Rushdie-rel verduistert Duitse ereprijs

BERLIJN - Nog is het rumoer om de nieuwste roman van Günter Grass niet verstomd, of boven het politiek-culturele landschap van Duitsland kondigt zich de volgende onweersbui aan. Opnieuw lossen in kranten en tijdschriften heftige artikelen en open brieven elkaar in hoog tempo af, schimpscheuten vliegen heen en weer, er klinken dreigementen.

WIM BOEVINK

Het object van de strijd is een 73-jarige, zeer geleerde dame, die binnenkort voor haar werk geëerd wordt met een prijs. En niet zomaar een prijs. De Vredesprijs van de Duitse boekhandel is één van de meest prestigieuze culturele onderscheidingen die Duitsland kent. Gesticht in 1950, wil de onderscheiding waardering uitbrengen voor personen die door hun voortreffelijke werk op het terrein van literatuur, wetenschap en kunst bijdragen aan “de vrede, de medemenselijkheid en het begrip tussen de volkeren”.

Dat klinkt gezwollen, maar de prijs is in de loop van de afgelopen 40 jaar geadeld door zijn ontvangers. Daartoe behoorden - om maar enkelen te noemen - Martin Buber (1953), Hermann Hesse (1955), het echtpaar Myrdal (1970), Max Frisch (1976), Yehudi Menuhin (1979), Octavio Paz (1984), Vaclav Havel (1989), György Konrad (1991) en Jorge Semprun (1994).

Zelden heerste over een nominatie zoveel ophef als dit jaar. Op 15 oktober wordt de Vredesprijs 1995 - traditioneel in de Paulskirche in Frankfurt - uitgereikt aan Annemarie Schimmel, wereldberoemd oriëntaliste, die van de studie van de mystiek van de islam haar levenswerk maakte. “Temidden van angstwekkende signalen van religieus fanatisme”, zo luidde de motivering van de jury, “is de onderscheiding van Annemarie Schimmel een teken voor de ontmoeting en niet voor de confrontatie van de culturen, een teken voor tolerantie, voor poëzie en voor een denkcultuur die achting heeft voor het anders zijn.”

Zo op het oog kon niemand aanstoot nemen aan de nominatie en de Duitse bondspresident Roman Herzog - die in de verhouding tussen het Westen en de islam één van de grote thema's van onze tijd ziet - zegde toe de laudatio te zullen uitspreken. Die toezegging was het startsein van een al onderhuids zoemende controverse. Daarbij ging het om uitlatingen van mevrouw Schimmel waarin ze begrip zou hebben getoond voor de in 1989 op Salman Rushdie door de ajatollah Khomeini losgelaten 'fatwa' ('wetsuitleg' waarin Khomeini stelde dat volgens zijn interpretatie van de islamitische sjariah-wet alle moslims moesten proberen Rushdie te doden vanwege zijn boek de Duivelsverzen). Critici zagen in Schimmels vermeende begrip een pleidooi voor het fundamentalisme. In kranten en tijdschriften verscheen een oproep aan de president om zich van de prijsuitreiking verre te houden “omdat het in het geheel geen eenmalige 'uitglijer' was, maar onderdeel van haar denken en voelen. Al jaren is de Duitse oriëntaliste een graag geziene gast in totalitaire, islamitische staten als Iran”. Ondertekend was de oproep door een reeks van auteurs, uitgevers en boekhandelaren, onder wie Günter Grass, Jürgen Habermas, Daniel Cohn-Bendit, Ralph Giordano en Peter Zadek.

De kritiek stoelt met name op een zinsnede in een vroegere publicatie. Daar schrijft Schimmel: “Een belediging van de profeet is al eeuwenlang volgens de meeste islamitische rechtsscholen een misdaad die met de dood bestraft dient te worden”. Gesuggereerd wordt dat die uitspraak slaat op de fatwa tegen Rushdie, maar feit is dat ze voorkomt in een boek ('Und Muhammed ist sein Prophet') uit 1981, dus acht jaar vóór de Rushdie-affaire.

Bovendien rechtvaardigt de zinsnede de fatwa niet, maar beperkt zich tot een zakelijke vaststelling. Ook in Schimmels populaire inleiding tot de islam in 1990 zouden echter beschrijvingen voorkomen die, zo stelt de oproep aan Herzog, “een onkritisch pleidooi tot begrip voor het fundamentalisme zijn”.

De chef van de literatuurredactie van de Frankfurter Allgemeine Zeitung, Gustav Seibt, die zich als een fervent verdediger van Schimmel heeft opgeworpen, schrijft echter dat de betreffende passage niets anders zegt dan dat het fundamentalisme het gevolg is van “een overhaaste modernisering van bovenaf”, een reactie op “de vertekening van de westelijke beschaving, die als gevolg van die modernisering de islamitische wereld is binnengedrongen”.

Wat het verwijt aangaat dat Schimmel zich graag in Iraanse kringen ophoudt, meldt Seibt dat Schimmel tussen 1971 en 1995 bezoeken aan Iran heeft gemeden (ook al verschenen af en toe publicaties van haar hand in een orgaan van de Iraanse ambassade) en dat zij bij haar bezoeken aan Pakistan ook altijd contact zocht met de oppositie: de westelijk geöriënteerde mevrouw Bhoetto is zelfs een leerlinge van haar. Schimmel doceerde jaren aan de Harvard-universiteit in Cambridge (Massachusetts).

In de Süddeutsche Zeitung trekt daarentegen de filosoof en publicist Jürgen Habermas tegen Schimmel van leer. In een herziene editie van haar boek uit '81 schrijft Schimmel acht jaar later, dus na de fatwa tegen Rushdie, dat nauwelijks iemand de moeite deed de verontwaardiging van Khomeini en anderen te begrijpen: “Men vluchtte in formalistische argumenten (. . .) in de meeste gevallen in een verdediging van 'de vrijheid van meningsuiting'.”

Habermas stoort zich er vooral aan dat Schimmel het begrip vrijheid van meningsuiting tussen aanhalingstekens plaatst en daarmee een algemeen aanvaarde internationale omgangsregel discrediteert. Ook het begrip fundamentalisme verschijnt in Schimmels teksten tussen aanhalingstekens. Habermas leest daarin dat het fundamentalisme volgens Schimmel alleen bestaat in een eenzijdige westerse waarneming. Haar toegang tot de Iraanse ambassade is volgens Habermas een zaak die Schimmel voor zichzelf moet uitmaken. “Maar moet ze daarvoor met de Vredesprijs onderscheiden worden?”

Voordracht

Laatste hoogte- of dieptepunt in de controverse is een brief, die gisteren in de Duitse pers opdook en die rond Pinksteren - dus na het bekendmaken van de prijstoekenning - door Schimmel was verstuurd aan een dame in Aken. Deze dame was er na een voordracht van mevrouw Schimmel in Aken in 1989 getuige van geweest hoe Schimmel tegen Rushdie tekeer was gegaan. Daarbij had ze gezegd dat Rushdie om het leven gebracht hoorde te worden en zou ze woordspelingen hebben gemaakt op het Engelse Rush-Die.

In de brief van pinksteren verontschuldigt Schimmel zich voor haar uitlating van toen: “Jammer genoeg heb ik de slechte gewoonte om uitdrukkingen als 'ik kan hem wel vermoorden' of 'hem in de Rijn gooien' of andere onzin ook tegen mijn vrienden te gebruiken, hoewel ik geen vlieg kwaad zou kunnen doen. (. . .) Ik ben zeer ongelukkig over deze situatie want ik ben tegen oproepen tot moord, waar ze ook opduiken.”

Ook zeer geleerde dames gedragen zich niet altijd wijs. De campagne tegen Schimmel - volgens haar verdedigers voortkomend uit een misplaatste aanval van politieke correctheid - zal haar sporen nalaten: nu al heeft zij het zicht op de verdiensten van het levenswerk van Annemarie Schimmel verduisterd.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden