InterviewRoy Jacobsen

Roy Jacobsen schreef een boek over de Noorse eilandcultuur: ‘Een kosmos in een notendop’

Roy Jacobsen: ‘Vrijwel iedereen heeft een zomerhuis, ergens in de wildernis, waar de romanticus in ons bovendrijft’. Beeld Colourbox
Roy Jacobsen: ‘Vrijwel iedereen heeft een zomerhuis, ergens in de wildernis, waar de romanticus in ons bovendrijft’.Beeld Colourbox

De Noorse schrijver Roy Jacobsen schrijft over het rauwe, Noorse eilandleven in zijn boek ‘De onzichtbaren’. ‘Wat ik doe is ongewoon in Noorwegen. De moderne Noor kijkt zelden achteruit.’

‘Niemand kan een eiland verlaten’, schrijft de Noorse auteur Roy Jacobsen (65) in zijn boek ‘De onzichtbaren’, dat deze zomer in Nederlandse vertaling bij De Bezige Bij is verschenen. ‘Een eiland is een kosmos in een notendop, waar de sterren slapen in het gras onder de sneeuw’ en waar ‘alles van waarde van buitenaf komt, behalve de grond’. ‘Maar de grond is niet de reden waarom ze hier zijn, daar zijn de eilanders zich pijnlijk van bewust.’

De onzichtbaren; de titel verwijst naar drie generaties van de fictieve familie Barrøy die omstreeks het begin van de twintigste eeuw een gelijknamig eiland voor de Noorse kust bewonen. Het is een bestaan in een continue dialoog met de elementen – de zee, de wisselvalligheid van het weer – dat hun eilandlevens tegelijkertijd bars maakt, en subliem.

Behalve een afschildering van de relatie tussen man en natuur is Jacobsens boek een verhandeling over de gespletenheid tussen het leven dat is afgebakend door de zee, en het leven op het vasteland, zichtbaar maar altijd net buiten bereik.

De roman, die in Noorwegen uitkwam in 2013 en drie jaar later verscheen in Engelse vertaling, werd in 2017 genomineerd voor de gerenommeerde Man Booker International Prize. Jacobsen volgde de afgelopen jaren ‘zijn’ familie Barrøy door de twintigste eeuw; na een vervolg op De onzichtbaren, en vervolgens een boek drie, legt hij nu de laatste hand aan een vierde en voorlopig laatste deel.

‘In juni en juli kent het eiland geen nacht’

Eilandleven; het is voor Jacobsen niet uitsluitend een metafoor voor allerhande existentiële thema’s. Het is ook zijn geleefde realiteit. Hij woont en woonde de helft van zijn tijd op een lapje grond omgeven door water. De andere helft woont hij in Oslo. Zijn moeder komt uit een eilandgeslacht: haar ouderlijk huis stond op het eiland Dønna in de regio Nordland, waar ook Jacobsen talloze seizoenen van zijn jeugd doorbracht.

“Het ligt vlakbij de Lofoten, zo’n 1100 kilometer ten noorden van Oslo. Het is een klein eiland, misschien wonen er duizend mensen. Ons huis daar dient nu voornamelijk als zomerhuis, zoals zoveel Noren zomers een buitenhuis betrekken. Al kan je het in ons geval beter een winterhuis noemen; van een zomer is daarboven nauwelijks sprake. Oslo is net Griekenland. De hoofdstad heeft een mediterraans klimaat vergeleken met het eiland. Dønna is winderig, koud, regenachtig, besneeuwd. De voorlaatste kerst brachten ik en mijn gezin daar een maand in het donker door. De elektriciteit was uitgevallen, we konden niet naar buiten en zaten gevangen bij kaarslicht. De zon komt er in de wintermaanden niet op. We krijgen alle zonne-uren in de zomer. In juni en juli kent het eiland geen nacht.”

De hele lengte van de Noorse westkust ligt bezaaid met eilandjes als Dønna, of het fictieve Barrøy. Duizenden, zijn het er, waarvan een groot deel tot de eerste helft van de twintigste eeuw nog werd bewoond. De eilandcultuur, vertelt Jacobsen, was zowel uniek – elk eiland zijn eigen microkosmos – als homogeen. “Een leven aan zee is een categorie op zich. Het klimaat is er anders dan op het vasteland, en allesbepalend.”

Roy Jacobsen. Beeld Agnete Brun
Roy Jacobsen.Beeld Agnete Brun

Zijn moeder nam hem en zijn zus van jongs af aan mee naar Dønna, om haar vader te helpen op zijn boerderij. Jacobsens grootvader was visser en boer, zoals de meeste eilandbewoners in die tijd. Het bestaan aan de Noorse kust, vertelt Jacobsen, had er sinds de Vikingtijd min of meer hetzelfde uitgezien. “Iedereen hier was fiskarbonde, vissersboer, en onderhield zichzelf van een combinatie van zee en land, granen, aardappels en visvangst.”

Jacobsen werkte zelf vier winters als visser, in de walvis- en haaienjacht, en nog zo’n twintig jaar aan de kust in de bouw, de landbouw en als grafgraver. Pas sinds de jaren negentig leeft hij van de literatuur.

'De visvangst zit in het bloed van de Noren’

Eeuwenlang dreef de Noorse economie op de visserij. De export kwam al vroeg op gang. Sinds de tiende en elfde eeuw na Christus, vertelt Jacobsen, voorzag Noorwegen Zuid-Europa van kabeljauw. “Het land was voor zijn inkomsten afhankelijk van vastendagen, de dagen waarop geen vlees, maar wel vis gegeten werd.”

De visvangst zit in het bloed van de Noren, zegt Jacobsen. Het heeft hen gemaakt ‘tot wie we zijn’ – veel meer dan petroleum, ’s lands recentere geldbron. “Het vissersbestaan is drastisch veranderd door moderne technologieën. Het is veel eenvoudiger en veiliger dan voorheen, maar het beroep is en blijft hard as hell.”

Het literaire eiland Barrøy en de familiegeschiedenis die zich daar in De onzichtbaren ontvouwt, ontleent zich aan een mengeling van Jacobsens familiemythologie, folklore en geschiedschrijving. “Wat ik doe is ongewoon in Noorwegen. Vandaag de dag ben ik de enige die dergelijk historisch materiaal toepast. Terwijl die geschiedenis onze identiteit vormt. De moderne Noor kijkt zelden achteruit, ondanks dat de meesten toch grootouders of overgrootouders hebben wier levenswijze dit was, op de grens van land en zee.”

De moderniteit bereikte Noorwegen relatief laat, maar bliksemsnel. “Mijn moeder zag voor het eerst een gloeilamp toen ze veertien was. Na de oorlog was Noorwegen straatarm, een van de minst vermogende landen van Europa. Tot de vondst van olievelden in de Noordzee, eind jaren zestig. Binnen twee decennia transformeerde de hele maatschappij. Gedrag, gewoontes, ons uiterlijk, de economie. Toch is een deel van ons onbewuste nog elders, in het vooroorlogse Noorwegen. Vrijwel iedereen heeft een zomerhuis, ergens in de wildernis, waar de romanticus in ons naar boven drijft, waar we stilstaan en mediteren.”

Het klimaat op de Noorse eilandengroep Lofoten is perfect om kabeljauw te drogen: niet te koud, niet te warm. Beeld Eric Fokke
Het klimaat op de Noorse eilandengroep Lofoten is perfect om kabeljauw te drogen: niet te koud, niet te warm.Beeld Eric Fokke

Na de oorlog, in de jaren vijftig en zestig, werden veel kleine eilandnederzettingen opgedoekt. De gemeenschappen vestigden zich op grotere eilanden of verhuisden naar het vasteland, dat in rap tempo urbaniseerde. Eilandruïnes getuigen vandaag nog van vroegere bewoning. “Ik had een vriendin die de eerste vijftig jaar van haar leven op een eiland woonde, tot mid-jaren zestig. Het gebiedje huisde alleen haar familie. Ze leefden er in abjecte armoede. Vanaf de kade konden ze elektriciteit zien op het vasteland, maar zelf moesten ze het zonder zien te bolwerken. Het was een onmogelijk dilemma tussen afkomst en vooruitgang. Uiteindelijk zijn ook zij vertrokken.”

Het is een terugkerend thema in Jacobsens werk; de transitie van een agrarische samenleving naar een post-industriële, technisch-geavanceerde maatschappij die wordt gekenmerkt door overvloed, een myriade aan keuzes, met een compleet nieuw identiteitsbesef. Maar het is een omwenteling waarmee ook veel kunde en kennis verloren is gegaan.

“De mentale capaciteit van eilandbewoners werd niet bepaald door cultuur maar de natuur. Je moest creatief zijn om in dat landschap te overleven. Als jij nu op zo’n eiland gedropt wordt, ben je binnen drie weken dood. Nee – het waren elitewerkers. Ze moesten op alles voorbereid zijn, ze moesten het weer en de zee kunnen lezen. Ze verrichtten wonderen om zichzelf staande te houden. Die vaardigheden zijn nu allemaal verdwenen.”

Leukigheden herinneren en trauma’s wegmoffelen

De reis tussen klassen en bestaanswijzen is er een die de auteur zelf heeft afgelegd. Jacobsen groeide op met een alleenstaande moeder, afkomstig uit een arbeidersgezin. “We waren behoorlijk arm”, vertelt hij. “Mijn moeder leefde nog in het stenen tijdperk.” Nu is hij een van de bestverkochte, meest-vertaalde schrijvers van Noorwegen die niet meer zonder ‘de technologie en de culturele prikkels’ van de stad zou kunnen. Al zal hij zich altijd meer verbonden blijven voelen met de wildernis, het buitenzijn. Vandaar ook zijn continue gependel tussen stadsappartement en buitenhuis.

“Dat is wat ik probeer te vangen: wat doet het met een volk als de samenleving zo’n kentering beleeft? Wat zijn de mechanismen van herinnering, op zowel individueel als op nationaal niveau? Waarom vergeten we massaal ons verleden, de oorlog, hoe we toen leefden?”

We zijn geneigd leukigheden te herinneren en trauma’s weg te moffelen, meent Jacobsen. “Hoe efficiënter je dat doet, des te dommer je wordt. Het maakt dat je het hedendaagse leven niet ten volle waardeert. Dat je zo iemand wordt die veel te snel, veel te stellige conclusies trekt.”

“Na de oorlog was iedereen tot op zekere hoogte bezoedeld – iedereen had dingen gedaan waar hij niet trots op was, maar die noodzakelijk waren geweest om te overleven. Iedereen had voor keuzes gestaan die geen precedent kenden. Maar in de naoorlogse jaren trad een nationale vergetelheid op. De kinderen werd niks verteld. Het is heel menselijk; we hebben nu eenmaal de neiging het verleden te romantiseren. Alleen dat uit te lichten wat comfort en troost biedt. Als je je huis inricht, zet je er ook geen lelijke spullen in.”

‘Als je niet weet waar je oorsprong ligt, is het moeilijk je eigen weg te vinden’

Desondanks, zegt Jaocbsen, is het belangrijk je achtergrond te kennen. “Als je niet weet waar je oorsprong ligt, is het moeilijk je eigen weg te vinden. De geschiedenis van je ouders en grootouders fungeert als kompas dat je om eerder gemaakte fouten heen leidt, en die je eerbied meegeeft voor voorgaande generaties.”

De onzichtbaren is onbetwistbaar romantisch, met een centrale rol voor de band tussen mens en natuur, de zelfvoorzienendheid van een eilandgemeenschap, onwrikbare familiebanden, de kleine en grote tragiek – en lichtpunten – van onzichtbare levens. Toch romantiseert het boek weinig. Schoonheid en verlies zijn beide constanten op Barrøy.

“Nostalgie is een gevaarlijk gegeven. Het wakkert nationalisme aan, voortgestuwd door de illusie dat je een geromantiseerde versie van het verleden met politieke middelen kan herscheppen.”

Kent Jacobsen de hang naar nostalgie? “Nee, daarvoor ben ik te realistisch aangelegd. Mijn familiegeschiedenis kent te veel catastrofes om terug te verlangen naar een vorig tijdperk. Ik voel het meer als mijn taak om vat te krijgen op het verleden. Nostalgie is overigens ook menselijk. Als je de Griekse etymologie van het woord opzoekt kom je uit bij de betekenis ‘een oude wond waarvan het aangenaam is eraan te krabben’. Een hele mooie invulling, vind ik. Veel mooier dan hoe we tegenwoordig het begrip interpreteren.”

‘De onzichtbaren’, Roy Jacobsen, 256 pagina’s, 21,99 euro

Lees ook:

Waarom het olieboren bij Lofoten geen goed idee is

Plannen voor proefboringen naar olie, op 83 kilometer van de Noorse Lofoten en te midden van koraalriffen, wekken de woede van Noorse natuur- en milieu-organisaties.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden