Review

Ruige verzen uit de vroege Oudheid

Paul Claes vertaalde een ruime keuze uit de vroegste Griekse gedichten. Hij maakte daarmee, ook voor wie geen Grieks leest, de oorsprong van de poëzie in Europa zichtbaar. Dáár en toen is het allemaal begonnen.

Het is geen geringe daad die de uitgever heeft gesteld: een tweetalige editie van een bloemlezing van de oudste Griekse poëzie. Natuurlijk blijven de heldendichten en wijsheidsliteratuur in de epische versmaat buiten beschouwing, maar vertaler Paul Claes heeft verder een ruime keus gemaakt uit alles wat is overgeleverd aan, zeg maar kortweg, de gedichten. Dat is veel meer dan wat de Grieken zelf onder lyriek verstonden: gedichten die gezongen worden onder begeleiding van de lier, een antiek snaarinstrument.

Zo opent de bundel met een aardig ruime keus uit Archilochus (7e eeuw v. Chr.) van Paros die mogelijk een tijdgenoot van Homerus was. Het meest bekend is hij om zijn schimpdichten, waarin het er behoorlijk ruig aan toe kan gaan, vooral in die tegen zijn voormalige verloofde Neoboule of haar vader Lykambes.

Dit zijn de zogeheten jamben, die een rijke traditie hebben in de Griekse literatuur met als meest opmerkelijke verschijningsvorm de obsceniteiten in de oude Griekse komedie. Maar eeuwen daarvoor schreef Archilochus al snaaksheden als die welke Claes vertaalt onder de titels Zij: ,,Als een Thrakiër of Frygiër die bier zuigt door een rietje, zo zwoegde zij voorovergebogen ...'' en Hij: ,,Zijn pik zwol: net een vetgemeste fokezel uit Priëne ...''

Aan de andere kant schreef Archilochus heel ontroerende gedichten zoals de schitterende elegie over een scheepsramp die de eilanders getroffen heeft (p. 41).

Maar het meest verbijsterend was toch de Keulse papyrus die ontdekt werd in de kartonnage van een Egyptische mummie en in 1974 werd gepubliceerd. Hoeveel letters en woorden ook van het stuk papyrus verdwenen waren, het gedicht leek duidelijk en een golf van verontwaardiging joeg door de geleerde wereld. De ik-persoon voert een gesprek met de veel jongere en nog niet volwassen zuster van Neoboule. Hij wil met haar de liefde bedrijven, en zij probeert hem op andere gedachten te brengen. Tenslotte vlijt hij haar neer in de bloemenweide waar zij zich bevinden en omhelst haar.

De eerste uitgevers van de papyrus spraken geschokt van een verkrachting; latere commentatoren hebben dit 'verzacht' door erop te wijzen dat de laatste regels van het gedicht, voor wat daarvan over is, geen uitsluitsel geven of de ik-persoon de maagdelijkheid van het kind verbreekt of buiten haar lichaam klaar komt. Maar een of andere vorm van aanranding lijkt toch wel degelijk in het spel, zodat ik verbaasd ben dat Claes in zijn vertaling er een lieflijk herdersuurtje van maakt met de pertinent onwaarschijnlijke interpretatie: ,,Ze schuwde mij niet langer als een hinde'', waarna de ik onbekommerd zijn gang gaat.

De lezer moet er dan ook op bedacht zijn dat hij bij een aantal gedichten van Archilochus, van de twee dichters van het eiland Lesbos, Sapfo en Alcaeus, of de Zuiditalianen Stesichorus en Ibycus, voor een deel gedichten van Claes leest. Dat is niet te voorkomen: bij gedichten die zo gehavend op stukjes papyrus tot ons zijn gekomen, moet je ondanks alle vernuft van geleerde reconstructies, je eigen keuze maken.

Dat geldt ook voor de selectie. Sapfo en Alcaeus zijn terecht beiden met een ruim aantal fragmenten aanwezig, al spreekt niet elke losse Sapfische regel even sterk tot de verbeelding. Heel aardig is dat Claes vanuit zijn enorme eruditie de lezer regelmatig even verwijst naar een moderne 'navolger' van de oude Griekse poëzie. Zo zet hij boven Sapfo's bruiloftshymne: ,,Hoog het dak / Hymenaios / heft het, timmerlieden / Hymenaios'', de titel van J.D. Salingers boek 'Raise high the roof beam, carpenters' uit 1963 (p. 149).

En bij de dichter Tyrtaeus, die voor zijn broodheren in Sparta opzwepende strijdliederen componeerde, zet hij kort maar krachtig deze thanatische zinnelijkheid weg, die van alle tijden, met een snelle mars via Horatius langs een aantal Europese patriotten die 'de jeugd van Nederland, Duitsland, Spanje en Frankrijk de heldendood instuurden'. Hij eindigt dan bij de in 1918 gesneuvelde Wilfred Owen die het eeuwige refrein: ,,Het is goed en eervol voor het vaderland te sterven'' in de loopgraven ontmaskerde.

Ook de rabiate vrouwenhaat van menig vroeggriekse dichter komt goed aan bod: in de satirische Vrouwenspiegel van Semonides van Amorgos, die mij toch altijd weer aan het lachen maakt, of in de bondige twee regels van Hipponax: ,,Er zijn twee dagen dat een vrouw genietbaar is: / die van haar huwelijk en haar begrafenis''.

Vreemd vind ik dat Claes de Hades regelmatig vertaalt met 'Hel'. Al kende de Griekse onderwereld een afdeling voor onverbeterlijke criminelen, het was toch een troosteloze plek van ronddolende schimmen. Bij het joods-christelijke begrip hel krijgt de lezer, deze althans, heel andere associaties.

Dat neemt niet weg dat Claes vaak meesterlijk vertaalt, geserreerd ook, zoals in de parafrase die Alcaeus maakt van Hesiodus' beschrijving van de hete Hondsdagen: ,,De distel bloeit. Nu zijn de vrouwen het geilst, / mannen slap. Sirius verdort kop en knieën.'' En bijna mooier dan het Griekse origineel is zijn weergave van een drinkliedje op p. 271, waarin je de scharen van de kreeft hoort knisperen: ,,De kreeft hield in zijn schaar / een slang geklemd en sprak: / 'Jij kromme kronkelaar, / ik zag je liever strak'.''

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden