Review

SAFRANSKI

Rüdiger Safranski verwierf faam met zijn biografieën over Schopenhauer, E. T. A. Hoffmann en vooral Heidegger. Het zijn intellectuele biografieën, waarin het leven van de gebiografeerden wordt bezien vanuit de groei van hun werk en hun belangrijkste gedachten voorbeeldig uiteen worden gezet. Als biograaf kan een auteur zijn eigen opvattingen verscholen houden. Vorig jaar heeft Safranski (1945) echter Das Böse, oder Das Drama der Freiheit gepubliceerd, een boek waarin hij voor eigen rekening aan het werk is gegaan. Dat boek heeft bij mij een aantal vragen opgeroepen.

Das Böse gaat over het kwaad, in alle mogelijke gestalten. De bronnen waaruit Safranski put zijn veelvormig: verhalen uit de bijbel, theologen, vele filosofen, wetenschappers, literatoren, historische figuren. De ordening van het materiaal is quasi-associatief: zo volgt op een bespreking van Augustinus' leer van de kerk een uiteenzetting van Gehlens gedachten over instituties, en wordt De Sade opgevoerd als een soort dubbelganger van Kant. Zulke doorkijkjes, die zich vaak niets gelegen laten liggen aan een chronologische volgorde, maken het boek ongemeen rijk.

In een belangrijk opzicht wijkt het af van gangbare filosofische verhandelingen: Safranski bouwt zijn gedachten niet op vanuit een centrale probleemstelling, maar laat het aan de lezer over om zich een eigen weg te banen door het vele materiaal dat hem wordt geboden. Safranski laat de lezer ook in het ongewisse over de vraag waarom hij Das Böse eigenlijk heeft willen schrijven. Deze vraag klemt des te meer omdat er een thematische samenhang lijkt te bestaan tussen deze reflectie op het kwaad en de biografieën van Schopenhauer, Hoffmann en Heidegger.

Schopenhauer en Hoffmann hebben beiden de schaduwzijde van het menselijk bestaan belicht: in Hoffmanns vertellingen komen talrijke pathologische en perverse figuren tot leven, terwijl Schopenhauer in overigens prachtige woorden de peilloze ellende van het leven heeft geschilderd; Heidegger, door Safranski geassocieerd met de Meister aus Deutschland van Celans gedicht Todesfuge, is door zijn optreden tijdens het Hitler-regime een ietwat verdachte figuur geworden, die vasthield aan een amorele vorm van filosoferen en die zich nooit heeft willen verantwoorden voor zijn handel en wandel. Werd Safranski wellicht altijd al gefascineerd door het kwaad, en wilde hij zichzelf er nu rechtstreeks mee confronteren, nadat hij eerder de indirecte weg had bewandeld van biografieën?

Safranski, in Amsterdam voor de presentatie van de Nederlandse vertaling van Das Böse, erkent de samenhang tussen zijn diverse publicaties, en geeft aan waarom hij ditmaal heeft gekozen voor een uitdrukkelijke uiteenzetting van het kwaad.

“Toen de Muur was gevallen, heerste er korte tijd een algemeen optimisme: het tijdperk van de dictaturen was voorbij en de democratie had definitief gezegevierd. Lang heeft dat optimisme niet geduurd: burgeroorlogen, etnische zuiveringen en moordpartijen hebben ons uit onze droom geholpen, en deden de vraag opkomen of we niet een te rooskleurig beeld hebben gekoesterd van onszelf. De vrijheid leidt niet vanzelf tot het goede, maar kan juist een bondgenootschap aangaan met het kwaad. Op de ambivalentie van de vrijheid moeten we ons uitdrukkelijk bezinnen.”

Dat roept de vraag op of zo'n uitdrukkelijke bezinning op het kwaad inderdaad vruchten afwerpt. Bestaat er een grotere kans dat het kwaad te overwinnen valt wanneer we er uitvoerig aandacht aan schenken dan wanneer we eraan voorbijgaan? Waarom zouden we, bijvoorbeeld in de opvoeding, niet liever het goede voorbeeld geven van een fatsoenlijk leven dan in schrille tonen het kwaad aan de orde stellen?

Safranski voert twee verschillende argumenten aan voor een thematisering van het kwaad. Het geeft ten eerste blijk van eerlijkheid wanneer we de vele gedaanten onder ogen zien die het kwaad kan aannemen. Ten tweede vergroten we onze soevereiniteit wanneer we niet blind voorthollen, maar ons omkeren en lering trekken uit het verleden. De nazi's hadden hun misdadige praktijken zo georganiseerd dat het geweten van de daders ontlast werd: technische rationaliteit en arbeidsdeling maakten het kwaad in zekere zin banaal, waardoor niemand zich zorgen hoefde te maken over wat er eigenlijk aan de hand was.

“Zoiets zou ons opnieuw kunnen overkomen, wanneer sluipenderwijs onder de druk van de bevolkingstoename een eugenetische politiek haar intrede zou doen. In een tijd van globalisering en marktwerking kunnen we gemakkelijk het slachtoffer worden van zulke automatische processen, wanneer we ons niet herinneren hoe mensen zich in het verleden door figuren als Hitler op sleeptouw hebben laten nemen.”

Dat we lering kunnen trekken uit het morele kwaad dat in het verleden is geschied, verantwoordt Safranski's selectie uit zijn bronnen nog onvoldoende. In historisch opzicht is het boek zelfs zwak te noemen: het 'reële kwaad' dat erin voorkomt, beperkt zich welbeschouwd tot Auschwitz. Voor het overige passeren vooral talloze theorieën over en verbeeldingen van het kwaad de revue, waarbij Safranski zich verstout om te zeggen dat het kwaad niet het soort thema is waar we met een stelling of probleemstelling vat op krijgen.

En wat verstaat Safranski precies onder 'het kwaad'? In het boek vallen ten minste vier vormen van kwaad op te sporen, die niet zomaar onder één noemer te brengen zijn. Als kwaad wordt ten eerste aangemerkt dat mensen onvoltooide wezens zijn; ze vallen niet, zoals dieren, met zichzelf samen, maar moeten zichzelf worden in een proces waarvan de uitkomst ongewis is. Ten tweede overkomen de mens allerlei vormen van ellende, zoals ziekte, ouderdom, pijn en dood. Ten derde is er het kwaad in een morele zin, dat zich kan voordoen in de vorm van een afwijzing van afwijkende levensvormen, van veroveringsoorlogen en zelfs van een wens tot totale vernietiging. Ten vierde wijst Safranski vaak naar 'het verraad aan de transcendentie', dat optreedt wanneer mensen zich afsluiten van de open toekomst die noodzakelijk met hun bestaan verbonden is, en wanneer ze zich wijsmaken dat ze hun bestaan eigenmachtig kunnen funderen.

Maakt het veelzinnige begrip 'kwaad' het boek niet geheel oeverloos, zeker bij ontstentenis van een nauwkeurige probleemstelling? “De diverse soorten kwaad die erin voorkomen, hernemen welbeschouwd Leibniz' onderscheid tussen fysisch kwaad (de ellende die de mens overkomt), metafysisch kwaad (een onvoltooid wezen te zijn dat de ogen kan sluiten voor de eigen onvoltooidheid) en moreel kwaad (anderen schade berokkenen). Al dat kwaad behoort tot 'het drama van de vrijheid': zelfs het fysische kwaad overkomt de mens niet zoals dat bij dieren gebeurt, maar wij reageren en anticiperen er in vrijheid op.”

Bij wijze van voorbeeld wijst Safranski op de dood. Dat is een fysisch kwaad, dat ons als zodanig overkomt. Maar wij kunnen er op allerlei manieren op reageren: bijvoorbeeld ons einde moedig onder ogen zien, of onze doodsangst afwentelen door anderen te doden. Safranski heeft getracht het fysische, metafysische en morele kwaad te bezien vanuit het gezichtspunt van het 'drama van de vrijheid', zoals de ondertitel van zijn boek dan ook luidt.

Hoewel Safranski het doet voorkomen alsof zijn boek geen centrale stelling bevat, heb ik het vermoeden dat er wel één werkzaam is. Zij kan aldus geformuleerd worden: het verraad aan de transcendentie is de grond van het morele kwaad. Dat betekent bij Safranski niet dat alle ellende in de wereld voortkomt uit het feit dat de mensen hun (joods-christelijke) God ontrouw zijn geworden of iets dergelijks, al wijst Safranski er regelmatig op dat het geloof van de mens in zichzelf wellicht gemakkelijker viel op te brengen, toen men nog de omweg maakte via God.

“Bij het woord 'transcendentie' moet men niet denken aan een of ander wezen dat vanuit de hoogte de mens benadert, en voor wie deze zich kan afsluiten. De mens is zelf een wezen dat transcendeert: hij heeft steeds een open toekomst voor zich, bij het invullen waarvan hij uiteindelijk op zichzelf is aangewezen. Maar voor de contingentie (betekenisloosheid, toeval) die zijn bestaan doordringt, sluit de mens graag zijn ogen.”

De centrale stelling van Safranski is dus dat het 'morele' kwaad een reactie vormt op een 'metafysisch' kwaad. Waarom komt Safranski daar niet rond voor uit? En waarom heeft hij die stelling niet in de vorm van een expliciete these gegoten? Omdat een these geruststellend werkt, zegt Safranski; de lezer krijgt het aangename gevoel dat hij het allemaal doorheeft, terwijl Safranski er de voorkeur aan geeft de lezer in een jungle te laten ronddolen waarin hij zijn eigen spoor moet uitzetten.

Hij geeft nog een paar voorbeelden van manieren waarop mensen de transcendentie kunnen verraden. “Kijk naar Eichmann, die alle vensters gesloten hield behalve dat ene dat uitzicht gaf op de ordelijke loop van de treinen. Kijk naar ideologieën, die moreel perverse theorieën kunnen worden genoemd, doordat ze een gefixeerd mensbeeld verkondigen. Het verraad aan de transcendentie leidt tot een ééndimensionaal bestaan, waarin de mens zich opsluit in het bereikbare en overzichtelijke en waarin de contingentie wordt verdonkeremaand.”

Doet Safranski hiermee geen afbreuk aan de macht die het kwaad soms tentoonspreidt? Een figuur als Hitler kan toch bij uitstek beschouwd worden als iemand die geen enkel belang hechtte aan zijn toevallige existentie, maar haar overschreed in de richting van grootse en moorddadige waandenkbeelden? Ergens noemt Safranski Hitler de duistere variant van een godsdienststichter, en hij laat ook zien dat het absolute kwaad, dat geen enkel nuttig doel dient maar slechts wil vernietigen, een geheime band aangaat met de transcendentie van het goede.

Bij nader inzien acht Safranski het van belang om verschillende soorten van transcendentie te onderscheiden, iets wat hij in zijn boek inderdaad onvoldoende heeft gedaan.

“Er is een transcendentie 'in het licht', zoals dat bij Augustinus zichtbaar was, of zoals zij ook bij Levinas verwoord wordt: wie zich openstelt voor de ander en hem niet meer naar zijn eigen beeld formeert, stijgt boven zichzelf uit. Daarnaast is er ook een transcendentie 'in het duister', in twee verschillende vormen. Boeddhisten hebben geen godsgeloof, maar proberen op te gaan in het niets, hetgeen een heilzame weg is van transcendentie in het duister. Op een heel andere manier transcendeerde Hitler op het eind van zijn leven in het duister: toen al zijn plannen waren mislukt, wilde hij de hele beschaving vernietigen.”

Transcendentie is dus een ambivalente zaak. Safranski's boek laat dat onvoldoende duidelijk zien.

Volgens Safranski lijdt de mens aan het schandaal van de betekenisloosheid, van de contingentie. Sommigen zijn sterk genoeg om dat uit te houden. Zo wijst Safranski in zijn boek op Schopenhauer, volgens wie wij moeten leren om te leven zonder vertrouwen in de wereld, en op Freud, die een ethos der mondigheid aanhangt: de mens moet de moed opbrengen om volwassen te worden, ook wanneer dat leidt tot het smartelijke inzicht dat in heel het plan van de wereld en de natuur in het geluk van de mens eigenlijk niet is voorzien. De meesten kunnen die luciditeit niet opbrengen. Zo kan volgens Schelling een enkeling wel vooruitlopen op de rest der mensheid en op zijn eigen kompas varen, maar hebben de meeste mensen behoefte aan een openbaring.

Bevat Safranski's boek niet twee boodschappen, een voor een filosofische elite of voor moreel volwassen mensen, die de betekenisloosheid onder ogen durven te zien, en een andere voor het gewone volk, dat de betekenisloosheid een stuk gemakkelijker aanvaardt wanneer het gelooft in een transcendente God?

In zijn antwoord concentreert Safranski zich op de vraag of mensen als Schopenhauer en Freud inderdaad leefden zonder een basaal vertrouwen in de wereld, of ze in een volstrekte luciditeit de gedachte van de zinloosheid van alles doorstonden. Hij geeft toe dat hij in zijn boek die suggestie heeft gewekt, en wil dat nu corrigeren.

“Er bestaat een grens aan wat je als filosoof kunt thematiseren; je kunt niet al je standpunten expliciteren. Wie kan duidelijk maken waarom hij van zijn kinderen houdt? Dat heeft zijn keerzijde: mensen kunnen een samenhangende theorie opbouwen over de totale contingentie van het leven, terwijl ze toch worden geleid door een voor hen dus onverklaarbaar vertrouwen in de wereld. Het vertrouwen in de wereld van waaruit Schopenhauer en Freud ondanks zichzelf leefden, was immuun voor hun eigen ontmaskerende theorieën.”

In zijn boeken hanteert Safranski typerende woorden en zinswendingen. Zo spreekt hij graag over 'fabrieksgeheimen': het geheim van de natuur, van de geschiedenis, enzovoort. Hij zegt ook graag dat 'doen alsof' heilzaam kan zijn. Zo noemt hij Schopenhauers filosofie van het medelijden een filosofie van het 'alsof': in onze daden van solidariteit met anderen doen we alsof het leed principieel kan worden opgeheven. Aldus ook de allerlaatste zin van Das Böse: 'Indachtig het kwaad dat we kunnen doen en dat ons kan worden aangedaan, kunnen we altijd proberen te doen alsof een God of onze eigen natuur het goed met ons voorhad.'

Kunnen deze twee vormen van 'alsof' wel op een lijn worden geplaatst? Iedere Schopenhaueriaanse daad van solidariteit vermindert het leed althans enigszins, zodat het 'alsof' hier niet louter fictief is, maar een reëel effect heeft. Hoe kan echter het geloof alsof er een God is effect hebben, wanneer we tegelijk overtuigd blijven van de absolute contingentie?

“Daar moet ik even over nadenken. Bij nader inzien betekent de zinsnede dat we moeten 'doen alsof een God het goed met ons voorhad' niet dat we eerst een kosmologische speculatie moeten opzetten of Gods bestaan bewijzen, en dat we vervolgens in het licht daarvan vol vertrouwen de hand aan de ploeg slaan. Van de orde van de wereld kunnen we ons niet verzekeren door het stellen van intentionele daden. Het 'grote' (de orde van de wereld) gaat niet vooraf aan het 'kleine' (concrete goede daden); eerder is het omgekeerde het geval: wanneer we hier en nu moreel handelen, ontstaat er een horizon van zin, die ons ertoe kan aanzetten op de ingeslagen weg voort te gaan, hetgeen ons vertrouwen weer doet toenemen. Het aldus groeiende vertrouwen kunnen we in tweede instantie zo verwoorden dat het net is alsof een God of onze eigen natuur het goed met ons heeft bedoeld.”

Zo bestaat er toch een structurele overeenkomst tussen Schopenhauers filosofie van het medelijden en Safranski's benadering van 'God': wanneer we moreel juist handelen, ontkomen we er niet aan om erop te vertrouwen dat uiteindelijk alles goedkomt. Ook al weten we zeker dat het niet zo is.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden