's Zondags daverde 's mans donderstem

“Op ingestuurde preken zou in de zeventiende eeuw geen enkele kerkenraad hebben durven afgaan; die boden geen garantie dat de man in staat was alle hoeken van het kerkgebouw te bereiken. Dat was typerend voor een protestantse kerkdienst: een prekende dominee, die het hele gebouw vulde met zijn stemgeluid. Enkel brullen en schreeuwen, vonden de paters.” De historicus A. Th. van Deursen over de geschiedenis van de preek.

Waarom de predikers dat vonden is krachtig uitgesproken door de Engelse puritein John Preston (1587-1628): “Geen preek die gehoord wordt, of ze brengt ons dichter bij de hemel of bij de hel”. Eigenlijk moet je deze woorden in het Engels laten staan, zoals Preston het zelf schreef: “There is not a sermon which is heard, but it sets us nearer heaven or hell”. Dát is preken zoals de puriteinen het zagen.

De prediker wijst de hoorders hun eeuwige bestemming aan. Wat hij te zeggen heeft raakt niet alleen die zeventig of tachtig jaar van hun aards bestaan, maar gaat wezenlijk om de oneindigheid die daarachter ligt. Zal het eeuwige vreugde zijn of eeuwige smart? Als dat de inzet van de prediking is, valt er niet veel te discussiëren over de vraag of preken wel echt belangrijk zijn - of je niet zou moeten zoeken naar andere vormen voor de eredienst, naar meer kleur en afwisseling in de liturgie. De prediker staat op de stoel als Mozes tegenover het volk Israël: “Het leven en de dood stel ik u voor, de zegen en de vloek. Kiest dan het leven, opdat gij leeft, gij en uw nageslacht”.

Met die boodschap hebben de puriteinen door de eeuwen heen op de kansels gestaan, van Perkins(1558-1602) en Preston tot hun twintigste-eeuwse nazaten Martyn Lloyd-Jones en James Packer. De pretentie waarmee zij de preekstoel beklommen hebben, kan van overmoed getuigen - om niet te zeggen van hoogmoed. Welk recht heeft zo'n man mij te verzekeren dat ik op weg ben naar de hemel of naar de hel? De puritein zal antwoorden dat hij op zo'n bevoegdheid ook geen enkele aanspraak maakt. Hij is niet beter dan zijn toehoorders, en hij wil niet afhankelijk zijn van eigen welsprekendheid en theologishe kennis. Hij deelt slechts uit wat hij heeft ontvangen. Hij brengt niet zijn eigen woord, maar het Woord Gods.

Dat vonden de zeventiende-eeuwse puriteinen, en dat vinden nu nog hun geestelijke erfgenamen. Je kunt een schema voor je preek opstellen, zei Lloyd-Jones, je kunt haar ook helemaal uitschrijven, maar als je eenmaal aan het preken bent, kun je niet voorspellen wat er zal gebeuren. Want als je het Woord Gods verkondigt, weet je niet waar de Geest Gods je heen zal drijven. De prediker voert niet de regie. Hij is een werktuig in de hand van zijn Meester.

Dat verklaart iets van de verwarring die rondom het preekconcours van deze krant is ontstaan. Preken in de klassieke zin - zoals de puriteinen het verstonden, en zoals de reformatie het al was begonnen - kan onmogelijk een onderlinge wedijver zijn. Het is alsof je Ezechiël zou aanvuren eens te tonen dat hij een beter profeet was dan Jeremia. Je kunt die twee natuurlijk wel op allerlei punten met elkaar vergelijken: gebruik van stijlmiddelen, woordenschat, lievelingsbeelden en kenmerkende vergelijkingen.

Of de profeten zelf daaraan zouden hebben meegewerkt, is geen vraag, noch voor de profeten, noch voor de puriteinen, noch voor hun Nederlandse geloofsgenoten in de zeventiende eeuw. Een preekcompetitie lag buiten hun voorstellingsvermogen. Rederijkers konden zulke wedstrijden houden, maar de ernst en de waardigheid van het predikambt vroegen een andere inzet dan de ambitie en rivaliteit van een sportieve krachtmeting. Preken doe je niet om te laten zien dat je het beter kunt dan je ambtsbroeders. Het is niet jouw kunst of kunde - wie preekt, zegt de zeventiende-eeuwer, laat de gave horen die hij ontvangen heeft. Dat is iets anders dan door eigen inspanning verworven kwaliteit.

Het is allemaal waar, en toch niet de volle waarheid. Preken mag duizendmaal een gave zijn, predikanten werden voortdurend met elkaar vergeleken. De wijze waarop de kerk in de Nederlandse Republiek georganiseerd was, bracht dat onvermijdelijk met zich mee. Dominees werden niet van bovenaf in een gemeente neergezet door een bisschop of een centraal kerkbestuur. Het was altijd de plaatselijke kerkenraad, die het initiatief nam. Uit de grote voorraad dienstdoende predikanten en kandidaten in de theologie moest er één beroepen worden. Dat kon niet anders dan door middel van vergelijking.

Zo vonden er jaarlijks tientallen kleine competities plaats. Soms wisten de betrokkenen heel goed waar ze aan toe waren. Een dorp kon in geval van een predikantsvacature bij voorbeeld een proponent (beroepbaar predikant) uitnodigen eens op beroep te komen preken, en een grote stad kon zich hetzelfde wel veroorloven met een plattelandsdominee. Wie zo'n uitnodiging aanvaardde, meldde zich in feite aan als sollicitant en toonde zich bereid met anderen in de slag te gaan. In andere gevallen werden de concurrenten zich van hun deelname aan een wedstrijd pas bewust als ze 's zondags bij het begin van de dienst de vreemde bezoekers opmerkten, die de gaven van de plaatselijke predikant eens wilden horen.

Waar plachten kerkenraden eigenlijk op te letten, als ze de beste kandidaat moesten uitkiezen? Er was één voorwaarde waaraan iedereen die in de race wilde blijven, beslist moest voldoen. Kanshebbers dienden te beschikken over een krachtige, heldere stem. Op ingestuurde preken zou toen geen enkele kerkenraad hebben durven afgaan; die boden geen garantie dat de man in staat was alle hoeken van het kerkgebouw te bereiken. We begrijpen nu waarom preken een gave genoemd kon worden. Wie te zwak van stem was, zou het als dominee nooit ver brengen. Lofdichten op gevierde stadspredikanten hebben altijd wel iets waarderends te zeggen over 's mans donderstem, of vertellen ons dat het kerkgebouw zondag aan zondag daverde van zijn preken.

Dat was typerend voor een protestantse kerkdienst: een prekende dominee, die het hele gebouw vulde met zijn stemgeluid. Voor ons gewoon, voor zeventiende-eeuwers nog nieuw genoeg om het aparte van deze vorm te ervaren. Wie Vondels hekeldichten leest, komt heel wat Amsterdamse dominees tegen: Smout (1579-1646), Trigland (1583-1654), Badius (1594-1664)... Vondel moest niet veel hebben van de calvinisten, en gaf in zijn spotdichten op de predikanten een volledige catalogus van hun ondeugden. Dan gispt hij gewoonlijk ook hun bulderstemmen. Hij hekelt dus precies die eigenschap, die de trouwe aanhangers het meeste prezen. Meende Vondel, dat zo'n harde, overal weerklinkende stem tekortdeed aan de ingetogenheid en wijding van de eredienst? De zeventiende eeuwse Antwerpse pater Gouda zei dat de calvinistenvrouwtjes elke dominee goed vonden, als hij maar een stem als een klok had. Ook in zo'n oordeel is spot te beluisteren met een vorm van godsdienstoefening die bijna geheel afhankelijk is van het geluidsvolume van de prediker. Voor deze pater zal het enkel brullen en schreeuwen zijn geweest.

Maar hoe belangrijk de stem ook was, bij gelijkheid van orale gaven kwam het toch op de inhoud aan. De prediker die de oren bereikte, moest weten te spreken tot het hoofd en tot het hart van zijn hoorders. Als we voor de preek het ouderwetse woord 'leerrede' gebruiken, kunnen we vooral denken aan dat hoofd, dat wijzer moest worden van wat het hoorde.

Een zwaar accent dus op de exegese? Neen, die indruk geven deze preken ons niet. De zeventiende-eeuwers zagen de bijbel niet - zoals tegenwoordig gebruikelijk is - als een verzameling oude boeken, geschreven in een andere tijd met een ons vreemd geworden cultuur. Integendeel, de historische verschillen lijken voor de zeventiende-eeuwers nauwelijks te heben bestaan. De volle nadruk lag op de eenheid van de Schrift. Wat de bijbel de mensen te zeggen had, was systematisch geordend in de gereformeerde dogmatiek, en het leerelement in de preek was veeleer dogmatisch dan exegetisch. Elke tekst paste in de dogmatische orde, en bevestigde de eenheid van de Schrift.

Dat is de visie van de dominees zelf. Wat de luisteraars hiervan vonden is moeilijker te achterhalen. Als kerkenraden beraadslaagden over het beroep van een nieuwe predikant, gingen ze zelden in op de leerstellige aspecten van de prediking. Wel vernemen we nu en dan vanuit de gemeenten reacties op de dogmatische inhoud van de preken, en die wijzen doorgaans in eenzelfde richting. Gemeenteleden stonden wantrouwend tegenover alle 'nieuwigheden'. Ze wilden het liefst bevestigd worden in de leer die hun altijd was bijgebracht. Van preken die zichzelf herhaalden hadden de gemeenten een afkeer. Maar dat onderdelen van vorige preken herhaald werden, schijnt nauwelijks gestoord te hebben.

Misschien kwam dat doordat juist voor de gewone toehoorders het leerelement slechts een nuttige bijzaak was. De kracht van de prediking moest vooral blijken uit de mate waarin zij tot de harten sprak. Een enkele spreker wist de emoties zo sterk te raken, dat de droefheid hoorbaar werd in luid snikken en zuchten. Zo wordt ons verteld van Balthazar Lydius (1576-1629) in Dordrecht. Hij was een uitzondering inzoverre bij hem de reacties hoorbaar waren, maar dat een preek moest ontroeren was de algemene overtuiging. De Amsterdamse burgemeester C.P. Hooft (1547-1626), de vader van de dichter, bepaald geen vriend van de calvinisten, verlangde van een preek, dat die de toehoorders het water uit de ogen deed vloeien.

Hooft en Lydius leefden in het eerste kwart van de zeventiende eeuw. Voor die periode is het nog mogelijk in algemene termen te spreken over de preek, want fundamentele verschillen tussen onderscheidene preekmethoden waren er nog niet. Bij het verstrijken van de tijd is dat anders geworden.

In de loop van de zeventiende eeuw kunnen we twee belangrijke veranderingen waarnemen. De ene is dat verscheidenheid van richting gaat optreden. De namen van de theologen Gijsbertus Voetius (1589-1676) en Johannes Coccejus (1603-1669) zijn verbonden aan de tweedeling.

Het is lang geleden dat de scholen iets over deze beide geleerden vertelden, en vooral Coccejus is daardoor gedaald naar de status van onbekende Nederlander. In de zeventiende eeuw was hij een middelpunt van partijvorming, en al kunnen we ons nu in de fijnheden van zijn theologie niet meer verdiepen, de figuur van Coccejus heeft voor ons direct belang.

Coccejanen ontwikkelden namelijk een eigen manier van preken. Exegese kreeg de overhand boven dogmatiek. Bij velen ging ze de preek zo sterk beheersen, dat het practische element er nauwelijks meer aan te pas kwam. De typisch coccejaanse preek was een echte leerrede, origineler dan het voordien gangbare dogmatische vertoog, zodat ze directer sprak tot de hoofden. Maar de harten bleven onverzadigd. Voetianen hielden aan de traditionele methode vast. Maar die liep het risico te verzanden in droge dogmatiek, die het gemoed van de hoorders onverschillig zou laten.

Dat gevaar was al eerder onderkend. De reformatie had een nieuwe leer gebracht. De gereformeerde predikers moesten zorgen dat die ingang zou vinden bij het volk, en daarom in hun preken veel aandacht besteden aan de verschillen tussen oud en nieuw, Rome en reformatie. Dat had de nieuwe kerk nodig om haar identiteit te vestigen. Maar een kerk moet altijd meer zijn dan een leerinstituut, anders brengt ze de mensen alleen dode kennis bij. Het gaat om de vernieuwing van het hart, om droefheid en berouw over de zonde, om de bekering.

In het begin van de zeventiende eeuw kwam een beweging op, die bekendheid zou krijgen onder de naam 'Nadere Reformatie'. De nieuwe leer zou nu ook moeten leiden tot vernieuwing van het leven. De Nadere Reformatie heeft grote predikers gevormd. Namen als Willem Teellinck (1579-1629) en Jodocus van Lodenstein (1620-1677) hebben onder hun geestelijke nazaten bekendheid behouden tot in onze tijd. In de zeventiende eeuw accentueerden zij de verschillen in preekmethode, die sindsdien niet meer zijn verdwenen. De geschiedenis van de prediking ging haar eenvoud en overzichtelijkheid verliezen. De gemeenten konden zich aan die veranderingen niet onttrekken. Moest er een dominee beroepen worden, dan ging dat nog altijd in de oude vorm van een kleine competitie. Maar de deelname werd beperkt tot predikanten of kandidaten van de gewenste richting. In grote steden konden die elkaar wel eens afwisselen. Amsterdam en Groningen kenden bij voorbeeld zo'n regeling. Was een coccejaan aan de beurt, dan mocht onder geen voorwaarde een voetiaan beroepen worden, en omgekeerd.

Wedstrijden van voetianen tegen coccejanen vonden niet plaats. Gemeenteleden, die hun posities duidelijk bepaald hadden, zouden het altijd bij de eigen richting zoeken. De publieke faam van de prediker legde voor hen geen gewicht in de schaal, als de man van de verkeerde partij was. De voetiaan Bernard Smytegelt (1665-1739) maakte het in Middelburg wel mee, dat kerkgangers het gebouw verlieten, als hij tegen hun verwachtingen in de kansel besteeg. Ze waren voor een ander gekomen, en wanneer bleek dat er een onaangekondigde ruil had plaats gevonden, vonden ze het niet de moeite waard ook maar een minuut langer te blijven.

Een betere preek dan van Smytegelt hadden ze van die ander waarschijnlijk niet te horen gekregen. Een van de, destijds zeldzame, objectieve beoordelaars, de Zeeuw Pieter de la Rue (1695-1770), die zijn hart niet aan Smytegelt verpand had, oordeelde zo: “Als welsprekendheid hierin bestaat, dat de toehoorders doorlopend in gespannen aandacht worden gehouden, dan heb ik nooit een beter predikant gekend dan Bernard Smytegelt”.

Kan dit een reden zijn aan de winnaar van het preekconcours straks een 'Smytegelt-trofee' uit te reiken? De betiteling zou iets willekeurigs houden, want er zijn meer befaamde predikers geweest. Denk alleen maar aan de nationale feestredenaars in de negentiende eeuw J.H. van der Palm en Abraham des Amorie van der Hoeven, of onder de gereformeerden niet slechts aan Abraham Kuyper, maar zeker ook aan Hendrik Hoekstra (1852-1915), wiens vele bundels het vertrouwen van de preeklezende ouderling zelden beschaamden. Al deze mannen zijn met elkaar te vergelijken in de techniek. Zo'n wedstrijd tussen de groten van alle eeuwen zou zeker zo spannend zijn als de krachtmeting tussen de vijf genomineerden van mevrouw Schmitz en de overige juryleden. Ze zal ook even zinvol zijn.

De zin gaat precies zover als de vergelijkingen strekken. We letten op logische opbouw, beeldend vermogen, kracht van argumentatie, omvang van woordenschat en andere kenmerken die de kwaliteit van de preek als redevoering moet hebben. Maar de eigenlijke vraag luidt toch: is het werkelijk een preek, die we hier horen? Wie dat ervaart bij het lezen van Kuyper blijft koud bij het oratorisch vuur van Van der Palm. Wie zich gesticht voelt door Des Amorie van der Hoeven zal nog altijd de neiging hebben de kerk uit te lopen als Smytegelt onverwacht de preekstoel beklimt.

Door de prediking, zegt de Heidelberger catechismus, wordt het hemelrijk ontsloten en toegesloten. Wie dat onderschrijft is terug bij de puriteinen. Preken voor een prijs zal hem smakeloos en doelloos schijnen. Wie vindt dat zo'n uitspraak niet meer van deze tijd is, kan zich misschien ook voor een wedstrijd inschrijven. Het begrip prediking heeft hij dan radicaal van inhoud veranderd.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden