Rudolf Steiner ontkent het bestaan van hopeloze ellende

En toen zaten we met zo'n tweehonderd mensen in de Rode Hoed om te praten over Rudolf Steiners boek 'De filosofie van de vrijheid'. De sprekers waren niet gekozen op grond van hun reeds jaren hardop beleden enthousiasme voor Steiners denken, integendeel. Het idee was om niet-antroposofen aan het woord te laten over een tekst die in antroposofische kring niet altijd even kritisch wordt benaderd.

Ik zag ertegenop om daar te spreken, want je bent te gast en dan is het niet erg elegant om te zeuren over het innerlijk behang van gastvrouw en gastheer. Reeds vóór lezing van het boek bevond ik mij ten opzichte van Steiner in een enigszins scheve positie, omdat ik bij twee gelegenheden geestelijk een beetje slechter van hem ben geworden. Ik heb het maar eerlijk verteld.

Mijn eerste onfortuinlijke ontmoeting met Steiner, of een geperverteerde versie van zijn denken, vond plaats via een vriend en jaargenoot tijdens mijn medische studie. Wij waren allebei ex-katholiek, maar tot mijn verbijstering stak hij vanuit de katholieke kerk de weg over om zich aan de overkant in een onaantrekkelijk filiaal van deze onderneming te vestigen: de antroposofie. U merkt het, ik wist, en weet, weinig of niets van antroposofie. Maar ik ging wel eindeloos in debat met mijn vriend.

Van mij moest hij Wittgenstein leren aanbidden, en ik van hem Steiner. Het liep uit de hand toen hij mij eens toevoegde dat de antroposofie vooralsnog te hoog was gegrepen voor mij. Dat ik er geestelijk nog niet aan toe was. En de boel plofte definitief toen we het over de dood van mijn moeder kregen. Zij stierf in 1959 aan levercirrose. Mijn vriend legde uit dat Steiner had uitgelegd dat de mens in ziekte in zekere zin zijn lot in eigen handen neemt, en dat die cirrose van mijn moeder dus op de een of andere manier door haarzelf was veroorzaakt.

Ik vond dat een absurd verwijt naar mijn arme moeder, die naar ik u kan verzekeren, geheel tegen haar wil op 54-jarige leeftijd bij haar man en zes kinderen werd weggehaald. Ik was de jongste, toen 11 jaar oud. Deze onzinnige bewering, waarvan ik niet goed weet in hoeverre hij op Steiner is terug te voeren, ben ik hem altijd blijven verwijten.

De tweede keer was bij lezing van Steiners verslag van een bezoek aan de zieke Nietzsche, het speelde in 1896. Steiner werkte toen, of probeerde toen te werken, voor het Nietzsche-archief in Naumburg, onder de ellendige leiding van Nietzsche's zus Elizabeth.

Op een middag in januari 1896 nam zij Steiner mee naar haar zieke broer, die sinds zijn instorting in Turijn geestelijk ernstig beschadigd was.

Hier is Steiners verslag van 22 januari 1896.

'Zojuist Nietzsche gezien. Hij lag op de sofa als een denker die vermoeid is en die al liggend verder denkt over een probleem dat hem reeds lang dwarszit...Men stelt zich voor dat er een geweldige gedachtewereld sluimert achter dit voorhoofd. Ik dacht: hij is volledig bij bewustzijn, ziet en hoort alles wat er om hem heen gebeurt. Kan het alleen niet uiten. Ik werd overweldigd door de ervaring van een grootheid die van de wereld was afgesneden.'

Bijna 30 jaar later komt hij nog eens terug op dit treffen.

'En zo stond Nietzsche's ziel voor mijn ziel, als zwevend boven zijn hoofd, onbegrensd mooi in haar geesteslicht; in vrije overgave aan de geestelijke werelden waarnaar zij voor de instorting verlangde, maar die zij niet vond; toch zat deze ziel nog vast aan het lichaam ... Nietzsche's ziel was er nog, maar zij kon het nog slechts buiten zijn lichaam uithouden, het lichaam dat haar ervan weerhield zich in haar volle licht te ontvouwen zolang zij zich daarbinnen ophield.'

Ik ergerde mij aan de manier waarop Steiner zijn kitscherige fantasie over Nietzsche's weerloze lijf meende uit te mogen storten. De arme Nietzsche was geestelijk zo volledig uitgeruimd dat hij nog slechts grommende geluiden voort kon brengen. Mij trof het als onfatsoenlijk om in dit betreurenswaardige wrak een prachtig licht te zien schijnen. Nietzsche's ziel hing niet boven zijn hoofd, zijn ziel was aan flarden.

Wat mij dwars zat, en nog altijd zit, in Steiners visie, is niet zozeer een metafysisch detail, als wel de ontkenning van het veelvuldig voorkomen van hopeloze ellende. Ik zie in mijn werk dagelijks vele mensen die door het noodlot op een vreselijke en volstrekt onverdiende manier te grazen worden genomen. Ik blijf daar vrij rustig onder, ook al omdat ik weet dat mijn verdriet hen geen steek verder helpt. Antroposofen, maar zij niet alleen, menen dat het menselijk bestaan, ook in de ellendigste vorm, op de een of andere manier wel goed zit, of goed komt, door iets of iemand buiten onze kring. Ik ken dat gevoel niet. Het is misschien een kwestie van temperament. Met argumenten kom je hier niet uit, dus zelfs toen we na afloop gingen eten kregen we nog steeds geen ruzie.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden