Sachel,

(FOTO MARC VAN PRAAG)

De onbuigzame oude Jood Sachel uit het toneelstuk ’Ghetto’ van Herman Heijermans stuit ons, moderne, redelijke toeschouwers, natuurlijk tegen de borst. Maar misschien is er, aldus Ger Groot, meer verbondenheid met Sachel dan we denken.

Een aantrekkelijke jongen is verliefd op het dienstmeisje van zijn vader, zij is in verwachting. Ze willen dolgraag trouwen. Hun liefde zal alle barrières overwinnen.

En die zijn er vele. De vader wil er niet van horen en hij heeft het gelijk van traditie, stand en geloof aan zijn zijde. Het milieu waartoe de jongen behoort ziet zijn leden niet graag trouwen met een buitenstaander van een ander geloof. Het heeft al helemaal geen fiducie in moderne fratsen als vrije huwelijkskeuze, waarbij het oordeel van ouders en familie niet meer meetelt. Een passende bruid is voor de jongen snel gearrangeerd. Het zwangere dienstmeisje zal met wat geld worden afgekocht. Zo is het voor iedereen het beste.

Dit zijn niet de ingrediënten van een hedendaags immigrantendrama vol hoofddoekjes en koranverzen. Het is de kortst mogelijke samenvatting van het toneelstuk ’Ghetto’ dat Herman Heijermans meer dan honderd jaar geleden schreef. Vanaf donderdag wordt het opnieuw opgevoerd door het theatergezelschap Het Toneel Speelt, samen met Heijermans’ eenakter ’Ahasverus’ uit 1893.

Een ’burgerlijk treurspel in drie bedrijven’ noemde Heijermans zijn ’Ghetto’. Het werd na de première op Kerstavond 1898 een doorslaand succes. Helemaal zonder slag of stoot ging dat niet. Kort voor de première had de Amsterdamse opperrabbijn Dünner zich publiekelijk zorgen gemaakt over de teloorgang van het Joodse leven in Nederland. Was integratie wel zo’n goed idee? Zou de Joodse identiteit niet steeds verder verwateren? Misschien deden de Joden er beter aan zich terug te trekken in een eigen zuil.

Dünners pamflet deed de gemoederen zo hoog oplopen dat gevreesd werd voor relletjes bij de opvoering van Heijermans’ toneelstuk. Want daarin werd deze Joodse eenkennigheid rechtstreeks op de korrel genomen. Het verliefde paartje in het stuk zijn de Joodse Rafaël en de christelijke Rose; de dwarse vader is de blinde opkoper Sachel. En het gezag van religie en traditie wordt belichaamd door de rebbe Haëzer, die ervan overtuigd is dat ’wat niet eigen is, ook niet eigen wordt.’

Tegenover die bekrompenheid, waarin angstige mensen zich vastklampen aan het vertrouwde verleden, steekt de romance van Rafaël en Rose af als een belofte voor de toekomst. Zij zullen alle scheidsmuren slechten; hun liefde spreekt alleen nog van hart tot hart. Nooit meer zullen zij elkaar zien als stereotiepe vertegenwoordigers van de ’andere’ groep, die hen systematisch vernedert. Rose, omdat zij in Joodse ogen niet meer is dan een ’sjabbesmeid’. Rafaël, omdat hij de krenkingen die hij heeft moeten ondergaan niet eens meer tellen kan. Maar hij slikt zijn verbittering in en Rose belooft hem van haar kant nooit meer ’Jood’ te zullen noemen. Wie zij zijn, zijn ze alleen maar voor en dankzij elkaar.

Het kost geen moeite ons met Rose en Rafaël te identificeren. Instemmend knikken we bij hun hoop op een nieuwe tijd die korte metten zal maken met de ’leugens van ras en geloof’. Rafaël wil weg uit het zelfgeschapen getto dat zijn vader Sachel in stand wil houden: wég, samen met Rose. En zij wil alleen maar weten van hun liefde, die iedere tegenstelling in kussen smoort. Terwijl Rafaël de Verlichtingsidealist is die wij allemaal zo graag willen zijn, is zij de romantische idealiste – die wij óók willen zijn. Ook wij zouden graag leven in een wereld die zich naadloos plooit naar onze mooiste gevoelens, beste bedoelingen en verstandigste verwachtingen.

Zou dat de enige betekenis van ’Ghetto’ zijn, dan zouden we te maken hebben met een humanistisch drama waarin het goede weliswaar het onderspit delft, maar onze overtuigingen niet werkelijk worden geschokt. Integendeel: we weten dat we met onze sympathie voor Rose en Rafaël aan de goede kant staan en het historische gelijk aan onze zijde hebben. Tussen Joden en christenen mag het wantrouwen dan nog niet helemaal verdwenen zijn, iedereen spreekt intussen probleemloos over onze ’joods-christelijke’ cultuur alsof die twee van oudsher onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn geweest.

In dat opzicht heeft het ’burgerlijk treurspel’ van Heijermans op de lange duur dus helemaal niet zo tragisch uitgepakt. Wat in ’Ghetto’ tussen Joden en christenen nog muurvast lijkt te zitten, is ruim een eeuw later grotendeels opgelost in het tolerantie-ideaal van een Verlichte samenleving. Godsdienst en traditie mogen daarin dan nog altijd hun rol spelen, tot dramatische confrontaties leiden ze nauwelijks meer. Het ideaal van Rafaël en Rose lijkt een eeuw na dato bijna bereikt.

Wel lopen er in de samenleving intussen andere grenslijnen: niet meer tussen Joden en christenen maar tussen moslims en de Europese cultuur. Met verhanging van de bordjes blijkt er plotseling niets veranderd te zijn. Opnieuw steekt de dwang van de traditie de kop op, wil de ouderlijke zeggingsmacht onaantastbaar zijn, worden huwelijken gearrangeerd en dreigen uitstoting en eerwraak voor wie zich niet naar deze normen plooit. De geschiedenis van Rose en Rafaël is het verhaal van menige multiculturele liefde vandaag – en ook dat loopt soms op een drama uit.

Zo heeft de geschiedenis ’Ghetto’ een tweede betekenis gegeven. Niet voor niets wordt de rol van Rafaël in de nieuwe productie van het stuk gespeeld door een Nederlander van Marokkaanse afkomst. Maar om dezelfde reden biedt het treurspel ook hoop. Wat ooit tussen Joden en christenen is goed gekomen, zal dat vermoedelijk ook tussen moslims en westerlingen wel doen. In de praktijk blijkt het leven van lief en leed nu eenmaal sterker dan het religieuze dogma of het maatschappelijke taboe. Kon Heijermans alleen nog maar hopen, wij hebben gronden voor onze hoop.

Toch is dit niet de hele waarheid. Want die tolerantie en dat begrip zijn de wrange vruchten van een van de grootste misdaden van de twintigste eeuw. Ze wortelen in de schuld die Europa tegenover de Joden leerde voelen. Tussen ’Ghetto’ en nu zitten de Tweede Wereldoorlog en de Endlösung. Pas door de onmetelijkheid van haar misdaad kon Europa de Joden zien als de slachtoffers van haar eeuwenoude haat.

Ironisch genoeg heeft de pijnlijke geschiedenis tussen Joden en christenen haar voorlopige happy ending dus slechts bereikt dankzij een verschrikkelijke catastrofe. Dat maakt haar alsnog tragischer dan Heijermans ooit had kunnen denken. De godsvrede tussen beide groepen berust op een stilzwijgend complex van schaamte en wrok. De historie is nog lang niet aan haar einde. Verzoend zijn Joden en christenen hoogstens als modus vivendi.

En dat betekent ook dat het verleden nooit helemaal vergeten kan worden, zoals Rafaël en Rose zo graag zouden willen. Ook wij blijven verbonden met onze afkomst, die ons gemaakt heeft tot wat wij zijn. Het is een illusie die te willen afwerpen als een oude jas, omdat voortaan liefde en onze idealen ons enige richtsnoer zullen zijn. Rafaël heeft daar al een vermoeden van. „Houen van is niet genoeg”, zegt hij waarschuwend tegen Rose die te veel op de liefde vertrouwt. Maar zelf vergeet hij dat het evenmin voldoende is te roepen ’Ik die geen Jood meer ben’ om zich helemaal uit zijn traditie te kunnen losmaken.

Zo draait de tragedie nog eenmaal om haar as en zijn tenslotte de jonge gelieven niet meer het middelpunt. Alle licht valt uiteindelijk op Sachel, de aanstootgevendste figuur in dit toneelstuk. Niet alleen omdat in hem oude Joodse stereotypen onbekommerd in ere worden hersteld (hij lijkt gemodelleerd naar Shakespeares Shylock), maar vooral omdat zijn onbuigzaamheid ons moderne gevoel voor redelijkheid zo pijnlijk schokt.

Sachel wil daarvoor niet wijken. Hij is dogmatisch, eenkennig en op het ziekelijke af wantrouwend. Hij ziet alleen maar vijanden in een wereld waar slechts overleeft wie gewiekst en gewetenloos is. „Je mot ’n roofdier wezen... Anders trappen ze je d’r onder”, houdt hij Rafaël voor. En zijn wapen is het geld: ook daarin is hij een echte Shylock. Daarmee weet hij zich staande te houden in een wereld die hem anders met huid en haar zal verslinden.

Willen we Sachel begrijpen, dan moeten we onszelf geweld aandoen – want zijn achterdocht is niet eens gesteld op ons begrip. Hij wil met rust worden gelaten om te kunnen zijn wie hij is, en te zien hoe zijn zoon datgene zal voortzetten waaruit hij ooit zelf ontsproten is. Dat is voor hem de betekenis van de traditie, die belangrijker geworden is naarmate de wereld hem minder een ’thuis’ wilde bieden. Wie niet welkom is, moet voor zichzelf een beschut oord creëren, waar hij op eigen voorwaarden kan overleven.

Wat Sachel zich herinnert, is wat Heijermans vijf jaar vóór Ghetto had laten zien in zijn eenakter ’Ahasverus’, die speelt op het Russische platteland ten tijde van de grote pogroms. Veel Joden laten zich er in arren moede dopen om aan het geweld te ontkomen, maar de onverzettelijke Karalyk blijft weigeren, zelfs nadat hij zijn eigen vader op gruwelijke wijze vermoord heeft zien worden. Maar wanneer ook zijn eigen zoon voor de christenen is gezwicht, kan hij niet anders dan het onmogelijke doen. Hij vervloekt zijn zoon, het liefste wat hij op aarde heeft.

In de voorstelling van Het Toneel Speelt vormt ’Ahasverus’ de opmaat voor ’Ghetto’ en daarmee wordt de toon gezet. Alles wat de Nederlandse Jood Sachel doet, wortelt in wat de Russische Jood Karalyk overkomen is, zo beseft de toeschouwer. En dan kan hij niet anders dan zich inleven in Sachels motieven, al staan die hem tot in het diepst van zijn hart tegen. Want de geschiedenis laat zich niet loochenen.

Dan begint het voor ons als toeschouwers te schuren, want iemand begrijpen wiens daden wij verafschuwen, drukt ons met de neus op onaangename waarheden – die misschien ook wel de onze zijn. Zo gaat het immers met alle tragische figuren uit de toneelliteratuur. Helemaal deugen doen ze geen van allen, of ze nu Oedipus, Antigone, Kreon, Orestes, Elektra of Medea heten. Maar volledig verwerpen kunnen wij hen ook niet. In wat zij fout doen, herkennen we de misstappen die wij zelf zouden kunnen begaan, maar waarvoor het lot ons tot nu toe welwillend heeft behoed. En in het gelijk dat zij óók altijd een beetje hebben, zien we de dubbelzinnigheid van het leven waarin wit plotseling zwart kan worden, al was het maar vanwege een futiele toevalligheid.

Dat geldt ook voor Sachel en zijn gelijk – voor zover hij dat heeft. In de enscenering van Het Toneel Speelt ontkomen we er niet aan daarnaar te zoeken. Op dat moment krijgt Sachel – misschien boven de bedoelingen van Heijermans uit – de trekken van een klassieke held en wordt het stuk voor onze moderne redelijkheid pas werkelijk een schandaal. In Sachel moeten we datgene onder ogen zien waar het optimisme van Rose en Rafaël en onze eigen moderne opgewektheid te gemakkelijk overheen zien. Het leert ons dat niet alles flexibel en handzaam te maken is, dat sommige dingen niet vergeten kunnen worden en dat redelijkheid niet alles vermag.

Is het de godsdienst – zo vaak aangewezen als de bron van alle kwaad – die Sachel gemaakt heeft tot wie hij is? Alleen een oppervlakkige toeschouwer zou dat kunnen denken. Want eigenlijk doet de religie, als een reeks absolute waarheden, er voor Sachel niet zo heel veel toe. Ze is louter op rituele wijze aanwezig: als een verzameling gewoonten en gebruiken die het leven versieren en vorm geven – theologie of zelfs ’Gods wil’ komen niet ter sprake. Godsdienst is een levensvorm, geen doctrine.

Maar daarmee drukt hij wel de kern van het leven uit, die ligt in de herinnering aan het verleden waarin ieders wezen geworteld is. Wie dat loochent, valt uit het bestaan en wordt stuurloos, want verliest zijn identiteit.

Net als Karalyk kan Sachel zich alleen staande houden door vast te houden aan wat hem van de wereld om hem heen onderscheidt: zijn Joodse ’ik’ waarin godsdienst, leven en verleden naadloos ineenvloeien. Tezamen vertegenwoordigen zij iets dat nu eenmaal is zoals het is. Dat laat zich niet zomaar veranderen, omdat dan alles absurd zou worden – in de eerste plaats het doorstane leed uit het verleden. De doop van Karalyks zoon en het huwelijk van Rafaël maken met terugwerkende kracht alle offers en volharding van de voorgaande generaties zinloos.

Niet dat Sachel niets te verwijten valt. Hij is zozeer in zijn gelijk versteend dat hij de bewerker wordt van de ergste catastrofe – en hij doet dat, als een typische tragische held, juist op grond van wat hij zelf voor zijn onbetwistbare deugdzaamheid houdt. Heeft hij als Jood immers geen gelijk wanneer hij de wereld wantrouwt en slechts heil verwacht van het eigene? Dreigt hij niet ten onder te gaan wanneer hij daar vanaf zou stappen – en vreest hij, met alle liefde die in hem is, niet hetzelfde voor zijn zoon?

Ja, dat is zo. Maar zoals alle tragische helden weet hij daarin geen maat te houden. Daarom verliest hij wat hem het dierbaarste is: de achting en de liefde van zijn zoon. Als mens faalt hij, maar hij is méér dan alleen een feilbaar individu. Sachel belichaamt een menselijke werkelijkheid die zich niet manipuleren laat. In hem stoot elke goede wil op een onwrikbare kern van verzet, die zich niet zomaar laat wegmasseren. Hij staat voor de grens van wat wij vermogen, ten opzichte van de wereld en ten opzichte van onszelf. Dat is de bittere waarheid die ook Rafaël uiteindelijk niet kan accepteren.

Dergelijke onverzettelijkheid is niet te flexibiliseren. Je zou dat het religieuze restbestand van de moderne tijd kunnen noemen, als we ’religie’ opvatten als de kern van wat zich tegen elke manipuleerbaarheid verzet: het gewicht van het verleden, de onontkoombaarheid van wat wij zijn. Onbegrijpelijk en onhandelbaar is het; het valt niet weg te redeneren en ligt ons daarom altijd een beetje als een steen op de maag. Eigenlijk zou het niet zo moeten zijn – zo vinden wij, modernen – maar uiteindelijk kunnen ook wij ons er niet aan onttrekken, op straffe van het verlies van ons diepste zelf.

Niets is gemakkelijker dan de tragische held te beschimpen om zijn kortzichtigheid. We keren ons af van Sachel, zoals we ons vandaag de dag vol afschuw afkeren van vaders (en moeders) die over hun kinderen een primitieve eerwraak menen te moeten voltrekken. En natuurlijk hebben wij daar gelijk in. Wat daar gebeurt is onmenselijk. Maar onmenselijk zijn ook wij, wanneer we in die vaders en moeders het hartverscheurend verdriet niet zien waarin zij zich verplicht voelen tot zo’n stap – hoe verkeerd die ook moge zijn. Veeleer putten wij ons uit in onbarmhartigheid, opdat onze veroordeling maar scherp genoeg klinkt en ons eigen verlichte denken eens te meer buiten kijf komt te staan.

Er was, bijna honderd jaar geleden, een toneelspeler als Louis Bouwmeester voor nodig om het verdriet van Shylock bij zijn publiek te doen aankomen: de enige tragische figuur in een komedie die – op zijn kosten – vrolijk kon eindigen. Die uitweg heeft Heijermans niet gekozen. Zijn stuk is een treurspel en pas in de loop van de tijd kon duidelijk worden wie de echte tragische held is.

Pas door ons, dwars door onze weerzin heen, met Sachel te vereenzelvigen, begrijpen wij de verschrikkelijke pijn van de man die zijn eigen tragedie bewerkt. En begrijpen wij misschien de kortzichtigheid in onszelf, wanneer wij te snel denken wij dat achterlijke stadium al lang achter ons hebben gelaten. Want wie zich er niet meer van bewust is hoeveel er van zijn eígen verleden in hem rust, zal daaraan zelf ten offer vallen. Sachel zijn wij, wanneer het erop aan komt, allemaal.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden