Rutte maakt van premier platte coalitieleider

In de nadagen van Paars hekelde de liberaal Hans Wiegel de diffuse politieke cultuur die onder de kabinetten-Kok was ontstaan. De voornaamste oorzaak daarvan was in zijn ogen het Torentjesoverleg, waarin de premier en de vice- premiers alles voorkookten met de fractieleiders in de Tweede Kamer. Daardoor was het profiel van de coalitiepartijen PvdA en VVD flets geworden en functioneerde de parlementaire democratie gebrekkig. Nee, dan in zijn dagen...

Wiegel vertelde dat hij ten tijde van het kabinet-Biesheuvel (1971-72) als jong fractieleider van de VVD eens was uitgenodigd voor overleg met de liberale ministers in het Torentje. Zijn evenknie uit de senaat, Harm van Riel, was er ook. "Er waren veel broodjes en de bewindslieden legden de voortreffelijkheid van hun voornemens uit. Daarna keken ze ons aan. Konden wij ermee instemmen? Ik was jong, zat wat te schuifelen. Wat moest ik ermee? Waarop Van Riel opstond en zei: 'Wat u vertelde, is interessant. Uw broodjes waren lekker. Wij wensen u nog een prettige middag.' Nooit meer zo'n gesprek geweest. Prima!"

Mooi verhaal, een illustratie van onversneden dualisme, dat wil zeggen helder onderscheiden posities van ministers en parlementsleden; ieder zijn verantwoordelijkheid.

Het belang van dit dualisme in de verhoudingen kan niet genoeg worden onderstreept. Het biedt ruimte voor een open parlementair debat, geeft inhoud aan de vertegenwoordigende functie van de Kamer en maakt ook duidelijk waar en hoe er compromissen worden gesloten. Aldus wordt voorkomen dat coalities naar binnen keren en geestloze regeermachines worden, die gaandeweg het contact met de leefwereld van burgers verliezen. Dat was precies wat er gebeurde in de nadagen van Paars. Hans Wiegel voelde in 2001 scherp aan dat er daardoor ruimte ontstond voor iemand als Fortuyn.

Van een zuiver dualisme is in de naoorlogse politiek nimmer sprake geweest. Omwille van een stabiel bestuur vraagt regeren in coalitieverband nu eenmaal om een minimum aantal vastigheden, en van de coalitiepartners een houding van verplichting tegenover elkaar en tegenover het kabinet. Dat is nog wat anders dan een volledige binding aan het kabinet, zoals bij zuiver monisme het geval is. In zo'n constellatie is het onderscheid tussen regering en coalitiefracties geheel vervaagd en deelt de politieke leider van de partij zowel aan de geestverwante ministers als aan de Kamerleden de lakens uit.

De Nederlandse politiek schuift onmiskenbaar steeds verder in die richting op. Het Catshuisberaad dat nu gaande is, illustreert dat. De hoofdpersonen aan de onderhandelingstafel zijn de politiek leiders van de drie coalitiepartijen, Rutte, Verhagen en Wilders - Verhagen is weliswaar geen politiek leider van het CDA, maar hij zal zich wel zo gedragen, wat vanuit zijn positie logisch is omdat hij in 2010 zo ver zijn nek uitstak voor deze politieke samenwerking. Daar komt bij dat hij gepokt en gemazeld is in onderhandelingen als deze. Bovendien staat hij in een lange traditie van katholieke politici (Nolens, Dekkers, Beel, Romme, Schmelzer, Andriessen, Van Agt, Lubbers en de jezuïtisch gevormde Van Mierlo), die vanuit het midden, meer of minder stil, bepaalden wat voor coalitie er kwam.

In de tendens naar een steeds monistischer regeercultuur wordt het premierschap meer en meer gepolitiseerd. Dat wil zeggen dat de premier meer coalitieleider is en minder premier van alle Nederlanders. Die twee elementen hebben altijd in het ambt gezeten, maar door het toenemende belang van de politieke leider als boegbeeld van de partij, is het accent gaandeweg verschoven. Die ontwikkeling is begonnen na het kabinet-Den Uyl in 1977, toen de PvdA de campagne voerde onder het motto 'Kies de minister-president'. Het CDA nam het voorbeeld in 1986 over met de campagne 'Laat Lubbers zijn karwei afmaken' en in 1989 met de slogan 'Verder met Lubbers'.

In deze tendens paste dat Jan Peter Balkenende in 2002 na succesvolle verkiezingen premier werd, ondanks dat hij door gebrek aan ervaring nauwelijks voor dit ambt was toegerust. Onder het vierde kabinet-Balkenende was de premier niet zozeer coalitieleider als wel CDA-leider, in voortdurende rivaliteit opererend met vice-premier en PvdA-leider Bos. Dat kabinet werd dan ook niet gedragen door een 'ferme wil' tot samenwerking, zoals de huidige coalitie van VVD, CDA en PVV (en de SGP als stille vennoot).

Gezien die sterke wil en het smalle parlementaire draagvlak van zijn kabinet is het te begrijpen dat Rutte als coalitieleider voortdurend met de oliespuit en de stroopkwast in de weer is. Maar de vraag is of dit smeerwerk niet ten koste gaat van het landsbelang dat hij als premier behoort te dienen. Dat belang is in het geding nu het Europees parlement Nederland vanwege het Polen-meldpunt van de PVV als een xenofoob land te kijk heeft gezet. Met zijn volgehouden weigering zich van dit initiatief te distantiëren (wat alleen in eng-staatsrechtelijke zin standhoudt), en aldus iets weg te nemen van de beschaamdheid van veel Nederlanders, bewijst Rutte hoezeer het coalitiebelang het premierschap is gaan overheersen.

Het oprukkende virus van het monisme is dus niet alleen slecht voor de positie van de Tweede Kamer en daarmee voor de parlementaire democratie, zoals ik vorige week schreef, maar ook voor het constitutioneel zelfstandige ambt van minister-president. Ik ben benieuwd wanneer Wiegel hier iets van zal zeggen. Het kan voor hem als uitgesproken dualist toch geen verschil maken dat er nu, anders dan in 2001, een coalitie zit die hem welgevallig is? Hij liep destijds al weg na één broodjeslunch. Nu zijn ministers en fractieleiders weken achtereen bezig elkaar in een en hetzelfde pak te naaien.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden