'S WERELDS GROOTSTE HOUTEXPORTEUR WORDT ZENUWACHTIG

Canada, 's werelds grootste houtexporteur, heeft de zenuwen. Rijkaards willen een tweede huis aan een meer-met-bos, dagjesmensen willen door bossen dwalen, jagers willen wild, vissers willen vis en schoon water. En de milieubeweging wil dat allemaal ook. De kritiek op de clearcuts, het kaalkappen van honderden hectaren bos tegelijk, neemt toe. We doen 't zo slecht nog niet, zegt de regering. Maar het radicale deel van de milieubeweging pikt het niet langer.

KOOS SCHWARTZ

Vijftig meter lager staat een voertuig dat niet zou misstaan in een sciencefiction stripverhaal met apocalyptische afloop. Enorme rupsbanden ploegen door wat een uur eerder nog bos was. De machine verzamelt de bomen en vervoert ze naar een andere machine die de bomen met veel geraas van takken ontdoet en de stammen in grote stukken zaagt. Zou de hel er zo uitzien? Grijze lucht, modderige bodem, overal dode takken. Een paar wankele, witte berkjes die de naaldboomkappers niet gebruiken, blijven op het 200 hectare grote slagveld staan. Het maakt het beeld nog luguberder. Montmorency, 75 kilometer ten noorden van Quebec. Duurzaam bosbeheer?

De Canadese bosbouw heeft de zenuwen. De kritiek op de clearcuts, het kaalkappen van soms honderden hectaren bos tegelijk, neemt toe. Het in 1987 verschenen rapport van de VN-commissie-Brundtland over de noodzaak van een ecologisch verantwoorde economische groei en het vorig jaar in Rio de Janeiro ondertekende VN-verdrag over de bescherming van diersoorten hebben de kritiek verder aangewakkerd. Hoe moet het met de kariboe, de eland, de beer en de zalm als honderden hectaren van hun leefgebied worden gekapt of natuurlijk bos wordt vervangen door plantages met een of twee soorten bomen?

Ook uit het buitenland komt druk. In het jaar 2000 willen rijke landen alleen tropisch hardhout importeren uit landen die fatsoenlijk met hun bossen omgaan. Maleisie, Indonesie en Brazilie willen aan die eis voldoen maar eisen op hun beurt dat de niet-tropische landen ook duurzaam met hun bossen omspringen. En dan zijn er de klanten uit de rijke landen. “Consumenten”, zegt Jan Nico van der Stadt, gepensioneerd houthandelaar en tegenwoordig actief in het internationale houtwereldje, “willen tropisch hout dat op milieuvriendelijke wijze is geproduceerd. Die wens slaat onvermijdelijk over op het niet-tropische hout. Wie in de toekomst planken wil uitvoeren, moet fatsoenlijk met zijn bos omgaan.”

Canada, 's werelds grootste exporteur van houtprodukten en 's werelds voornaamste leverancier van krantepapier, voelt de druk en doet het lichtkens in de broek. Het land heeft veel te verliezen. Van de honderd Canadezen met een baan werken er acht a tien in de bosbouw. Niet voor niets worden burgers tegenwoordig betrokken bij de besluitvorming over clearcuts. En niet voor niets trekt Canada miljoenen dollars uit om het imago van de bosbouw te verbeteren. Vooral Duitsers en Hollanders zijn gewilde gasten. Want als die beginnen over het milieu, dan volgen er meer.

De Canadese regering vecht terug. Met cijfers, argumenten en met een serie veranderingen die zich de afgelopen jaren in de bosbouw hebben voltrokken. Canada beschikt volgens officiele (doch niet geheel onomstreden) cijfers over een gigantische hoeveelheid bos. Het land is 267 keer zo groot als Nederland; ruim veertig procent is bos. Iets meer dan de helft is bestempeld als commercial forest; bijna de helft daarvan (120 miljoen hectare, dertig Nederlanden) wordt daadwerkelijk gebruikt. Tien procent (Frankrijk) wordt beschermd.

Gekapt wordt er ook. Vorig jaar ging er ruim een miljoen hectare (grofweg een derde Nederland) tegen de vlakte. Vooral de laatste jaren is de kap sterk toegenomen; ondanks het feit dat Canada nu veel oud papier gebruikt bij de fabricage van nieuw papier. Maar de houtkap is niet de enige factor die knaagt aan de bossen. Ziektes, insecten en branden eisen samen een hogere tol. Van de 100 bomen die jaarlijks sterven, vinden er 43,5 hun einde door de zaag of de moderne equivalent daarvan; 21,5 worden getroffen door ziektes of insecten zoals de gevreesde spruce budworm en 35 door brand. Vooral in het onherbergzame noorden kunnen branden geweldige gaten slaan in het landschap.

Dan de argumenten. Kappen betekent niet het einde van het bos. Het gros van het bos komt gewoon terug. Waar het niet terugkomt, helpt de mens: door zaden te strooien of gekweekte boompjes te planten. Jaarlijks komen er meer bomen bij dan er door kap verdwijnen. Van uitroeiing is dus geen sprake. Van veel erosie ook niet: de vruchtbare laag wordt meestal goed vastgehouden. Clearcuts zijn moeilijk te vermijden, zo gaan de argumenten van regering en industrie verder. Canada is bomenrijk, maar soortenarm. Selectief kappen is economisch vaak onverantwoord. Ecologische argumenten zijn er ook. “Wat is het principiele verschil tussen een grote brand en een clearcut? De Canadese natuur is gewend, ja zelfs gebaseerd op grove ingrepen,” zegt Marie Rauter, een vertegenwoordigster van de industrie in Ontario. “En waarom al die zorgen over monocultuur als de natuur vaak zelf voor monocultuur zorgt?”

En dan is er het filosofische argument. “What the heck is het verschil tussen broccoli en boom”, roept industrieel Max Cater in New Brunswick. “Broccoli zaai je en je kapt het een half jaar later. Bij een boom is dat hetzelfde, alleen duurt het zestig jaar voor je hem oogst. Bovendien, elke boom gaat dood. Hier duurt het zestig jaar, in Ontario 120 en in British Columbia soms 500 jaar. Maar dood gaan ze. Waarom de boom dan niet voor zijn dood gekapt? De milieubeweging moet het niet te gortig maken. Anders weet ik welke species hier het eerste verdwijnt: de mens.”

Tenslotte de veranderingen. Jarenlang was cut and run (kappen en wegwezen) regel. Maar de laatste jaren zijn er van New Brunswick in het oosten tot British Columbia in het uiterste westen wetten en regels van kracht geworden, die de omvang van de clearcuts beperken en water, uitzicht en wildlife beschermen. 'Vroeger deden we het niet goed, nu wel', is het motto van ambtenaren en industrielen. Ambtenaren presenteren de veranderingen met een Amerikaans zelfvertrouwen: “We're doing a very good job”.

Naar buiten toe sluiten regering en industrie de rijen. Maar in de praktijk van alle dag is die 'job' allesbehalve gemakkelijk, zo blijkt als Marian Fournier van de afdeling Forest Management van de provincie Quebec in conclaaf komt met Andre Duchesne, de welbespraakte president van de associatie van bosbouwindustrieen. Die middag heeft Fournier de hel van Montmorency laten zien. Hij heeft uitgelegd dat de clearcuts in Quebec, zoals elders in Canada, begrensd zijn. Hij heeft bufferzones laten zien; stroken die niet gekapt mogen worden zodat het wild van het ene bos naar het andere kan lopen. Hij heeft een riviertje laten zien in het slagveld. Om het riviertje staan bomen. “Die bomen blijven staan om dieren een beschutte drinkplaats te bieden, om erosie te voorkomen en om het water dat van de hellingen stroomt te filteren.” Ten bewijze van dat laatste heeft Fournier zijn hardhat afgezet, het hoofddeksel volgeschept met rivierwater en het water opgedronken. Kom daar in Nederland maar eens om.

Fournier heeft ook voormalige slagvelden getoond, waar nu weer boompjes groeien. “Natural regrowth”, heeft hij uitgelegd. Hij heeft laten zien dat er op een populaire picknickplaats niet meer wordt gekapt. “Uit esthetische overwegingen.” Hij heeft een gebied laten zien dat is aangetast door de spruce budworm. Ook de worm kan een zeer naargeestig slagveld achterlaten, zo blijkt. Fournier, kortom, heeft willen tonen dat Quebec, vroeger bij uitstek een provincie waar cut and run gebruik was, werk maakt van het streven naar een ecologisch verantwoorde bosbouw.

Duchesne vindt dat ook een mooi streven. Natuurlijk, hij is pro-wildlife. Hij weet dat een slecht imago de Canadese bosbouw veel schade kan berokkenen. Maar toch, al die overheidsbemoeienis, al die bureaucratie van de laatste jaren. Die ambtenaren die precies bepalen dat een riviertje omzoomd moet zijn door twintig meter bomen. Waarom niet minder als dat ook kan of zelfs beter is? Waarom duurt het twee jaar voor het verplichte vijfjarenplan dat elke kapper moet maken, is goedgekeurd? Beseft Fournier wel dat het maken van het milieugedeelte van het vijfjarenplan veel meer tijd kost dan het financieeleconomische deel? En wil Fournier onthouden dat het beschermen van watertjes en beesten een bedrijf op kosten jaagt? Vijfentwintig procent extra! En dat hij meer wegen moet aanleggen en extra kosten moet maken omdat hij niet langer 300 hectaren aan een stuk kan kappen, maar die 300 hectaren als gevolg van de bufferzones over een groter gebied verspreid zijn? En dat het om beesten maar ook om banen gaat? Dat weet Fournier. “Maar de extra kosten bedragen geen 25 procent. En je moet als overheid controleerbare regels maken. Anders wordt het een chaos.”

Net als Fournier onderhandelt Arnie Boer (Canadees, geboorteplaats: Naarden) namens een provinciale regering over de kapplannen van de bedrijven. Hij houdt in een deel van New Brunswick het wildlife in het oog. Net als Fournier heeft hij verhittes discussie met bosbouwers gehad. Het Amerikaans aandoende optimisme over het hoge ecologische gehalte van de Canadese bosbouw is hem vreemd. “Het gaat beter. Vroeger ging er wel eens een bioloog in het bos kijken hoe de zaak erbij stond. Tegenwoordig gaan we na een clearcut met het bedrijf het bos in en bepalen we samen hoe de regrowth gestalte gaat krijgen. Dat is winst.”

“Maar als ecoloog zeg ik: we weten nog niet zo veel. Neem nou het white tail deer, het hert dat hier voorkomt. Vroeger dachten we: ze zitten daar in het bos dus die plek beschermen we. Nu weten we dat de herten in bossen van een bepaalde leeftijd wonen. Dat betekent dat je niet alleen de huidige woonplaats beschermt, maar ook de toekomstige. Je moet dus bossen beschermen, waar het hert nu nog niet komt.” Onderhandelingen hebben ertoe geleid dat er altijd tien procent van het commercial forest geschikt moet zijn voor de 28 diersoorten die de ijzige winters in New Brunswick overleven. Boer: “Een compromis. Maar van mij had het wel wat meer mogen zijn.”

Ecologie, het is een jong en ingewikkeld vak. Bossen laten zich minder gauw in een model vatten dan een veldje broccoli. Ondanks hun optimisme willen ambtenaren van de provincies best toegeven: wat vandaag als ecologische zekerheid geldt, kan over een paar jaar achterhaald zijn. Voor mensen als Cater en Duchesne is dat lastig. Hoe moet je je bedrijfsvoering plannen als een bioloog over vijf jaar iets nieuws kan ontdekken over de leefgewoonten van het white tail deer? En hoe zal Duchesne over tien jaar tegen clearcuts aankijken? Hier en daar blijkt namelijk dat nieuw bos op gekapte gebieden van mindere kwaliteit is dan het oorspronkelijke, natuurlijke bos. Canada is a big country with little history, vat een ambtenaar de huidige stand van zaken samen, een groot land met een kleine geschiedenis. “Duurzaamheid? Het is als geluk. Je streeft ernaar, zonder te weten of je het ooit zult bereiken”, is de samenvatting van een vertegenwoordiger van de pulp- en papierindustrie in New Brunswick.

“Kijk”, zegt Paul Pashnik, werkzaam bij de regering van British Columbia, terwijl hij wijst op twee prachtige valleien vol bomen. “Beschermd gebied. Er staat hier voor 1,1 miljard Canadese dollar (1,5 miljard gulden, KS) aan bomen. Kost Canada een hoop geld he, zo'n beschermd dal.” Even later landt de helikopter. Een geweldenaar komt in zicht: een sitka spruce van zo'n vijfhonderd jaar oud. Tachtig meter hoog. Hoger heb je ze alleen in de Verenigde Staten. Dat is geen broccoli. Pashnik rekent: “Is 48 000 dollar waard, deze.”

Op Vancouver Island in het uiterste westen van Canada is de zaak uit de hand gelopen. De verhoudingen tussen regering en industrie enerzijds en de meer radicale milieugroepen anderzijds zijn er versjteerd. Pashniks voorbeelden maken duidelijk waarom. Hier staan de mooiste bomen van Canada. Hier staat dus ook het meest waardevolle hout van Canada. Hier is een niet-tropisch gebied met regenwoud, een zeldzaamheid in de wereld.

Het gebied waar het om gaat heet Clayoquot Sound (spreek uit: Klekwut). Jarenlang is er door allerhande maatschappelijke groepen gepraat over dit gebied. Maar de pogingen om tot consensus te komen, hebben gefaald. Uiteindelijk heeft Ottawa de knoop doorgehakt. Eenderde van het 262 000 hectare grote gebied is beschermd. De rest mag worden gekapt; in een tempo van zo'n 1000 hectare per jaar.

Het radicalere deel van de milieubeweging is woedend. De Friends of Clayoquot Sound hebben een vredes- annex protestkamp opgericht op een terrein dat bij uitstek voor hun doel geschikt is. Het oord was toneel van een weinig subtiele clearcut - regeringsambtenaren geven dat toe; het ziet er gruwelijk uit. De heuvels rondom tonen flinke sporen van erosie. Moet Clayoquot er zo uit komen te zien?, is de boodschap van de actievoerders. Het vredeskamp heeft een hoog hippiegehalte, maar trekt veel mensen aan. Toeristen, journalisten, maar ook mensen die een paar dagen blijven om de actie te ondersteunen. In het kamp heerst boosheid, omdat er 361 actievoerders zijn opgepakt die een weg blokkeerden om de houtkap eventjes onmogelijk te maken.

Joe Foy heeft weinig van een hippie. In het kantoor van de Western Canadian Wildlife Committee legt hij uit waarom de beslissing van de regering niet deugt. “Het beschermde gebied is veel te klein. Het gaat ons om het old growth, het echte oude bos. In een groot deel van Clayoqout komt het old growth met zijn unieke ecosysteem niet terug als deze plannen worden uitgevoerd. Over tachtig jaar heeft een groot deel van Clayoquot, op de beschermde delen na, de zaag gezien. Dan begint de cyclus opnieuw. Want de industrie, de multinational MacMillan Bloedel in dit geval, is tevreden met de opbrengst van een tachtig jaar oude boom. Niet voor niets hebben wij het over MacMillion Blowdown.”

Foy switcht naar de bosbouwpolitiek in het algemeen. “De regering belooft beterschap. Maar het wordt niet beter. Er wordt steeds meer gekapt. De erosie is veel groter dan de regering beweert. Het gaat hen niet om het bos. De honger van de zagerijen bepaalt het tempo en de manier waarop wordt gekapt.”

Uiteindelijk, betoogt Foy, leidt dat tot de ondergang. “Er is al veel gekapt, maar nu gebeurt dat ook op steile hellingen en in waardevolle gebieden. Herplant? Natuurlijk, maar het is eenzijdig. Soorten die niet winstgevend zijn, worden niet herplant. Je krijgt plantageachtige gebieden, die niet meer lijken op de natuurlijke leefomgeving van dieren. En de banen? Pfff. De afgelopen jaren is de houtindustrie snel gerationaliseerd. Het moest allemaal groter, efficienter, goedkoper. Relatief levert de bosbouw steeds minder banen op. Als men zo bezorgd is om banen, waarom exporteert Canada dan zo veel laagwaardige produkten als pulp en planken? Waarom geen hoogwaardige produkten gemaakt? Dat levert veel meer banen en inkomsten op.” In Foys optiek heeft Canada iets weg van een Derde Wereldland.

Michael Heit (centrale regering) is doodmoe. Hij heeft de hele discussie rond Clayoquot Sound meegemaakt en is het zat. “Praten helpt niet meer, luisteren is er niet meer bij. De radicale milieubeweging doet maar wat. Ze weten er niks van. Zelfs over statistieken maken we ruzie. Ze sturen foto's over de wereld waaruit blijkt dat we er een gigantische kaalkapperij van maken. Goed, een deel van het oude bos komt niet meer terug. Dat klopt, al worden al lang niet alle bomen 500 jaar. Dat zijn er maar een paar. Maar een fors deel van Clayoquot wordt beschermd. Dat deel is veel groter dan in de oorspronkelijke plannen. Goed, als ik diep nadenk, weet ik: zonder clubs als Greenpeace zou de wereld er een stuk lelijker uitzien. Ze zijn nodig, ze hebben hun functie. Ik zeg ook niet dat we perfect zijn. Maar we doen ons best.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden