Rotte tomaten op een toga

Op hoge toon bekritiseren media en politici ¿ Geert Wilders voorop ¿ uitspraken van rechters. Schaadt dat de rechtsstaat? Welnee, dat gefoeter is juist typisch Nederlands, vindt rechter Rinus Otte. Hij hoopt juist dat de kritiek 'nog intenser' wordt.

'Het recht is geen rustig bezit' of 'het recht is een tobberig bezit'. Ik ken geen andere verzuchting uit de strafrechtelijke en juridische literatuur die rechters en gezagsdragers zo vaak hebben gerepeteerd. Ze maken zich grote zorgen over de kritiek op de rechterlijke macht. Het grootste deel van de rechterlijke macht reageert met wrevel op kritiek van politici op vonnissen of te lage straffen. Andere bij het recht betrokkenen vrezen voor aantasting van het gezag van de rechterlijke macht door de uitspraken van politici als Geert Wilders. Juristen roepen op hoge toon dat de wetgever en politici de rechten van verdachten uithollen en volgens sommigen glijdt de rechtsstaat af.

Ook ik meen dat politici er soms naast zitten en kiezen voor incidentenpolitiek. Wie politici aan het woord laat verneemt tegengesteld geklaag: rechters straffen onvoldoende, motiveren hun uitspraken niet goed en leggen de wet te beperkt uit. Op de publieke markt schreeuwen de rechterlijke macht en andere standwerkers om het hardst dat het met het recht zo tobberig gesteld is. Afhankelijk van de bezochte marktkraam wordt de oplossing voor deze koude oorlog in tegengestelde richting gezocht. Of de rechters moeten uit hun hok komen en rechtvaardigen waarmee ze bezig zijn of de politici moeten hun hok in en niet langer spreken over rechters die zich slechts via hun vonnissen kunnen verdedigen.

Mijn indruk van het rechterlijke, het wetenschappelijke en het publieke debat is dat we het recht juist te weinig zien als een terrein dat tobberig hoort te zijn en te blijven en zich voorzichtig behoort aan te passen aan veranderende maatschappelijke opvattingen. Ook al zou dit gaan om een trendbreuk. In onze samenleving wordt elk gezag in toenemende mate besproken. Dat gebeurt soms onwellevend, maar dat hoort erbij, tenminste als je het recht ook ziet als een product dat verhandeld wordt op de markt van welzijn en geluk. Consumenten ¿ ook die uit een andere staatsmacht, zoals de politiek ¿ mogen zich een oordeel aanmeten over de kwaliteit van het geleverde rechtsproduct. Dat gebeurt ook. Hoe zou anders een wetsvoorstel over minimumstraffen tot stand kunnen komen? Rechters zijn tegen invoering van minimumstraffen. Dit wetsvoorstel is geboren uit onvrede van politici met de bestaande straftoemeting.

Ik heb nog geen bewijs gezien dat minimumstraffen de samenleving veiliger maken; ik heb voor dat voorstel dan ook weinig waardering. Maar in beginsel zie ik geen kwaad in het initiatief. Zou wetgeving alleen maar tot stand mogen komen als er draagvlak onder rechters is? Door zo te fulmineren tegen de politieke onvrede over de rechtstoepassing kennen rechters te weinig hun staatsrechtelijke plaats.

Dat rotte tomaten naar de rechtskraam worden gesmeten, trekken vooral rechters zich aan die verlangen naar tijden van weleer toen het volk nog onderdanig het hoofd boog bij een rechterlijke uitspraak. Die tijd is voorbij - als zij al ooit heeft bestaan ¿ en gemijmer erover is zinloos. De rechterlijke macht komt niet meer gezag toe dan de andere staatsmachten.

Het strafrecht, waarmee ik me het meest verwant voel, is gebaat bij een zo scherp mogelijk debat. Ik vind dat kritiek op de rechterlijke macht gehoord mag worden, bestaansrecht heeft en bij rechters tot overdenking moet leiden.

Ik lees soms vonnissen waarin de rechter zich scherp uitlaat over wetgever en beleidsmaker en soms zelfs over de uitvoering van straffen. Ik maak politici mee die zich negatief uitlaten over rechters en hun vonnissen. Als er dus al van vervlakking in de staatsrechtelijke verhoudingen sprake is, dan dragen alle staatsmachten daaraan een steentje bij. Ik vind het lastig om in het huidige discours ontwikkelingen aan te wijzen die schade berokkenen aan het rechtsstaatbegrip. Sommige ontwikkelingen in wetgeving leiden bij hoogstaande juristen tot verblijding, andere verketteren ze. Maar het oordeel van juristen is ongewild meer rechtspolitiek dan juridisch van aard.

Het beeld van een rechtsstaat in verval, veroorzaakt door populistische politici, verdient aanvulling: juristen die dit sombere beeld neerzetten, dragen met hun toonhoogte zélf bij aan die beeldvorming.

De frase 'het recht is een tobberig bezit' suggereert dat een zorgeloos bezit van het recht mogelijk is. Alsof een dergelijke gelukzaligheid denkbaar is en het recht niet een afspiegeling vormt van het tijdgewricht waarin het recht zich manifesteert. De geschiedenis leert dat mensen conflictueus zijn. De ontwikkeling van het recht met moeizame debatten en betwiste keuzen van de wetgever vormt daarvan een flauwe afschaduwing. Het recht kan dus niet anders dan een betwist en bekritiseerd bezit zijn. De markt van het recht kent vele kramen met evenveel bestaansrecht. Als rechterlijke standwerker hoop ik dat de rechtsgenoten mijn producten waarderen, maar als ze het niet doen is het mij om het even. De koning en de grondwet hebben mij deze standplaats toegewezen en na mijn pensioen mag een ander proberen zijn of haar waren aan de man te brengen.

Ik maak een uitstapje naar het proces tegen Wilders. Hij viel, meenden zijn critici, de rechtsstaat aan en bracht die schade toe met zijn fnuikende uitlatingen over het gezag van de rechter als hij niet werd vrijgesproken of niet van een blik nieuwe rechters werd voorzien.

Laat ik het volgende voorop stellen. Ik ben voor een ruim toelatingsbeleid voor vreemdelingen. Als er een veelvoud aan immigranten wordt toegelaten en er tienmaal zoveel moskeeën worden gebouwd is het mij om het even. Boerka's vind ik het straatbeeld verlevendigen, uitgaande van de veronderstelde wilsvrijheid van de drager. Elke religie, waaronder de islam, is mij dierbaar, zolang deze de gelovige bevrijdt van datgene wat hem knecht en bijdraagt aan een betere leefgemeenschap (daarom kan men soms wantrouwend staan tegenover religies). Het niet beheersen van de Nederlandse taal vind ik wel een minpunt bij allochtonen, maar er zijn ook autochtonen die geen normale zin kunnen uitspreken. Kortom, ik deel de politiek van de beweging van Wilders niet.

Maar ik vind Wilders een getalenteerd politicus die regelmatig de stijlvorm van een filippica, een strafrede, kiest. Polariseren is mensen aangeboren en daarmee is op zich niets mis. Tot op heden hebben andere partijen en politici tot op heden geen effectief weerwoord. Wilders gebruikt metaforen die mij tegenstaan maar die zeer creatief zijn.

Ik vind de uitlatingen van Wilders en soortgelijke politici niet per definitie ontoelaatbaar. Onze politieke cultuur is er een van polarisatie. Niet alleen vanaf de jaren zestig van de vorige eeuw, maar ook ver voor onze tijd. Het prachtige boek van Michel Reinders over het populisme in 1672 en de moord op de gebroeders De Witt maakt het pamflettisme tussen Orangisten en de aanhangers van de Ware Vrijheid zichtbaar. Daarbij werden de fluwelen handschoenen uitgetrokken en de kwaadaardigheid over en weer loog er niet om. Onze tijd en politieke cultuur lijken daarbij misschien net niet heilig, maar het huidige debatniveau verdient wel een historisch perspectief. De standpunten en uitlatingen van de politicus Wilders zijn niet de mijne, maar zijn tegenstanders maken gebruik van goedkope beelden en principes. Bij de Algemene beschouwingen na Prinsjesdag 2011 buitelen de politici over Wilders heen die de premier toevoegt: 'Doe eens normaal man'. Maar wie terugdenkt aan hoe premiers als Lubbers werden toegesproken over 'belubberd' beleid, of hoe premier Den Uyl werd uitgemaakt voor Sinterklaas, zou enige kortheid van memorie kunnen ontwaren in deze verontwaardiging over Wilders. Zie hoe premier Rutte wordt toegevoegd dat dit kabinet van alles wel de prijzen kent, maar van niets de waarde. Dat vind ik evenzeer beledigend ¿ als je tenminste de uitspraken van Wilders beledigend noemt. In dat licht zijn uitlatingen van Wilders over Cohen als de 'bedrijfspoedel van het kabinet Rutte I' niet zo ernstig. Ik neem politieke hypocrisie en politiek opportunisme vanuit andere partijen waar in de hoop dat ze op deze wijze Wilders op de politieke knieën krijgen. Ook Wilders wordt verslonden door de tand des tijds, maar zolang de mensheid bestaat zullen er vele Wilders-en zijn. Met dit standpunt bedoel ik niet dat uitlatingen van Wilders, zoals over islamitisch stemvee, beschaving ademen. Integendeel. Maar het debat daarover kan anders gevoerd worden.

De ruis rond het proces Wilders is mede veroorzaakt door juristen, rechters, presidenten en hoogleraren die over elkaar heen buitelden met persoonlijke of rechtspolitieke opvattingen over hoe bijvoorbeeld de rechtbank deze strafzaak wel of niet moest behandelen en wat Wilders wel of niet mocht zeggen. Een minder star begrip van democratie en rechtsstaat zou meer ruimdenkendheid hebben opgeleverd en dit proces minder hebben opgeblazen. De rechtsstaat is niet zo snel in verval en kan wel een stootje hebben, ook na opmerkingen van politici als Wilders.

Hét probleem voor onze landelijke politiek en veel van onze bestuurders is breder en dieper. Vanuit mijn positie zie ik alle politieke partijen verwachtingen bij de burgerij wekken die niet eenvoudig in te lossen zijn. Wie de strafrechtelijke voornemens van de opeenvolgende regeringen heeft bijgehouden, weet dat voorstellen en wetten steevast worden gekoppeld aan een veiliger samenleving. De nieuwe wet of het aangekondigde beleid is vaak verdedigbaar, maar de laatste koppeling is niet altijd overtuigend en heeft geleid tot een continu patroon van hooggestemde verwachtingen. Een beschaafde partij als het CDA heeft in het verkiezingsprogramma opgenomen dat de tijdelijke gevangenisstraf naar veertig jaar moet worden opgehoogd, terwijl de inkt van de laatste verhoging naar dertig jaar nog maar nauwelijks droog is. Zou dit voorstel uit oprechte zorg over de wettelijke sanctiesystematiek voortkomen of toch enigszins ontsproten zijn aan verkiezingsretorische behoeften? Het is niet zo gek dat een cynische burgerij ontstaat en dat deze Wilders heeft gebaard. Kortom, elke politicus en bestuurder die oproept tot persoonlijk vertrouwen in hem of haar en het gepresenteerde zaligmakende beleid, wacht de afrekening omdat de zaligheid niet neerdaalt van boven. Dat de geadresseerde van het politieke en bestuurlijke beleid zaligheid op een andere plaats moet zoeken, bijvoorbeeld in het bestrijden van de eigen beperkingen of het nemen van eigen verantwoordelijkheid, is geen plezante boodschap.

Zijn het huidige debat over het recht en de toonhoogte waarop het gevoerd wordt, ernstig? Welnee. Dit is Nederland. Soms klein in rede, vaak groot in stemgeluid en in een debat weinig genegen de argumentatieve hand aan de ander te reiken. Het debat en de verbale kanonnades zeggen nog niet zoveel over de (on)macht van onze democratie en rechtsstaat. Dat zijn ingewikkelde fenomenen die niet snel imploderen of exploderen onder invloed van woordinflatie. Ik bezie de repeterende uitlatingen van juristen dat zonder vertrouwen in recht en rechter de rechtsstaat niet kan functioneren dan ook met relativering en ironie. Sommige collega's lijken zelfspot ingewisseld te hebben voor zelfoverschatting.

Wat dicteert ons verlangen naar het recht? Draait dat om de rechtsstaat, of gaat het om een diepere emotionele drijfveer in onze onderbuik?

De psycho-analyticus Erich Fromm beschreef de uittocht uit Egypte en het daaropvolgende verlangen naar de vleespotten uit Gosen als angst voor vrijheid. De mens in diaspora verlangt eerder naar zekerheid in slavernij dan naar een ongewisse vrijheid. Hij duidde dit menselijk fenomeen als de bestemming van elke mens die zich moet ontworstelen aan zijn ouderlijke banden. Daarom waren er veertig jaren omzwervingen door de woestijn nodig, destijds ongeveer de lengte van een mensenleven, om de oude generatie te laten sterven en de nieuwe generatie in vrijheid te laten opgroeien. Het is een prachtig verhaal. De mensgeschiedenis wordt getypeerd door een continue opstandigheid tegen gezag van anderen. Hoe definiëren we die opstandigheid? Als een voortdurende vrijheidsdrang naar een nieuwe of betere democratie of rechtsstaat of als een eeuwigdurende angst voor het onbekende?

Een andere uitleg is dat grote verbondenheid aan een bepaalde visie op rechtsstaat en democratie en een bijbehorende zoektocht naar generieke rechtsstaatopvattingen verstarring meebrengt. Welke beelden en symbolen gebruiken we om na te denken over een rechtvaardiger samenleving, en vooral, hoe brengt de rechter die over het voetlicht? We zitten in de goede richting als we in opstand komen. Niet tegen het gezag, maar tegen het zelfvoldane en eenvormige beeld van het recht in onszelf. Slechts het besef dat rechters en watchers van het recht, strompelaars zijn, kan leiden tot enige solidariteit met de medemens, maar ook met de makers van het recht. Dat tempert de valse hoop en mistige idealen. De idee van de onvolmaakte mens en rechter, levert meer garanties voor wetenschappelijke, politieke en juridische vooruitgang van de samenleving dan verschillende varianten van vooruitgangsgeloof.

Helaas overheersen dromen over een betere democratie en een vage hoop over de ontwikkeling van de mensheid en van het recht. Ik hoop dat de rechtsstaat intenser dan nu zal worden bekritiseerd. Dat levert een scherper en vooral opener debat op te krijgen over de invulling van het recht, over onderwerpen waar velen uit overgevoeligheid omheen lopen of slechts oneliners kunnen bezigen. Anno 2012 zou de rechter aan dat debat moeten deelnemen, niet overgevoelig, maar zelfbewust over het eigen vakmanschap en ontvankelijk voor het gegeven dat rechtsgenoten, waaronder politici, niet langer per definitie de rechterlijke uitspraken en opvattingen integraal omarmen. Een goed begin is een opener debat tussen rechters onderling en tussen rechters en bestuurders over de springende organisatorische en juridische speerpunten van het moment. Zolang dit interne debat moeizaam verloopt, mag het geen verwondering wekken dat rechters naar buiten een moeizame en defensieve indruk maken.

Niet alleen rechters, ook politici zouden zich scherper kunnen realiseren dat rechters zich in het debat regelmatig met de rug tegen de (publicitaire) muur voelen staan en zich niet altijd optimaal kunnen verdedigen. Daarom is het van het grootste belang om het verbale conflict tussen rechters en politici niet te vaak op de spits te drijven, anders dan voor retorische doeleinden. Conflicten zijn er om constructief mee om te gaan, temeer omdat ze soms zijn ingebakken tussen de staatsmachten of tussen een staatsmacht en burgers. Hoe kunnen rechters en politici zulke conflicten voorkomen of hanteerbaar maken? Door een goed gesprek te voeren, tussen hen en burgers, zonder elkaar eerst te verketteren. Daarvoor is luisteren naar argumenten en openstaan voor de achterliggende betekenis en emotionele lading van woorden van beslissend belang. Dat is anno 2012 de grootste opgave voor politici en rechters: om daar de condities voor te scheppen. En dan kunnen ze meteen praten over de vraag hoe het moet als ze het niet eens worden: wie toetst dan de kwaliteit van de rechterlijke organisatie en het rechterlijk optreden?

Terug naar het vertrouwde koppel rechtsstaat en democratie. Democratisch ongemak, als daarvan al sprake is, luidt nog niet direct verval van de rechtsstaat in. In de afgelopen decennia heb ik vaak gehoord dat het strafrecht gaat ontsporen. Maar niemand heeft nog aangetoond dat er niet langer sprake is van een eerlijk proces. Ik ervaar geen crisis in de rechtsstaat, geen hellend vlak. In die zin ben ik een 'positivist'.

Het continueren van een crisisgevoel schept echter een klagerig beeld dat niet noodzakelijk samenvalt met het getob dat het (straf)recht hoort aan te kleven. Twist hóórt er te zijn over de koers van het recht en welke wijzigingen de wet moet ondergaan om toegesneden te blijven op nieuwe ontwikkelingen. De grote last van rechters is dat de onderliggende waarden van het huidige rechtsbegrip minder gedeeld worden dan weleer, ook niet onder juristen; de waarden krijgen op andere tijden en plaatsen een nieuwe invulling. In ieder geval is het gevecht over de koers van het recht juridisch, technisch en maatschappelijk van aard en komt het maken van wetten aanvankelijk neer op het tellen van de parlementaire neuzen. Of de wet vervolgens in algemeen erkend recht transformeert, moet worden afgewacht. Het recht is immers van alle mensen en zij mogen commentaar geven op de staat van het recht.

Dit mag in harde en soms zelfs onbetamelijke bewoordingen. De rechter staat niet boven deze volkswetmatigheid; ook hij of zij moet bescheiden aanvaarden dat een rechterlijk oordeel met rotte tomaten kan worden onthaald. De stomerij voor het reinigen van de besmeurde toga is vlakbij, de kraan levert schoon water om de tomaatresten van het gelaat te wissen en schade loop je er niet door op.

Rinus Otte is vicepresident van het Gerechtshof Arnhem en hoogleraar in de Organisatie van de rechtspleging aan de Rijksuniversiteit Groningen

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden