaar, die daardoor ooit in het menselijke gedragsrepertoire is gesleten?

Op initiatief van politicoloog Robert Axelrod bekampten programmeurs elkaar in 1979 met strategieën om hun winst in een handelsdilemma te maximaliseren. Louter hebberige programma’s en pure weldoeners trokken aan het kortste eind. De Canadees Anatol Rapoport won, met de methode Tit-for-tat. Hij benaderde een opponent steevast coöperatief, totdat de ander hem verried. Dat verraad werd met verraad vergolden. Maar Tit-for-tat vergaf heel snel en werkte weer mee zodra de partner zelf opnieuw voor samenwerking koos.

Vriendelijk, streng én vergevingsgezind moet je zijn: die houding resulteert niet in een vetpot maar je vermijdt ermee dat je wordt misbruikt. Het lijkt een prima uitgangspunt om door het sociale verkeer te manoeuvreren. En er spreekt het karakter uit van: Wie goed doet, goed ontmoet. Zou dit de basishouding zijn geweest die door de tijden heen kwam bovendrijven als het fundament voor moreel gedrag?

In vervolgstudies maakt Tit-for-tat het niet waar, ook niet met de nodige verfijningen van de strategie. Spoedig bleek het een te simpel sjabloon voor de ingewikkelde mensenwereld. Wij bieden en innen in een wirwar van handeltjes, met deze en gene. Het is ondoenlijk om een boekhouding bij te houden van wie onze diensten naar rato met een wederdienst beantwoordde, wie ons belazerde en wie niet. Tenzij iemand alom bekend staat als sjoemelaar.

Wij leven in te groot verband, met te veel spelers om zicht te houden op de balans met individuele partners, schrijft John Cartwright in ’Evolution and Human Behavior’. Daarbij wijken de grenzen van onze persoonlijke leefwereld steeds verder. Hoe krijgen samenwerking en saamhorigheid nog een kans? Voor een deel gaat het erg moeizaam, constateert Cartwright. We gaan ’s morgens met miljarden op weg, allemaal in de eigen auto. Er zit iets van een prisoner’s dilemma in: allemaal in de bus zou een hoop verkeer en ellende schelen.

We worden er niet op aangesproken. De weg is van iedereen, het water ook. Bioloog Garrett Hardin noemde het ooit The Tragedy of the Commons: de gemeenschappelijke weiden nodigen elke boer uit om er net één of twee koeien te veel op te laten grazen. Als iedereen dat doet, overgrazen we de wereld. En de kosten zijn voor het collectief.

Maar in kleiner verband schikken we in. Coöperatief gedrag werd gemeengoed, vermoeden evolutiebiologen, nadat het principe van ’altruïsme op afstand’ in onze aard werd gekerfd. Ik help jou vandaag, jij mij morgen, of het komt via een ander goed. Bij zo’n ondoorzichtige samenwerking lijken anonieme klaplopers juist hun slag te kunnen slaan. Dat hoeft niet, als in breder verband over die coöperatieve houding wordt gewaakt.

In die discussie steekt de psycholoog Robin Dunbar de vinger op: hij betoogt dat de jager-verzamelaars van weleer elkaar en mogelijke bedriegers al in het gareel hielden met roddels en praatjes. Coöperatief gedrag kon gedijen, zolang er maar voldoende informatie rondging over de reputatie van de groepsleden. Die collectieve waakhouding veronderstelt dat de waardering voor hulpvaardigen en verontwaardiging om profiteurs al heel vroeg in onze aard is gesleten.

De noodzaak van oudsher om het leven samen te klaren liet littekens achter in de emotionele outfit van de mens, besefte bioloog Robert Trivers. Schuld, dankbaarheid, agressie en sympathie, allemaal emoties die onze neiging ondersteunen om het spel toch maar eerlijk en rechtvaardig te spelen. Vandaar dat we, wetend dat we vandaag zeker niet gecontroleerd zullen worden, toch maar afstempelen in de metro.

Hoezeer de censuur op oneerlijk handelen naar binnen is geslagen, laten recente experimenten van speltheoretici zien. Het Ultimatum Game is illustratief: speler A krijgt een som geld en mag zelf bepalen hoeveel hij daarvan aan opponent B geeft. B heeft geen zeggenschap, maar kan het aanbod aanvaarden of weigeren. In het laatste geval hebben beiden niets. „B zal natuurlijk elk deel van de taart aanvaarden”, dachten economen, „beter iets dan niets”. Maar de emoties oordelen anders, ze spreken recht. Als je de tientallen studies bijeen veegt, blijkt dat speler A overal ter wereld ongeveer 40 procent van de taart afstaat. En dat ongeveer de helft van de ontvangers een bod van minder dan 30 procent afslaat.

Dan maar allebei niks, dan maar allebei straf. We stellen ons graag sociaal op, en juist daarom houden we ook voortdurend de roe in de hand. Straf was de drijvende kracht achter het altruïsme, stelde een internationale groep van antropologen juni vorig jaar in Science vast. Ze onderzochten de reacties van proefpersonen in 15 samenlevingen, verdeeld over vijf continenten.

De boosheid op de Fiji-eilanden om mensen die tijdens een handelsspel oneerlijk zaten te potten week niet af van die bij nomadische stammen in Kenia of loonarbeiders in Missouri. Tot in de verste uithoeken werd profiteren onuitstaanbaar gevonden. Overal in de mensenwereld ziet een onderbedeelde maar liever af van een te karig, te schunnig aanbod. Laten we fatsoenlijk en eerlijk samenwerken, desnoods tot in de loopgraven.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden