Rond de geportretteerde boer en kolonel was een helse firma beangstigend groot aan het worden

Simon Carmiggelt had dikwijls plezier in het misleidende van ons uiterlijk. We zeggen graag bij de foto van een moordenaar: ’nou, dat kejje wel zien!’ Carmiggelts mooiste ervaring op dit gebied overkwam hem een keer op een Amsterdamse tram. Het is midden jaren zestig, de oorlog is nauwelijks twintig jaar voorbij en op een zomermiddag ziet hij op het balkon van de tram een vadsige man staan die hij onmiddellijk weet thuis te brengen als een Duitser. Hij begint geestelijk een heel dossier op te bouwen over deze rotzak die hier gewoon op vakantie durft te komen met een gezicht alsof er nooit iets gebeurd is, maar die toen waarschijnlijk bij de Grüne Polizei zat. Als Carmiggelt bij zijn halte komt stapt hij de man bij het verlaten van de tram per ongeluk op diens tenen en sist hij, geheel in stijl, ’Verzeihung!’

Terwijl hij nijdig de tram uitstapt roept de man hem na: ’Uit je bolle oge kijke, vuile rotmof!’

Voor de jongere lezers: de Grüne Polizei was geen geüniformeerde vorm van milieubescherming. De Grünen deden als Duitse politieagenten onder andere het vuile werk van Joden ophalen.

In FOAM (Fotografie Museum Amsterdam) kunt u dezer dagen gaan kijken naar een unieke verzameling Duitse gezichten uit onder meer de jaren 1920-1930, waarbij de verleiding groot is om ’dat kejje wel zien!’ te roepen. Maar wat kun je dan zo goed zien?

Het naderend onheil van de oorlog natuurlijk.

De foto’s zijn gemaakt door August Sander (1876-1964) die het idee had opgevat het Gelaat van Duitsland te fotograferen. In De Groene van 30 juli 1930 lezen we over een aantal van deze foto’s: „Hier zie je wat acht jaar oorlogsellende, vijftig jaar ’Schwerindustrie’, honderd jaar opvoeding of duizend jaar landbouw van een gelaat hebben kunnen maken.”

De Groene blikt terug naar wat deze gelaten achter de rug hadden. Maar wij blikken vooruit naar wat hen te wachten staat. Er is zelden een glimlach te zien. Alleen op de kindergezichten van de dorspsschoolklas in het plaatselijke Wald gefotografeerd, zie je hier en daar een steels glimlachje. En o ja, er is één mollige Duitse die lacht omdat ze bij het circus zit. Maar voor het overige is het een en al ernst en somberte, gefotografeerd in modderig licht, loopgraafmodderlicht, waarin August Sander een eindeloos aantal nuances op papier weet te krijgen van grijzen en zwarten. Ideale kleuren voor de gedoemden die hier samentroepen in tragische onwetendheid over het naderen van de meest verwoestende twaalf jaar in de geschiedenis van Duitsland, van heel Europa zelfs.

Maar dit onheilszwangere is Hineininterpretierderei. Dat blijkt als je kijkt naar de foto van Heinrich Hoerle, van wie ik nooit had gehoord, die schilder was, en die er uitziet als een overdreven versie van een van Lombroso’s misdadige types, een breinloze slachtmachine, hier in voorstadium van vage onrust.

In werkelijkheid was hij een Keuls dadaïst, die in de Eerste Wereldoorlog vocht, in 1922 zijn jonge vrouw aan tuberculose verloor, wiens kunst door de Nazi’s als ’entartet’ werd gekwalificeerd en die in 1936 op zijn eenenveertigste ook zelf aan tuberculose bezweek.

Er hangt rond deze foto’s een sfeer die Elsschot beschreef rond de arme Lauwereyssen, een onnozele, nietsvermoedende man, die zich na vijfentwintig jaar trouwe dienst willoos liet fotograferen op de plek ’waar de firma groot en hijzelf suf geworden was’. Want rond de door August Sander geportretteerde schoolmeester, metselaar, boer, kolonel, notaris, fanfare, werkeloze, stoffeerder, priester en grootindustrieel was een helse firma beangstigend groot aan het worden.

Ook voor die angst maakte Sander ruimte in vier portretten van mensen die omschreven worden als ’Vervolgingsslachtoffers’. Drie mannen en een vrouw, enigszins deftige burgers, aan wie het concentratiekamp niet af te zien is, gefotografeerd in hun woning. Je weet niet wat hen is overkomen. Zijn deze foto’s gemaakt nadat ze bij een razzia waren opgepakt en later weer vrijgelaten? Vond Sander hen terug in zijn archief, jaren nadat zij door de Nazi’s waren vermoord?

Er is ook een foto van een jonge soldaat in 1938, met de kenmerkende helm, prachtige heldere ogen, gefotografeerd, lijkt het, bij een bezoek aan de ouderlijke boerderij, de Wehrmacht in een toestand van onschuld nog.

We weten wel iets over wat Sander zelf aan vervolging doormaakte. Zijn zoon Erich was politiek actief tegen het Nationaal Socialisme en hij belandde in 1941 in een concentratiekamp. Ik weet niet welk kamp. Hij overleed daar in 1944, eenenveertig jaar oud.

Wij stellen ons zo’n kamp voor als een wrede chaos, maar temidden daarvan was er kennelijk een zekere ruimte, want er werd een dodenmasker van Erich vervaardigd.

Sanders foto van dit masker is het meest ontroerende beeld op deze tentoonstelling. Je ziet de jongen ook op eerdere foto’s als ’werkstudent’. Maar het eindigt met deze blik van een vader op het gelaat van zijn dode zoon, gezien door die merkwaardige sluier waarachter een dodenmasker de gestorvene plaatst.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden