Rozengeur in Schiedam

Herman de Vries, hoorde ik op de radio zeggen, daar moet je naar toe. Zijn werk hing op een tentoonstelling in het Stedelijk Museum van Schiedam. Ik ging er kijken.

Het was ochtend en het regende.

Ik liep via de Singel, die geen singel meer is, naar het oude stadscentrum. De wind rukte aan de paraplu. In een raam een dichtregel van Martinus Nijhoff. Men vouwt met voorzichtige hand vitrages terzijde want elke voorbijganger is min of meer een gebeurtenis.

Als gebeurtenis werd ik niet opgemerkt. Ik bereikte het museum in een doodstille winkelstraat.

Meer dan vijftig jaar maakte hij kunst, ook voor deze tentoonstelling nog. Hij was er zelf ook, virtueel althans, want bij elke thematisch ingerichte afdeling was in de hoek een klein scherm opgehangen, waarin we de kunstenaar konden zien terwijl hij over het werk in de zaal vertelde. Witgrijs, dun haar voorbij een ver teruggetrokken haargrens, lange witgrijze baard. Zwart T-shirt. Hij leek kortademig en zijn stem klonk stokkend, bezoekers bogen hun bovenlijf naar de hoeken waarvandaan hij sprak. Want horen wilden we hem graag. De werken gaven zich niet zo maar prijs.

Herman de Vries maakt reeksen. Hij neemt waar, verzamelt, ordent. Zaken uit de natuur. Hij is opgeleid als plantkundige, maar hij werd kunstenaar. Om weer te leren kijken.

Zo stak hij in een droge weide in Noord-Beieren, vlakbij waar hij woont, een stuk grond uit van 40 bij 40 centimeter, om er elk plantje uit te halen ('drie weken hard werk') en te exposeren. 473 waren het er in totaal, en ze hingen één voor één achter een folie aan de wand, zij het zonder determinering, want de plantkundige was achter de kunstenaar verdwenen. Die wist nu dat hij bij elke stap in het weiland zo'n veertig planten onder zijn voet had. Dat, zei hij, was een functie van de beeldende kunst, namelijk om deel te nemen aan bewustzijnsprocessen.

Er hingen werken van toeval, zoals de blaadjes die gedurende een uur in de herfst van 1975 van zijn appelboom op een vel papier dwarrelden, van gelijkenissen en diversiteit, zoals de rij met doornige rozenstammen, en pure poëzie, in de oker- en pastelkleurige tinten van uitgewreven aarde, waarvan hij uit de hele wereld monsters verzamelde.

Ja, De Vries verzamelde aarde. Maar ook geitenkeutels, platgereden blikjes, dunne blaadjes van acacia's, weggewaaide zaadjes, in series ingelijst, je betrad er een heel universum.

En woorden schreef hij op lange stroken papier, met kleurpotlood. Weken achtereen, tussen twee en acht, het woord 'all'.

Een oefening in meditatie.

En dan stond je voor vier monumentale planten, een groot vierluik, dat hij heksenplanten noemde. De giftigste de monnikskap, vooral in trek 'bij adellijke vrouwen in Italië, die er hun agressieve huwelijkspartners mee ombrachten.' Maar het allermooist, midden in een stil, druilerig Schiedam, was de zaal met de rozenbloemen op de vloer en de geur die eruit opsteeg. 'Als je niks ervaart, dan ben je niet', zei de kunstenaar.

Gaat dit zien, horen en ruiken.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden