Rusteloze Joseph Roth was altijd op de vlucht

Soma Morgenstern schreef een prachtig boek over het korte, turbulente leven van zijn vriend Joseph Roth, de grote Oostenrijkse schrijver.

Bijna was het Joseph Roth gelukt om zijn drankzucht te overwinnen. Vrienden hadden in het voorjaar van 1939 voor de grote Oostenrijkse schrijver een ontwenningskuur georganiseerd; hij stond al enkele weken droog en zag er volgens ooggetuigen niet langer uit als een zestigjarige zuipschuit, maar als de man van midden veertig, die hij op dat moment was.

’Zijn laatste Parijse lente’ heet het hoofdstuk waarin Roths vriend Soma Morgenstern vertelt over deze aanvankelijk succesvolle kuur. Iets verder begint hij aan een nieuw hoofdstuk, getiteld ’Het Einde’, dat opent met de omineuze zinsnede: „Eén van zijn bewonderaars, die meer gevoel dan verstand had en geheelonthouder was, bracht Roth een cadeau dat hij van een familielid uit Joegoslavië had gekregen: een fles slivovitsj, geheel echt.”

Wat er vervolgens gebeurde laat zich gemakkelijk raden. Roth maakte de fles pruimenjenever in korte tijd soldaat, kreeg de smaak opnieuw te pakken en belandde al spoedig met delirium tremens in een Parijs ziekenhuis, waar hij enkele dagen later overleed.

Waarom Roth weer begon te drinken is niet geheel duidelijk. Misschien heeft de plotselinge zelfmoord van zijn vriend Ernst Toller een rol gespeeld (hij stierf één week voor Roth), of de steeds slechter wordende politieke en financiële situatie voor Joodse vluchtelingen. Zeker is wel dat Roth al minstens tien jaar een forse innemer was, niet zelden sternhagelvoll (stomdronken), en dat hij zonder alcohol eenvoudig geen letter meer op papier kon krijgen. De meesterwerken uit Roths laatste levensfase zoals de romans ’De Kapucijner Crypte’ en ’Het valse gewicht’ of de formidabele novelle ’De legende van de heilige drinker’ zijn blijkbaar in volledige roes en dronkemanswaanzin ontstaan.

Precies dertig jaar duurde de vriendschap tussen Soma Morgenstern (1890-1976) en Joseph Roth. In 1909 hadden ze elkaar leren kennen in het toen nog Oostenrijkse Lemberg (Lwow, tegenwoordig in de Oekraïne). Beiden waren afkomstig uit Galicië aan de uiterste oostflank van de Donaumonarchie, en beiden werkten tussen de wereldoorlogen als journalist en schrijver in Wenen. In de jaren dertig vluchtten ze voor de nazi’s naar Parijs, waar ze enkele jaren in hetzelfde kleine hotel in de Rue de Tournon vlakbij de Jardin du Luxembourg woonden.

Soma Morgensterns sublieme herinneringsboek (de titel is een toespeling op Joseph Roths vroege roman ’Flucht ohne Ende’), in 1994 voor het eerst verschenen bij een kleine uitgeverij, is recentelijk heruitgegeven en maakt momenteel furore in Duitsland. Dit uiterst toegankelijke boek staat bol van anekdotes, levert fraaie herinneringen aan gemeenschappelijke schrijversvrienden als Robert Musil, Stefan Zweig of Egon Erwin Kisch, en kan ook als tijdsbeeld en als portret van de emigrantengeneratie gelezen worden.

Overigens is het opmerkelijk dat er over Roths korte turbulente leven zo weinig is gepubliceerd. (David Bronsens biografie uit 1974 is inmiddels sterk gedateerd.) De schrijver van ’Radetzkymars’ (1932), ’Hiob’ (1930) en nog minstens vijf andere onvergankelijke titels behoort internationaal tot de meest gewaardeerde Duitstalige schrijvers van de vorige eeuw. J.M. Coetzee en Claudio Magris zwaaien hem lof toe, in ons land behoren Arnon Grunberg, Ian Buruma en Geert van Istendael tot zijn vaste liefhebbers. De Nederlandse lezer die deze schrijver nog onvoldoende kent kan terecht bij de uitstekende vertalingen die bij uitgeverij Atlas verschijnen.

Soma Morgenstern beschouwt de vlucht als het centrale motief in Roths leven. „Hij was vanaf het begin een vrijwillige vluchteling. Het zat hem in het bloed, misschien omdat zijn vader er een was.” Roth was opgegroeid als halfwees; zijn vader, die enkele maanden na Roths geboorte spoorloos verdween (en vermoedelijk in religieuze waanzin is gestorven), heeft hij altijd node gemist. „Met deze tegenspoed is hij nooit in het reine gekomen”, aldus Morgenstern.

Roth vluchtte uit zijn studie, uit de familiebanden, uit het gehate Berlijn en noodgedwongen ook uit het boven alles beminde Wenen. Het liefst was deze rusteloze man op reis, zonder aan te komen - stations waren zijn natuurlijke biotoop. Overigens verzuimt Morgenstern hier om een brug te slaan naar Roths romans en verhalen, waar het waarachtig wemelt van de vluchtelingen: Gabriel Dan uit ’Hotel Savoy’, Franz Tunda uit ’Flucht ohne Ende’, Andreas uit ’Die Rebellion’ om slechts een willekeurige greep te doen.

Maar dit is bijna de enige omissie van Morgensterns meesterlijke studie. ’Joseph Roths Flucht und Ende’ behoort tot de grote vriendschapsboeken uit de Europese literatuur. Iedereen die van Roth houdt zou het moeten lezen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden