Rond Bloemendaal krioelen al een eeuw 'lustige wandelaars'

Wandelpionier Jacobus Craandijk doorkruiste eind 19de eeuw heel Nederland. Zijn verre achterneef Flip van Doorn treedt in diens voetsporen. Deze week in de omgeving van Bloemendaal.

De eerste zeven delen van zijn 'Wandelingen' schrijft dominee Jacobus Craandijk in de jaren waarin hij de doopsgezinde gemeente van Rotterdam dient. In die periode is Haarlem niet minder dan vier keer het vertrekpunt van een wandeltocht. Hij zal dus zeer tevreden zijn geweest dat hij in 1884 wordt beroepen in die geliefde stad. Het achtste en laatste deel van de boekenserie schrijft hij in zijn Haarlemse werkkamer.

De reeks opent hij met een niet mis te interpreteren observatie, de eerste regel in het eerste hoofdstuk: "Wie Kennemerland niet kent, die kent een van de schoonste en een der belangrijkste streken van ons Vaderland niet." Bloemendaal schetst hij later als 'den vriendelijken lusthof' waar vooral des zondags de bospaden krioelen 'van gansche zwermen van lustige wandelaars.' Maar al doorkruist hij 'gaarne de lanen en slingerpaden van het bosch', we moeten niet denken dat hij een zondagswandelaar is. Als doopsgezind predikant heeft hij weliswaar geen morele bezwaren tegen een zondagse wandeling, maar hij hoort eenvoudigweg niet tot de bezoekers 'wier bezigheden geen uitstapje in de week veroorloven'. Craandijk is een van de bevoorrechten die 'bij voorkeur niet des Zondags wandelen, als wij wat rustiger dag kunnen kiezen'.

Geen mensenmassa's dus voor de wandelende dominee, geen platgetreden paden in drukbezochte wandelbossen. Hij neemt de spoortrein naar Santpoort voor een stevige dagmars die hem pas na de nodige omzwervingen naar Bloemendaal zal voeren. "Wij gaan genieten in de bosschen, op de duinen. 't Is een uitgezochte dag er voor!"

En wie ben ik om hem tegen te spreken? Ik begin hem een beetje te kennen, mijn oud-oom Jacobus. Zijn keuze voor het station dat vandaag de dag in de dienstregeling vermeld staat als Santpoort-Zuid, stelt hem in de gelegenheid langs de Ruïne van Brederode te wandelen. Hij heeft nu eenmaal een zwak voor landhuizen en kastelen, de resten van de ooit roemruchte burcht wekken de romanticus in hem: "Met een' juichtoon begroeten wij den middeleeuwschen reus bij zijn eerste verschijning op het lieflijk toneel." De vervoering van Craandijk werkt aanstekelijk, al was het maar omdat de ruïne nog onverminderd 'grootsch in zijn verlatenheid' boven zijn omgeving uittorent. Gretig weidt hij enkele pagina's uit over de geschiedenis van het kasteel, toont zich tevreden dat de Regering zich over de resten ervan heeft ontfermd en de boerenwagens uit het gewelf der voorpoort, aardappels en kalveren uit de kelders heeft verbannen. Afgezien van de gerestaureerde daken van de donjon en van een zijtorentje, ziet de ruïne er nog net zo uit als op de litho die Piet Schipperus maakte voor de 'Wandelingen'. Het verval wordt al meer dan een eeuw zorgvuldig in stand gehouden.

Voor zijn 19de-eeuwse lezers geeft Jacobus Craandijk het begrip wandelen nieuwe inhoud. Als hij in volle vrijheid door de duinen mag struinen, weg van de overvolle paadjes in de benauwende wandelbossen, raakt hij in zijn element. "De frissche wind geeft levenskracht en nieuwen moed. Als verjongd gaat gij verder." In de met zorg beheerde duinen van nu moet ik mij houden aan de paden die Natuurmonumenten voor mij heeft uitgestippeld. Behoud van het kwetsbare duingebied heeft zijn prijs, struinen is mij niet gegund. Daar staat tegenover dat de groene en de gele paaltjes mij houvast geven in een gebied waar ik anders geheid zou verdwalen. Ze wijzen me bovendien de weg langs de mooiste plekjes. Via de treden die Craandijk de 'blaauwe trappen' noemt, bereik ik de Brederodeberg. Op zijn blanke top met het verheven uitzicht liggen nu dennenappels onder zwarte en Corsicaanse dennen. Voor een vluchtige blik op niet meer dan een buitenwijk van Haarlem moet ik me in allerlei bochten wringen.

Weer beneden passeer ik het kalme meertje waar in het helder nat de 'blaauwe hemel' zich spiegelt. Bonte runderen grazen er niet meer, maar in de naam Koevlak weergalmt de weide van vroeger. Ook namen als Kruidberg en Schapenduinen verraden een functioneel verleden, al horen ze nu toe aan landgoederen. In de Schapenduinen mag ik zelfs geen stap zetten: privébezit.

Daarom treed ik even uit de voetsporen van Craandijk, ga eerst door de Zanderij en wandel hem tegemoet van Overveen naar Bloemendaal. In het Brouwerskolkpark is wandelen een bezigheid waarvoor geasfalteerde paadjes zijn uitgerold, volgens de interpretatie van halverwege de 20ste eeuw. Het park laat ik links liggen. Via het statige landgoed Lindenheuvel, nu gemeentehuis van Bloemendaal, beland ik uiteindelijk toch op de uitgesleten wandelpaden van het Bloemendaalse Bos. In een paar stappen ben ik erdoorheen en echt bekoren kan het me niet. Ik ben verwend. Een verwende wandelaar in de 21ste eeuw, overspoeld met een haast onuitputtelijk aanbod aan royaal gemarkeerde wandelroutes. En dat terwijl ik het liefst als de dominee in volle vrijheid zou zwerven en zoeken.

Dit is aflevering 3 in een achtdelige serie. Kijk voor de routebeschrijving en het kaartje op www.jacobuscraandijk.nl.

Wandelpionier

Tussen 1874 en 1888 trekt Jacobus Craandijk te voet door Nederland. In zwierige stijl beschrijft hij zijn tochten en de acht delen van zijn 'Wandelingen door Nederland' met pen en potlood worden een standaardwerk voor wandelliefhebbers. Als reisjournalist en -auteur Flip van Doorn ontdekt dat Craandijk een verre oudoom van hem is, verdiept hij zich in het oeuvre van 'de wandelende dominee' en belandt daarmee in een tijd waarin de wandelsport nog in de kinderschoenen staat. Craandijk blijkt de oudoom van alle wandelaars.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden