Ruilen, stelletje zeurpieten?

Het gaat beroerd in Nederland, je merkt het aan alles. Nee, dan Brazilië, een van de landen die onze groei inpikken. Maar hoe fijn is het om Braziliaan te zijn?

Hopeloos, de Nederlandse economie. Nee, dan Brazilië. "Bij jullie gaat het goed, hè? Drie procent groei - terwijl wij midden in een recessie zitten." Verlekkerd kijkt Nederland naar het grote land in Zuid-Amerika.

Brazilië is booming. Het is de zesde economie ter wereld, het krijgt in 2014 het Wereldkampioenschap voetbal en in 2016 ook nog de Olympische Spelen. Zelf woon ik nu elf jaar in Brazilië, in metropool São Paulo - het economisch hart van het land. Ik zit waar het geld wordt verdiend. We hebben wolkenkrabbers, het grootste aantal helikopterplatforms ter wereld, privéklinieken en plastische chirurgie. In hotels en restaurants betaal je meer dan in Parijs, huizenprijzen en huren zijn torenhoog. Je snapt niet hoe de Brazilianen het allemaal kunnen betalen.

Maar als ik even terug ben in Nederland treft mij juist de welvaart. De laatste keer was in mei. Ik liep door de wijk Zeeburg in Amsterdam met een groep Braziliaanse studenten journalistiek op weg naar hun hostel. Ze keken enigszins bevreesd toen ze hoorden dat het om een achterstandswijk ging. Laptopjes werden steviger vastgehouden, er zouden weleens gewapende jongeren tevoorschijn kunnen schieten.

De Brazilianen hoefden niet bang te zijn. Alle huizen, straten en stoepen waren tot in de puntjes onderhouden. Op keurig aangelegde speelplaatsjes wipten kleine kinderen onder het toeziend oog van hun moeders. Een Marokkaanse kruidenier in lange jurk begroette zijn buurman. Het grootste gevaar kwam van het fietspad, waar ik een van de studenten vanaf moest trekken zodat hij niet omvergereden zou worden door een bakfiets.

In São Paulo woon ik aan de rand van een van de rijkste buurten, de Jardins, een groene villawijk. Naast onze wijk strekken zich nog duurdere flatgebouwen uit, waar de crème de la crème van São Paulo haar privéoptrekjes bewoont, afgeschermd door hoge hekken en 24-uursbewaking. Ik heb het dus niet over een sloppenwijk, noch over de arme periferie, waarvan de beelden bekend zijn, maar over de wijk waar de 1 procent echt rijken van Brazilië woont. Zelfs daar maakt iemand, die zich te voet over de stoepen waagt, kans om in een put te vallen (waarvan het deksel al wekenlang niet is teruggeplaatst) of te struikelen over het mozaïek aan kapotte stoeptegels.

Het grootste gevaar komt van geblindeerde fourwheeldrives, die je het liefst het zebrapad afblazen. Fietsen is hier geen optie.

Direct na terugkeer uit Nederland, eind mei, pakte ik de bus naar het centrum om een lezing van minister Uri Rosenthal van buitenlandse zaken bij te wonen op de gerenommeerde rechtenfaculteit van het Largo São Francisco.

Om bij het gebouw te komen moest ik over zwervers heenstappen die onder dekens probeerden nog wat te slapen. Het rook naar ongewassen mensen en opgehoopt vuilnis. Binnen maakte minister Rosenthal grapjes over het Nederlands elftal waarvoor de Brazilianen toch echt moesten oppassen. Daartegenover roemde hij de economische groei van Brazilië. Likkebaardend refereerde hij aan de kansen die er liggen voor het Nederlandse bedrijfsleven: in de havens en bij de aanleg van de stadions en nieuwe luchthavens. Braziliaanse studenten nodigde hij uit voor een uitwisseling met 'het open Nederland'. Brazilië is volgens hem op dit moment de sterkste speler. Oké, gaf Rosenthal op zeker moment toe, "buurmans gras is altijd groener."

Lang was de B van Brazilië een beetje het lelijke eendje van de BRICS-landen, Rusland, India, China en Zuid-Afrika. Maar toen de gunstige koers zich eind 2009 begon af te tekenen, zette het Britse blad The Economist het Christusbeeld van Rio de Janeiro als een gelanceerde raket op het omslag: Brazil takes off.

De stevige groei in 2010 werd aangewakkerd door de grote vraag van China naar grondstoffen waar Brazilië rijk aan is. Tegelijkertijd stroomden de dollars vanuit de hele wereld toe, dankzij de crisis elders en de hoge rente die Brazilië voor het geld betaalde. Met het vooruitzicht van het WK van 2014 én de Olympische Spelen in 2016 leek het niet op te kunnen. De interne markt verstevigde dankzij de opkomende middenklasse. Die groeide tussen 2003 en 2010 van een derde tot de helft van de Braziliaanse bevolking. Een hoger minimumloon, sociale uitkeringen en een lagere werkloosheid lieten de bevolking flink meer consumeren.

Tijdens de verkiezingscampagne in september 2010 lachte toenmalig presidentskandidate Dilma Rousseff een journalist van persbureau Reuters uit. Die had het gewaagd te vragen of het land geen diepgaande hervormingen nodig zou hebben om de groei vast te houden. Hij doelde op investeringen in de gebrekkige infrastructuur, op hervormingen in het belastingstelsel en in het dure en oneerlijk verdeelde pensioenenstelsel. Want ondanks de overvloed aan natuurlijke rijkdommen - vruchtbare grond, ijzererts en zelfs petroleum - blijft de concurrentie met de andere BRICS-landen lastig voor Brazilië. En inderdaad zijn de gebrekkige infrastructuur (overbelaste wegen, havens en luchthavens), de bureaucratie (een bedrijf openen duurt gemiddeld vier maanden) en een duur en ingewikkeld belastingsysteem grote belemmeringen. Die heten hier de custo Brasil (kostenpost Brazilië). "Groeien we nu niet dan?", vroeg Dilma ijzig. Aangezien de journalist daar niet van terug had, stelde zij dat het kennelijk mogelijk was om door te groeien zonder hervormingen.

Brazilië was voor even het paradepaardje, een lichtend voorbeeld in een wereld in crisistijd. President Dilma hield haar Duitse collega Angela Merkel voor dat Europa, net als Brazilië, moest inzetten op overheidsinvesteringen in plaats van op bezuinigingen. Bovendien moest Europa ophouden met het sturen van harde valuta naar Brazilië (om hoge rente te ontvangen), want daarmee was de Braziliaanse munt, de real, veel te sterk geworden, waardoor de Braziliaanse export van fabrieksproducten als schoenen en auto's werd benadeeld.

Het wordt tijd om mythe en werkelijkheid tegen elkaar af te zetten. Er wordt in Brazilië minder dan 3 procent groei verwacht voor 2012, na een vergelijkbare groei in 2011. Hier in Brazilië houden we ons hart vast. Echte groei zou 7 of 8 procent zijn, zoals we die even mochten smaken in 2010. Waar The Economist in 2009 de raketlancering van Brazilië voorzag, illustreerde het blad in mei een analyse van de zwakheden van de Braziliaanse economie met een koe die zich probeert los te trekken uit een moeras. Brazilië staat namelijk weer onder aan de BRICS-ladder. China (8 procent), India (ruim 5 procent) en Rusland (net 5 procent) groeiden in het afgelopen trimester weliswaar ook minder dan eerst, maar Brazilië moest het met 0,8 procent groei doen. De dalende vraag naar grondstoffen vanuit China is een rechtstreekse bedreiging.

Toegegeven, Nederland scoorde nog slechter. Het BNP daalde licht tussen het laatste trimester van vorig jaar en de eerste drie maanden van 2012. Maar is dat reden om jaloers te kijken naar Brazilië?

Wat zeggen al die cijfers helemaal? Brazilië is sinds vorig jaar, toen het Groot-Brittannië inhaalde, weliswaar de 'zesde economie ter wereld', maar het BNP van een land wordt in dollars gemeten. Marcos Troyjo van de Columbia University in New York schreef in een recent artikel voor BBC Brasil dat het Braziliaanse BNP (in dollars dus) razendsnel is gegroeid, doordat de real de afgelopen twee jaar zo sterk was. Dat kwam door de grote toestroom van buitenlandse valuta.

Maar nu investeerders, vanwege de verergerde crisis in Europa en het gebrek aan werkelijk vertrouwen in het land, hun geld toch weer terugtrekken, daalt de real opnieuw. Best mogelijk, volgens Troyjo, dat Brazilië daarom binnenkort weer op de negende plaats staat - achter Groot-Brittannië, Italië en Rusland.

Bovendien, zet je het inkomen per hoofd van de bevolking af tegen dat van de Britten, dan ligt het in Brazilië (met 190 miljoen inwoners) drie keer lager. Brazilië staat nog altijd tussen de twaalf ongelijkste landen ter wereld, volgens recent onderzoek van de Fundação Getúlio Vargas. Pas je die ongelijkheidsfactor toe (10 procent bezit ongeveer 40 procent van alle rijkdom, volgens het Braziliaans instituut voor de statistiek) dan snapt iedereen dat zo'n plaatsing als 'zesde wereldeconomie' niets zegt over de spreiding van de welvaart. Als Brazilië ook maar in de buurt wil komen van het sociale paradijs dat Nederland nog altijd is - met een belastingdienst die je gewoon kunt bellen, veiligheid, openbaar onderwijs en zorg - dan moet er nog heel wat gebeuren.

Bent u nog niet overtuigd van uw eigen geluk in Nederland? Dan zal ik nog wat cijfers noemen. Naast de gewone armen leven zestien miljoen Brazilianen in absolute misère. De regering probeert hen op dit moment wel te bereiken, maar denk niet dat zij straks op een Nederlands uitkeringsniveau zitten. Het gaat erom ze te voorzien van ten minste 28 euro per persoon per maand. Dat is net genoeg om geen honger te lijden. Een op de vijf Brazilianen heeft thuis geen drinkwater, meer dan de helft van de Brazilianen is niet aangesloten op het riool. Vrijwel alle drek stroomt ongefilterd de rivieren en de zee in. Kinderen gaan tegenwoordig in groten getale naar school, maar het niveau op de openbare scholen is dramatisch. Leerlingen verlaten dikwijls als semi-analfabeten de middelbare school - als ze die al afmaken (dat lukt slechts 14 procent binnen de normale tijd).

Voor welke school ga ik straks kiezen? Nu ik in verwachting ben van een half Braziliaantje-halve Nederlander, voel ik mij voor het eerst ook emotioneel betrokken bij de sociale ramp die Brazilië nog altijd is. Je wilt tenslotte het beste voor je kind. Maar een privéschool kost je maandelijks 500 euro en schermt je kind af van de reële buitenwereld. Moet ik mijn kleine dan overleveren aan het openbaar onderwijs?

Waar Nederland tot zijn eigen frustratie middenmoter is in het internationale vergelijkende onderzoek Pisa naar onderwijs van de Organisatie van Economische Samenwerking en Ontwikkeling, bungelt Brazilië onderaan.

Ook de groeiende middenklasse - waarover de vorige president, Luiz Inácio Lula da Silva, en zijn opvolgster Dilma Rousseff zo enthousiast zijn - is een relatief begrip.

In Brazilië hoort iemand die 300 euro verdient al tot de lagere middenklasse. Dat is ongeveer het salaris van een huishoudster of een conciërge. Wie daarmee moet rondkomen in een stad als São Paulo, is gedwongen om in een favela of in de verre, verre periferie te wonen. Een normale huur betalen zit er niet in. En dan ben je ook als 'middenklasse' nog altijd overgeleverd aan de dramatische gezondheidszorg (met heel wat langere wachtlijsten dan in Nederland) en het slechte openbaar onderwijs, waardoor de kansen voor je kinderen om hogerop te komen minimaal zijn. Wie wat meer verdient, koopt onderwijs en zorg tegen een heel hoge prijs (gemiddeld een derde van het inkomen). Voor de happy few, afgescheiden van de overgrote meerderheid achter 24-uursbewaking, kan de rest nog altijd de pot op.

Als ik dan kijk naar Zeeburg of Slotervaart - een andere 'achterstandswijk' die de Braziliaanse studenten in Amsterdam bezochten - dan zie ik nog altijd een prachtland.

Straatleven in Rocinha, de grootste favela (sloppenwijk) van Rio de Janeiro. Brazilië's economie groeit, maar weinigen profiteren ervan.

Net buiten Santa Rem, in het Amazone- gebied, leven tientallen mensen op en van de vuilnisbelt. Brazilië heeft vrijwel geen sociaal vangnet.

undefined

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden