Ronald Plasterk: 'Ambitieus in wat ik doe'

"Vroeger zou ik niet voor mijn lol een gaybar binnenstappen, inmiddels ben ik er in de ouderwetse betekenis van het woord gay 'vrolijk ' van geworden." (MARK KOHN)

Ronald Plasterk (Den Haag, 1957) is politicus. Van 2007 tot 2010 was hij voor de Partij van de Arbeid minister van onderwijs, cultuur en wetenschap in het kabinet Balkenende IV. Tot aan zijn ministerschap was Plasterk hoogleraar ontwikkelingsgenetica aan de Universiteit Utrecht en columnist.

Arjan Visser

I Gij zult de here uw god aanbidden en hem liefhebben met geheel uw hart, geheel uw ziel en met al uw krachten

„Er was geen spoortje twijfel, tot de pater die op de lagere school godsdienstles kwam geven zei: ’Als je God iets vraagt en je meent het echt, dan krijg je het.’ Ik stak mijn vinger op en vroeg: ’Dus als ik om rolschaatsen vraag, dan krijg ik die ook?’ ’Nou, dát misschien niet,’ zei hij, ’maar er zal zeker iets goeds gebeuren.’ Ik accepteerde zijn antwoord, natuurlijk, maar ik herinner me ook dat ik een kleine notitie maakte: hier klopt iets niet helemaal.

Ik heb lang mijn best gedaan het allemaal te blijven geloven, maar het hield geen stand. Zeker niet toen ik meer begon te lezen. Ik werd gesteund door het werk van Marnix Gijsen – ’De afvallige’ heette het, geloof ik – en later natuurlijk ook door boeken zoals ’Why I am not a christian’ van Bertrand Russell. Ik vond kompanen in de twijfel en op een gegeven moment ook in de groeiende zekerheid dat het allemaal maar gewoon verhalen waren.

Het cultuurrelativisme van die jaren, de overgang naar de oecumene, hielp ook een handje mee. Ineens was er niet één God, maar konden het er meerdere goden zijn. Als je daar behoefte aan had kon je je God ook voorstellen als twaalf olifanten. Op de middelbare school had ik daar gesprekken over met pater Van den Bosch. Ik vroeg hem waarom hij meer waarde hechtte aan het katholieke geloof dan, bijvoorbeeld, aan het geloof van hindoes of moslims. ’Dat doe ik helemaal niet,’ zei de pater. ’Maar waar hebben het dan nog over?’ vroeg ik. Hij antwoordde: ’Dit is voor mij de meest toegankelijke weg om met levensvragen bezig te zijn. Ik spreek de taal, ik ken de beeldspraak. Ik heb geen zin om een religieuze toerist te worden.’ Op zich wel een heel wijze uitspraak, maar toen dacht ik: als God dan toch van alles kan zijn, kun je ook op nul uitkomen en valt elke rotsvaste overtuiging weg.

Ja, het Ietsisme, daar kom je dan al snel op uit. Het is mijn bijdrage aan Van Dale en daar ben ik best trots op. Het was ironisch bedoeld, maar ik heb met dat ene woord de dominante geloofsovertuiging vrij nauwkeurig in beeld gebracht. Het is wat over blijft als je mensen gaat vragen waar ze nou precies in geloven. ’Geloof je dat je straks je overleden moeder terug zult zien?’ ’Nee, natuurlijk niet.’ ’Geloof je dan dat er een God is die registreert, die op jouw acties reageert en besluiten neemt?’ Ik vermoed dat de meeste gelovigen zullen zeggen: ’Nee, dat niet.’ Er zullen niet veel mensen zijn die denken dat er een instantie is die op basis van de toonzetting van je gebed besluit om, laten we zeggen, je zieke kind beter te maken of niet. Afijn, zo pel je door en dan kom je uiteindelijk uit bij de vraag waar je dan wél in gelooft. ’Ik geloof dat het allemaal wel ergens goed voor is.’ ’Maar wie dan, wat dan, waar dan?’ ’Ja, gewoon, iets. Ik geloof wel dat er iets is.’

Ik moet je eerlijk zeggen dat ik in de loop der jaren ben opgeschoven in mijn denken. Eerst was het pure ironie, maar sinds de gruwelen van het fundamentalisme zo dichtbij kwamen ben ik er wel iets milder over gaan denken. De terroristen van 9/11, dat waren geen cultuurrelativisten, nee, ze leven volgens de letter van de wet en geloven dat ketters zullen branden in de hel. De scheidslijn ligt niet zozeer tussen gelovigen en ongelovigen, maar tussen mensen die fundamentalistisch geloven en mensen zoals pater Van den Bosch, die vinden dat we allemaal op onze eigen manier met onze opvattingen in het reine moeten zien te komen. In die tweede groep zitten ongelovigen, maar ook mensen met een diffuus geloof. Ik vind het daarom ook zo ongelukkig dat veel rechtse denkers beweren dat er geen liberale islam kan bestaan. Ik constateer dat die wel degelijk bestaat. Je kunt het aan de cijfers zien. Enquêteer maar een groep jongeren, dan hoor je wat er speelt. Bovendien: bij andere geloven hebben we die verschuiving óók gezien. Ik vind dat we blij moeten zijn met een liberale islam, maar helaas hebben fundamentalisten en bestrijders van de islam elkaar gevonden in de ontkenning van die realiteit.”

II Gij zult de naam van de heer uw god niet zonder eerbied gebruiken

„Ik gun ieder zijn eigen inzicht, maar persoonlijk geloof ik dat God niet bestaat. Dus vind ik het eigenaardig dat, in een land waar we de scheiding tussen kerk en staat respecteren, in de wet is vastgelegd dat ik iets niet zou mogen zeggen over iets wat in mijn ogen niet bestaat. De discussie over godslastering is lastig: moeten we dan al die goden in de wet gaan noemen? Mag je zeggen dat Wodan een ongelooflijke schurk was? Overigens: is met het uitsterven van de laatste Germaan Wodan eigenlijk ook verdwenen? Maar goed, ik kan me dus voorstellen dat je de mensen die in Wodan geloofden niet onbeperkt mag beledigen, maar Wodan zelf? Lijkt me wel.”

III Gij zult de dag des heren heiligen

„Toevalligerwijs kom ik, met het inplannen van rust, vaak op zondag uit. Zaterdag loop ik het dorp nog wel eens in om een boekje te kopen, naar de kapper te gaan of een ander dingetje te doen. Op zondag ga ik lezen, of bellen – in ieder geval niet van hot naar haar rennen. Als politicus kun je altijd wel ergens aan het werk zijn. Ik heb aan het tempo moeten wennen. In de wetenschap tel je in jaren, in de politiek moet je ieder uur schakelen. Ik ben geen controlfreak, geen structopaat die denkt alles met structuurtjes op te kunnen lossen; ik benader mijn werk op een redelijk intuïtieve manier. Het is niet go with the flow, maar in the flow zitten, zoals een skiër die stevig, met zijn volle gewicht en platte voeten op de latten moet staan, maar tegelijkertijd soepel van de helling glijdt. Zodra een skiër uit angst om te vallen achterover leunt, gaat hij onderuit.”

V Eer uw vader en uw moeder

„Het is fijn om trots te kunnen zijn op je ouders; daar word je ook echt een beter mens van. Als ze respect en liefde verdienen kun je ze internaliseren en hoor je, als het nodig is, een stemmetje in je hoofd: zou je dit zo wel doen?

Als één ding mijn beide ouders typeert, dan is het ijver. Je best doen. Mijn moeder komt uit een working class middenstandsgezin uit Deventer. Haar vader haalde in de avonduren zijn boekhouddiploma en werd procuratiehouder bij de zeepfabriek. Eerlijke, hardwerkende man. Mijn moeder vertelde altijd dat hij nog geen vlakgommetje mee naar huis nam. De hoogmoraal van de kleine burgerij.

Mijn vader kwam uit een heel ander gezin. Zijn vader was chirurg in Berlijn. Hij was een niet-gelovige jood, getrouwd met mijn twintig jaar jongere, katholieke grootmoeder. Na de Kristallnacht, in 1938, zeiden mijn grootouders: ’Laten we onze jongens maar even naar Nederland sturen, tot die gekkigheid voorbij is.’ Mijn vader was elf. Hij is met zijn kleinere broertje door paters in Brabant en Limburg opgevangen en in een pleeggezin opgegroeid. Het heeft hem tot iemand gemaakt die zich snel aan zijn omgeving aanpast, iemand die altijd rekening houdt met anderen. Zo heeft hij ons ook opgevoed. We woonden in Den Haag, in wat je tegenwoordig een Vogelaarwijk zou noemen. We groeiden op in een portiek. Als de buurvrouw, tante Wil, kwam klagen dat we iets hadden vies gemaakt ofzo, werden wij zonder pardon gecorrigeerd. ’s Avonds trokken we zo weinig mogelijk de wc door om de buren met die herrie niet tot last te zijn. En geen kapsones hebben.

Op een gegeven moment werd duidelijk dat ik goed kon leren – de meeste kinderen in de buurt gingen naar de huishoudschool of naar de technische school – en mijn Duitse grootmoeder zei: ’Je moet niet denken dat je meer voorstelt dan een ander. Die hersens heb je ook maar van je grootvader gekregen.’ Wat ik eigenlijk wel een gekke opmerking vond omdat ze daarmee de inbreng van de familie van mijn moeder, en ook die van haar zelf, verwaarloosde.

IJver, bescheidenheid, maar wat vooral bij mijn ouders hoort is trouw. Ze waren totaal en onvoorwaardelijk toegewijd aan elkaar en aan hun kinderen.”

V Gij zult niet doden

„Ik heb laatst een moordneiginkje gehad. Nadat Balkenende in een interview meldde dat zijn grootste fout ooit was geweest dat hij de PvdA had vertrouwd, en vervolgens enthousiast verwees naar het moment waarop oud-premier Piet de Jong, tijdens een CDA-congres, had gezegd dat Wouter Bos ’gemeen en achterbaks’ was, kon ik me niet inhouden en schreef heel precies op hoe ik dacht over een minister-president die zich op die manier gedroeg. Ik stuurde het stukje middenin de nacht naar iemand op met de mededeling: misschien is het beter als ik dit niet publiceer. Waarop de betrokkene antwoordde: dat zou ik zeker niet doen. Moordneiginkje, in de kiem gesmoord.”

VI Gij zult geen onkuisheid doen

„Volgens de katholieke kerk is homoseksualiteit onkuis. Ik denk dat de kerk opportunistisch genoeg is om zich aan te passen aan veranderende zeden en gewoonten, maar het ziet er vooral naar uit dat men heeft gekozen voor andere doelgroepen; die in Afrika, Zuid Amerika en de Cariben. Daar zijn de opvattingen over homoseksualiteit nog snoeihard. In Nederland kan zoiets al lang niet meer. Ik moet je zeggen dat ik, voordat ik de portefeuille homo-emancipatie kreeg, natuurlijk in alle opzichten voorstander van volledige emancipatie en totale uitbanning van discriminatie was, maar dat er toch, misschien, ergens nog wel een restant zat van ik weet het niet, ik stapte niet voor mijn lol een gaybar binnen. Inmiddels heb ik er menig werkbezoek afgelegd, ik heb meegedaan aan de Gay Pride, was op Roze zaterdagen te gast en ben er in de ouderwetse betekenis van het woord gay – vrolijk – van geworden.

Volgens mij zijn er op dit terrein vier stadia: discrimineren, tolereren, accepteren en enthousiast omarmen. Ik ben blij dat ik het vierde stadium heb bereikt; dat ik kan zien hoe mooi het is als mensen hun liefde voor elkaar kunnen bekennen. Dat is het stadium waar we allemaal in terecht zouden moeten komen, maar helaas is er nog een groep die nog actief discrimineert: moslimjongeren. Ik ben een keer met het COC op werkbezoek geweest in Slotervaart en dan schrik je van de reacties. Het is ingewikkeld. Je zegt dat je iets komt vertellen wat ze misschien liever niet horen, maar dat het ze vrijstaat om er alles over te zeggen en vervolgens werden aan de jonge homo – en moslim – die zijn verhaal kwam doen de schunnigste vragen gesteld. Gelukkig was hij er in getraind. Het ging uiteindelijk ook niet om de tekst. Zoals hij daar stond – een stoere, sportieve, mooie jongen – straalde hij een en al geluk uit. Ik hoop dat ze dát hebben gezien.

Het was een dankbare portefeuille omdat er op het gebied van de homo-emancipatie een hoop kon worden gedaan. Ik heb het budget verdrievoudigd en ik hoop dat de regering die koers blijft varen. De boodschap moet zijn: u mag er zijn, u móet er zijn. En we zijn blij met u.”

VII Gij zult niet stelen

„In de wereld van ideeën is bezit een fluïde begrip omdat dingen door actie – reactie tot stand komen. Ik heb het in de wetenschap vaak zien gebeuren: twee mensen komen uit een gesprek en hebben allebei het idee de ander iets te hebben uitgelegd. Als de een vervolgens publiceert zonder de ander te noemen, voelt dat waarschijnlijk als een vorm van diefstal. Je mag je de gedachte van een ander niet zomaar toe-eigenen. Maar al te goed is buurmans gek: als je op een congres iemand iets hoort beweren, kun je het niet meer ontweten. Het is net zoals bij voetballen: je probeert, binnen de regels van het spel, elkaar de bal af te pakken. Als je zegt: ’Laat ik maar een meter marge nemen, dan weet ik zeker dat ik hem niet raak’ ben je een erg slechte voetballer.”

VIII Gij zult tegen uw naaste niet vals getuigen

„Ik krijg wel eens te horen dat ik vroeger kon zeggen wat ik wilde en dat ik me de laatste jaren, als politicus, voortdurend heb moeten inhouden. Dat beeld klopt niet. Ik kon in die column één aspect van mijn persoonlijkheid – dwars zijn – uitleven, maar voor de overige 95 procent van de tijd was ik beslist niet alleen maar bezig met scherp slijpen. Zeker, als je bestuurder wordt, moet je je goed bewust zijn van wat je zegt, maar ik heb het gevoel dat ik altijd de ruimte heb genomen en gekregen om vrijuit te spreken. Die vrijheid betekent niet: zonder grenzen. Je zit als politicus klem in het begrippenpaar integriteit en loyaliteit. Er wordt van allebei een honderd procent score verwacht, maar ze staan nu eenmaal op gespannen voet met elkaar. Je moet zeggen wat je vindt, maar je kunt ook de partijgenoten of het kabinet niet afvallen. Zodra er één millimeter licht is tussen wat iemand zegt en wat zijn partij of het kabinet vindt, wordt dát het onderwerp van dienst en staan ze met hun microfoons te lepelen in de hoop dat je een uitglijder maakt. Zo is het nu eenmaal, daar moet je niet te verkrampt over doen. Je moet er voor zorgen dat je niet zo’n totaal oninteressante woordvoerder wordt die alleen maar zegt wat zijn club vindt, maar je kunt ook niet iemand zijn die per onderwerp, ter plekke, bedenkt wat hij hier nu eens van zal gaan vinden.

Ja, ik ben het met je eens dat politici geneigd zijn, in de huidige debatstructuur vooral in soundbites te denken. Dat is niet goed, daar zullen we het snel over eens zijn. Maar uiteindelijk hebben mensen toch wel door of iets alleen maar een leuk zinnetje is of dat het echt een diepe overtuiging is. There’s nothing more convincing than conviction. Door de indringende manier waarop de media opereren – permanent, heel dichtbij aanwezig – kun je als politicus alleen maar succesvol zijn als er geen verschil is tussen wie je bent en waar je politiek voor staat.”

IX Gij zult geen onkuisheid begeren

„De vanzelfsprekendheid waarmee mijn ouders elkaar trouw waren is voor mij voorbeeldig geweest. Ik ken genoeg mensen voor wie het anders is gelopen, daar heb ik geen moreel oordeel over, maar voor mij telt dat wij elkaar hebben beloofd niet meer aan de verleiding toe te geven en dat – of macht erotiseert? O, wil je díe kant op?

Zeker, dat merk je. Hier stuit je toch op vijf miljard jaar evolutie: we voelen ons aangetrokken tot de aap die het hoogst op de rots zit. Veel politici zijn ontrouw en een bovengemiddeld aantal is gescheiden. Dat komt ook doordat ze een paar avonden per week in een pied-à-terre in Den Haag zitten. Je hebt leuke collega’s, je gaat een keer uit eten, je kijkt samen een filmpje en voor je het weet is er een relatie ontstaan. Ik denk dat je dat probleem deels voor kunt zijn door te kiezen voor een uurtje langer in de auto zitten, onderweg naar huis.”

X Gij zult niet begeren wat uw naaste toebehoort

„Volgens mij heb ik daar niet veel last van. Ik ben erg ambitieus in wat ik doe, niet in wie ik zou willen zijn. Ik was reuze trots toen ik als bioloog voor het eerst in het tijdschrift Nature publiceerde – dat wilde ik wel vaker meemaken – maar ik heb nooit gedacht: ik moet professor worden. Sterker nog: op een gegeven moment keek ik met een beetje dedain neer op mensen die daar alleen maar mee bezig leken te zijn. Wat een kinderachtig gedoe. Het maakt je ook zo klein en ongelukkig: ik doe dit nu wel, maar ik zou eigenlijk iets anders willen. In die afhankelijkheid zou ik mezelf nooit willen manoeuvreren. Ik zou liever weer gaan schilderen of schrijven dan op een plek zitten waar ik niet uit de voeten kan. Je leeft maar één keer – laten we daar voor het gemak maar even vanuit gaan – en wat je moet proberen is die ene kans zo goed mogelijk te benutten.”

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2023 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden