Naschrift

Ronald Scholte (1924-2018): Een vechtersbaas wiens hart smolt na de atoombom

Ronald Scholte Beeld -

Na het inferno van Nagasaki zag Ronald Scholte de Japanners niet langer als vijanden, maar als slachtoffers. Als overlevende wilde hij zo lang mogelijk zijn verhaal vertellen.

Vlak na het vallen van Fat Man, de tweede atoombom, op 9 augustus 1945 op Nagasaki had Ronald Scholte geen idee wat er gaande was. Hij had op 1800 meter afstand een helgeel licht gezien, een oorverdovende knal ­gehoord en was door een suizende wind meters terug de tunnel ingeblazen die hij mede had uitgegraven.

In het aardedonker van die schuilplaats vreesde hij voor blindheid terwijl de aarde schudde, erger dan de bevingen die hij van zijn thuisland Nederlands-Indië kende. Buiten was hij gedesoriënteerd door de totale verwoesting. Stenen gebouwen waren verpulverd, staalconstructies tegen de grond gedrukt. Slechts schoorstenen stonden overeind, als bizarre in de lucht wijzende vingers.

Ronald Scholte als jonge militair in Nederlands-Indië. Beeld -

Een harde wind wakkerde massaal vuurhaarden aan. Staande op de heuvel waarheen Ronald en zijn lotgenoten waren gevlucht, werd de vergelijking getrokken met het ­uitzicht dat Nero moet hebben gehad toen Rome in brand stond.

Overal gewonden

In de stad, waar de krijgsgevangenen Japanse slachtoffers hielpen en puinruimden, nam de ontzetting toe. Overal gewonden met vreselijke brandwonden. De lijdende vrouwen en kinderen bleven Ronald altijd bij. Lange tijd wilde hij geen geroosterd vlees eten door de geur van de crematies van stapels lijken die ter plekke plaatsvonden.

Tijdens het ruimen stond Ronald geregeld met een los been of arm in handen. Medicijnen waren er niet, net zomin als zalf om brandwonden te behandelen.

In die spookachtige omgeving kermde of kreunde niemand, zo schreef hij in zijn ‘oorlogsherinneringen van militiesoldaat 8924’. Alsof iedereen alles ‘gelaten over zich heen liet gaan. Voor het eerst voelde ik geen vijandschap meer. De Japanners waren nu evengoed slachtoffers’.

Tijdens rondzwervingen door de stad werd gegeten wat op straat lag en gedronken uit ­kapotte waterleidingen en regenpijpen. Pas na de oorlog las Ronald over de gevaren van radioactiviteit. Ofschoon de windrichting hem gunstig gezind was geweest, maakte hij zich zorgen. Die verdwenen toen na verloop van tijd ook lotgenoten geen symptomen van stralingsziekte vertoonden. Maar toch zette hij later vraagtekens bij gezondheidsklachten van drie van zijn kinderen en het overlijden op tweejarige leeftijd van kleinzoon Ronaldje dat hem enorm aangreep.

Als een van de 160 Nederlandse krijgsgevangenen van kamp Fukuoka 14 had Ronald, een tiener nog, tijdens zijn verscheping en dwangarbeid als klinker op de scheepswerf van Mitsubishi in Nagasaki vele verschrikkingen meegemaakt. Vernederingen, martelingen, executies, honger, smerige leefomstandigheden en ziektes. In de winter van 1943-1944 overleed binnen drie maanden 15 procent van zijn medegevangenen, de meesten aan longontsteking.

Het deed hem niets, al die doden. Hij was de harde straatjongen die hij tijdens een liefdeloze jeugd was geworden. Een overlever die ­ellende wegstopte achter humor, die ongebroken bleef. Achter zijn harde schil zat evenwel een klein hartje, zo concluderen zijn kinderen meer dan zeven decennia later.

Zelf schrijft hij in zijn familieboek: ‘Voordat de atoombom viel was ik een harde man, net als mijn vader. Door het afschuwelijkste dat je als mens kan ervaren, ging mijn hart open en kon ik compassie ervaren. Mijn hart smolt als het ware.’

Nauwelijks vrienden

Ronald Scholte werd op 5 juni 1924 geboren in Batavia als oudste zoon van Eugene Scholte, die van Sumatra stamde, en Henriette Loth, van een vrijwel blanke familie. Als pandhuisbeheerder had zijn vader een goede baan, waarvoor het gezin elk jaar moest verhuizen. Ronald ervoer het als pijnlijk dat hij daardoor nauwelijks vrienden kreeg, terwijl de relatie met zijn vader er een ‘op afstand’ was.

Ronald Scholte (rechts) met zijn broer Paul, zus Wanda en zijn moeder. Beeld -

Op school was hij een matige leerling die zijn vader teleurstelde. Broer Paul en zus Wanda hadden nooit problemen, Ronald werd na slechte cijfers ‘verrotgeslagen’. Dat stopte toen hij een keer woedend een stoel naar hem gooide. Toen hij een flinke wond aan zijn been had opgelopen, zei zijn vader gevoelloos: “Het is ver van de maag, dus je kan nog eten”.

Wel nam zijn vader hem mee vissen en ­jagen. Hij was strikt in de leer: dood nooit een beest dat je niet wilt opeten. Toen Ronald ­betrapt werd op het schieten van een mus, moest hij die roosteren en opeten. ‘Het was nog lekker ook.’

Als vee behandeld

Met zijn moeder had Ronald een liefdevolle band, tot zijn ouders scheidden toen hij tien was. Hij werd met Paul toegewezen aan vader, Wanda ging met moeder mee. Pas na de ­oorlog zou hij zijn moeder in Nederland echt leren kennen.

Na de scheiding nam vader zijn zonen met verlof mee naar Nederland, waar hij zijn tweede vrouw, Jacoba Senger ontmoette. Nadat zij kinderen kreeg, werden Ronald en Paul als vee behandeld. Ze moesten in de schuur slapen en hun moeder werd afgekraakt en een hoer genoemd. Daardoor ontstond zo’n haat, dat Ronald een mes maakte met de intentie ‘dat kreng’ te vermoorden. ‘Sinds die tijd ben ik hard geworden, kennelijk omdat ik niet werd geliefkoosd.’

Hij werd een straatvechter, maar kreeg in zijn tegenpool Nono van Steenbergen ook zijn eerste echte vriend. Nono was een brave, godsdienstige jongen waartoe Ronald zich aangetrokken voelde, juist omdat zij zo verschilden. Het lot bepaalde dat zij elkaar steeds tegenkwamen: in dienst, in verschillende ­gevangenkampen en veel later in Amerika, nadat Ronald hem via het radioprogramma ‘Adres Onbekend’ had opgespoord.

Als zeventienjarige ontvluchtte Ronald als soldaat zijn ouderlijk huis. Toen in Nederlands-Indië de Tweede Wereldoorlog uitbrak, bracht zijn vader hem naar het station in ­Cimahi. Het was de laatste keer dat ze elkaar zagen. Pas na de oorlog hoorde Ronald dat hij in 1942 tijdens dwangarbeid aan de Birmaspoorweg aan dysenterie was overleden.

Bij die terugkeer op Java, eind februari 1946 pas, mocht niemand praten over wat in Nagasaki was gebeurd. Van rust was geen ­sprake. Ronald maakte, zonder dat zijn soldij voor de voorgaande drieënhalf jaar was ­uitbetaald, onmiddellijk deel uit van de Knil-troepen die in het land de ‘orde moesten ­herstellen’.

Zijn aanstaande Lieke Coenraad (links) maakt kennis met zijn moeder Henriette Loth. Beeld -

In 1949 was hij het leger zat en trad Ronald als opzichter in dienst bij Shell. Tijdens een vakantiebezoek aan een tante ontmoette hij Lieke Coenraad, waarbij de vonk meteen oversloeg. Een maand later waren ze met de handschoen getrouwd, zij in Jakarta, Ronald in zijn woonplaats Balikpapan. In 1954, toen de sfeer in Indonesië voor oud-Knil-strijders steeds dreigender werd, vertrokken zij met hun kinderen Judy, Peggy en Raymond naar Nederland.

Lieke leed aan tbc en moest bij aankomst naar een sanatorium in Renkum, waar ze drie jaar verbleef. Omdat Ronald vijf dagen in de week werkte, werden de dochters ondergebracht bij broer Paul en zus Wanda; Raymond ging naar een weeshuis.

Pas toen het gezin in 1957 in Gilze was ­herenigd, keerde de rust terug. Met Marcel en Martin kwamen er nog twee zonen bij. Ronald kreeg genoeg van zijn slechtbetaalde baan bij een stofzuigerfabriek en keerde tot zijn pensioen terug in het leger. Tot zijn frustratie moest hij ondanks zijn rang van sergeant weer onderaan beginnen als soldaat eerste klas.

Piekfijn

Ronald woonde bijna zestig jaar in Gilze, maar had weinig contact in het dorp. Hij werd ‘boze buurman’ genoemd, een typering waarin zijn kinderen zich niet kunnen vinden. Mogelijk was het zijn afstandelijkheid in combinatie met zijn uniform, of na zijn pensionering het pak waarin hij altijd als een heer rondliep.

Zo piekfijn als ‘meneer Scholte’ eruitzag, zo netjes was zijn huis. Als Lieke ziek was, had de thuiszorg niets te doen. Ronald zorgde ervoor dat het huis er spic en span uitzag. De voormalige militair kon boos worden als iemand het huishouden vrouwenwerk noemde.

Na zijn pensionering ontdekte Ronald de computer, waaraan hij een dagbesteding had. Hij werd zo vaardig op sociale media, dat hij een onbekende tak van zijn familie leerde kennen. Tijdens steeds drukkere familiedagen hingen leden aan zijn lippen om nieuwe verhalen te horen. Daar genoot hij van, Ronald stond graag in het middelpunt van de belangstelling.

Ronald Scholte bij de kranslegging voor de herdenking van het bombardement in Nagasaki Beeld -

Hij hield van dansen en feesten, maakte ­altijd grapjes en koesterde zijn kleinkinderen. Geen spoor van de voormalige hardheid, zoals ook zijn kinderen hebben ervaren. Hij stond altijd voor ze klaar, was trots op ze, maar was niet het type dat ‘ik hou van je’ zei.

Ook schrijven deed hij veel als gepensioneerde. Een familieboek voor de kinderen, zijn oorlogsherinneringen in een aantal delen. Het had jaren geduurd voordat hij praatte over de oorlog. Gaandeweg ontstond de overtuiging dat hij met zijn overleven de opdracht had ­gekregen om zo lang mogelijk zijn verhaal te vertellen.

Hij deelde zijn ervaringen voor de studie ‘Fat Man in Nagasaki’ van dr. J. Stellingwerff, voor een Japans boek, een Amerikaanse televisiedocumentaire en gaf lezingen op scholen. Als 73-jarige keerde hij op uitnodiging van de Japanse regering terug naar Nagasaki, waar hij een krans legde, een toespraak hield en tv-­interviews deed. Schoolkinderen hield hij voor dat hij geen wrok koesterde, maar dat ze wel moesten weten wat hun voorvaderen hadden gedaan.

En hij stak het dubbele gevoel dat de bom hem destijds had gegeven niet onder stoelen of banken. Naast afgrijzen was er blijdschap ­omdat hij het er levend vanaf had gebracht. De krijgsgevangenen waren er destijds van ­overtuigd dat ze bij een ‘normale’ capitulatie allemaal zouden zijn afgemaakt.

Ronald Scholte werd op 5 juni 1924 in Batavia geboren en overleed op 30 oktober in Breda.

Trouw beschrijft het leven van onlangs overleden heel gewone of bekende mensen. Heeft u zelf een tip voor Naschrift? Mail ons via naschrift@trouw.nl. Lees meer naschriften op trouw.nl/naschrift.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden