Review

RUWE BOLSTER, BLANKE PITZwarte humor in oerversie van Huckleberry Finn

'De avonturen van Huckleberry Finn' (1885) is opnieuw vertaald en uitgegeven en bij eerste opslag wist ik meteen weer waarom ik het boek toen ik een jaar of tien was, zo spannend maar ook 'unheimisch' vond. Meer nog dan andere romanfiguren en jeugdhelden als Ivanhoe of Oliver Twist was de wereld van Huck en zijn vriendje Tom Sawyer zo tastbaar, dat je haar in je eigen achtertuin kon nabootsen. In de plaats waar ik opgroeide konden de hutten en bossen moeiteloos worden nagebouwd. Alleen de rivieren ontbraken, maar dat probleem kon eenvoudig worden opgelost; daarvoor had je bospaden.

De identificatie met Huck ging verder. Hij was niet groot maar wel heel flink en cool en belichaamde meer dan wie ook het-avontuur-na-schooltijd. Al was ik zelf door mijn astma wat beperkt in mijn klim- en rencapaciteiten, toch was de bende van Huck geen onbereikbaar ideaal. Vooral mijn vriendjes Erik en Rolf van de plaatselijke drankenhandel waren altijd in voor avontuur. Had Rolf de grootste mond, vooral bij Erik voelde ik me veilig. Hij was, net als Huck, niet groot, maar wel iets ouder en voor niets en niemand bang.

Er was nog meer. Mijn vader dronk niet, maar als hij boos was, kon ik me de vlucht van Huck aan het begin van het boek goed voorstellen. Hucks vader, de alcoholist, ontvoert hem in het zesde hoofdstuk naar een hut in een van de wouden aan de oevers van de Illinois-rivier. Maar Huck ontsnapt en wordt opgegeven als verdronken. Op een klein eilandje in het stroomgebied waar de Illinois en de Missouri en Mississippi samenkomen, verbergt hij zich en ziet hij op een gegeven moment hoe het hele dorp, pa incluis, met de veerboot de rivier afzakt op zoek naar zijn lijk.

Die Huck! Hij verdwijnt en komt terug, klimt in bomen, leeft van aangespoeld brood en zelfgevangen vis, sluipt 's nachts het huis binnen van zijn voogden, weduwe Douglas en juf Watson, vindt schatten, zoals wij die in de bossen ook zochten en rebelleerde op een manier die me wel aanstond: Bidden was mooi, maar vooral voor vaders, meesters en dominees. Beschaven was prachtig, maar niet als dat betekende dat je de hele (zon)dag moest horen: “Niet je voeten daarop leggen, Huckleberry”, “Niet zo ineengezakt, Huckleberry - ga rechtop zitten.”

Helaas kan ik me niet meer zo goed herinneren of de passages over de opvoeding van Huck met de dames Douglas en Watson, die het strengste was, zo uitgebreid in mijn vroege (waarschijnlijk sterk ingekorte kinder-)versie zaten. Wat vooral indruk maakte, was uiteindelijk toch het buitenleven in de bossen en de dwaaltochten langs de oevers van de rivieren, waarvan ik de namen wel wat moeilijk vond en dus al snel verving door Lek, Waal en Rijn. Dat was te overzien. Beter dan Illinois, Missouri en Mississippi in elk geval.

Iets anders wat ik niet kon plaatsen, was de figuur van Ouwe Jim, de zwarte slaaf van juffrouw Watson met wie Huck uiteindelijk op een vlot de rivier afdrijft op zoek naar de vrijheid. In onze woonplaats waren geen Jims. Er was ook maar één voetballer die een beetje op Jim leek. Die voetbalde bij Elinkwijk, en deed dat zo goed, dat ik me moeilijk kon voorstellen dat hij een reden had om op de vlucht te slaan.

De enige andere associatie die ik nog had met Nigger Jim betrof de kerstverhalen van onze dominee. Die gingen nogal eens over de zending en in die zendingslanden, heel ver weg, woonden ook mensen zoals Jim. Mensen zonder bijbeltjes waren dat en zonder nette kleren, wat me heel voordelig leek, want nette, zondagse kleren waren duur en werden heel snel vies, wat ook geen pretje was. Ook dacht ik toen wel eens aan andere bijzondere vriendschappen zoals Old Shatterhand en Winnetou en Sjors en Sjimmie, maar die laatste herinnering heb ik later een beetje weggedrukt, omdat Sjors en Sjimmie flink fout bleken 'na de oorlog' zal ik maar zeggen.

Ook al sprak Ouwe Jim een vreemd dialect - een dialect overigens dat in de jongste vertaling van Eugène Dabekaussen & Tilly Maters heel goed intact is gelaten - en was hij geen indiaan; vertrouwd was hij wel. Sympathiek ook, al bleef hij een slachtoffer. Iemand die (op weg) geholpen moest worden. Maar gelukkig - dat deed Huck, die goudeerlijke ruwe bolster, blanke pit.

Hoe vrolijk en spannend 'Huckleberry Finn' was, behalve het avontuurlijke had het boek ook iets beklemmends. Anders dan bij de zeemansavonturen van schrijvers als Herman Melville en Robert Louis Stevenson, die ik een jaar of zes, zeven later ontdekte, miste ik bij Twain uiteindelijk de horizon, de frisse lucht. En bij herlezing geldt dat nog steeds. Bij Twain geen ruime luchten of een wijde blik. Hoe mooi hij de zon soms ook boven de rivier laat opgaan en hoe groots en imponerend het stromend water en de handelsgeest tussen St. Louis en New Orleans ook kunnen zijn, de sfeer van het landschap sluit uiteindelijk toch naadloos aan op de beklemmende sociale codes van het Zuiden.

Anders dan bij Melville (1819-1891), waar het gevaar van de elementen en de dwang van de gemeenschap jegens het individu niet minder sterk zijn, hangt er bij Twain (1835-1910) iets benauwends in de lucht. En dat is opmerkelijk. Want staat niet Melville in de Amerikaanse literatuurgeschiedenis bekend als Amerika's grootste pessimist? En is Twain juist niet die typisch negentiende-eeuwse pionier aan de frontier, de westgrens waar de Amerikanen vanaf de achttiende eeuw hun beschavingsoffensief begonnen?

Is Twain niet die stoere grappenmaker en journalist die met zijn humor wel alle misstanden en maatschappijkritiek optekent maar meteen ook weer relativeert? Schrijft Twain met zijn dialecten en grappen niet losjes, ja nonchalant bijna, terwijl bij Melville geen woord of passage onopgemerkt zijn schrijvershand gepasseerd is? En, loopt 'Huck' niet goed af, terwijl de walvisvaarder in 'Moby Dick' ten onder gaat?

Hoe kan dat? Waar komt die beklemming vandaan bij die optimistische Twain? Het moet met de rivier te maken hebben. Terwijl de zee oneindig groot is en in die zin ruimte schept voor iedereen, is de rivier behalve levensader ook het symbool voor de weg die doodloopt. En dan denk ik nog niet eens aan de Styx, want in die betekenis kan de zee (als beeld van de grote afgrond) er ook wat van. En evenmin aan de rivier zoals die als weg van het noodlot in Melvilles 'The Confidence Man' (dit voorjaar nog prachtig vertaald als 'De Maskerade' en zich net als 'De avonturen van Huckleberry Finn' op de Mississippi afspelend) of Joseph Conrads 'Heart of Darkness' wordt opgevoerd.

Nee, het lijkt wel of het archetypische vrijheidsideaal zoals de Amerikanen dat aan de frontier koesterden, letterlijk in de rivier doodliep. Hoe optimistisch Samuel Langhorne Clemens (zoals Twain eigenlijk heette) ook was, en hoe luchtig hij ook altijd bleef schrijven, toch zag ook hij heel duidelijk de grenzen van die prachtige beschavingsdroom die hij naast zoveel andere pioniers nastreefde.

Niet voor niets wil Huck aan het eind van zijn verhaal weg van de bewoonde wereld, en gaat hij alleen verder, op zoek naar het laatste onontgonnen plekje Amerika, of zoals hij het zelf zegt: “Ik denk dat ik 'm moet smeren naar het Gebied voor de anderen uit, want tante Sally die gaat me adopteren en bijschaven en daar kan ik niet tegen. Dat heb ik gehad.”

De ontluistering is eigenlijk nog groter. Als Hucks beschaafdere en daarom ook doortraptere vriendje Tom Sawyer aan het eind weer om de hoek komt kijken en zich bij de vrienden voegt, blijkt zelfs dat Jim al dankzij het testament van juf Watson vrij man was, maar Tom heeft het al die tijd verzwegen, dol op het avontuur om het avontuur, dat hij niet wilde missen.

Hoewel de rivier bij Twain dus nooit de zware symboliek heeft gekregen van het water bij Melville, roept zijn Mississippi toch een gevoel van weemoed en nostalgie op. Die weemoed wordt versterkt door het tijdsverschil tussen de periode waarin Twain schrijft en die waarin het boek zich afspeelt. Toen Twain zijn avonturen van Tom Sawyer en Huckleberry Finn schreef, was de Burgeroorlog (1861-1864) voorbij en kwam Amerika op als grootmacht. De techniek vierde triomf na triomf en de oude economische levensader uit Twains jeugd, de Mississippi, had het inmiddels afgelegd tegen de grote spoorlijnen. Dood spoor dus.

De ondergang van de rivier verklaart niet alle benauwdheid die ik later voelde bij Twain. Ook een persoonlijke herinnering speelt een rol. De benauwdheid sloeg ook op de bossen en de hutten zelf, merkte ik. Nadat ik de plaats van mijn jeugd verlaten had, merkte ik pas hoe mijn gezondheid sterk verbeterde, mede onder de invloed van de zee. Opgelucht kon ik opeens ademhalen. De wereld van bos, kerk en benauwdheid werd opengebroken en nieuwe boeken werden binnengehaald. 'Huckleberry Finn' ging eruit, 'Moby Dick' kwam ervoor in de plaats. De drooggevallen rivier werd vervangen door het ruime sop, en dat (ja, zo hard en onrechtvaardig is de persoonlijke herinnering) ondanks Twains optimisme en ondanks de betekenis van zijn pseudoniem: Twee vademen diep, ofwel: het gevaar om vast te lopen in de rivierbedding is geweken.

Er is, ten slotte, nog iets. Wie de nieuwste vertaling leest en vergelijkt met oude uitgaven, komt enkele ingrijpende veranderingen tegen. Het allereerste manuscript dat Twain ooit verzorgde, zo blijkt nu, was somberder, satirischer en provocerender dan het manuscript dat tot de eerste druk leidde. Toeval of niet, maar in 1990 kwam uit een hutkoffer van een familielid van de oude curator van de Buffalo and Erie Country Public Library een zoekgeraakt deel van het oorspronkelijk manuscript van voor 1885 boven water.

De belangrijkste van de onbekende passages zijn in deze jongste vertaling verwerkt. Zo is in het beroemde twintigste hoofdstuk de openluchtpreek van de zwendelaar die als een televisiedominee avant la lettre de gelovigen tot tranen toe beweegt en hen vervolgens alle geld uit de zak klopt, aangevuld met een bitter commentaar over religie en slavernij.

Nog curieuzer is echter het verhaal uit hoofdstuk negen, waarin Jim Huck vertelt hoe hij van een jonge student de opdracht kreeg om in de dodenkamer van de doktersschool een lijk op te warmen, zodat de student er de volgende dag eenvoudiger in snijden kon. Het bizarre verhaal is zo angstaanjagend dat zelfs een horrorfilmmaker van nu flink zijn best zal moeten doen, de gruwelijkheid ervan te evenaren.

Juist deze gedeelten vol zwendel en zwarte humor geven 'De avonturen van Huckleberry Finn' een zwaardere lading dan het al had. Je krijgt het er benauwd van. Twains veronderstelde pioniersmentaliteit krijgt hier nadrukkelijk zijn dark side. Behalve het betere, beloftevolle Amerika openbaart Twain hier ook al het gewelddadige Amerika waaraan wij ons in Europa soms zo kunnen storen.

Met de nieuwe gedeelten in het achterhoofd, krijgt het hele jongensavontuur van Tom en Huck zelfs iets wreeds en wrangs. Het begint al op bladzij 24 als de jonge bendeleden van Tom Sawyer een bloedeed moeten afleggen. Het jongensavontuur draagt hier opeens kiemen van latere uitwassen als de Ku Kux Klan of de twintigste-eeuwse jeugdbendes uit de grote steden.

Lees je Huck zo, dan blijft er nog maar één onschuldig en optimistisch element bij Twain over en dat is de toon. Dezelfde toon waarop hij na een zoveelste belevenis zegt: “Nou, ik mag een nikker wezen als ik ooit zowat heb meegemaakt. Het was genoeg om je te gaan schamen over het menselijk ras.”

(Ik bedoel maar,) Zalig kerstfeest.

Brood

“Ik vond een mooi plekje tussen de bladeren en ging daar op een boomstam zitten om het brood op te peuzelen en naar de veerboot te kijken, heel voldaan. En toen viel me iets in. Ik zeg, de weduwe of de dominee of iemand heeft vast gebeden dat dit brood me ging vinden, en dat heeft het nog gedaan ook. Dus dat gedoe, daar zit wel degelijk wat in. Dat wil zeggen, d'r zit wat in wanneer iemand als de weduwe of de dominee bidt, maar bij mij werkt het niet, en volgens mij werkt het enkel voor precies het goede soort.”

Mark Twain: 'De avonturen van Huckleberry Finn'

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden