Romeinse brieven 19

Hoewel het de universiteit weinig past en evenmin de kerk, zijn de beide typen moeder in dit tijdsgewricht niet ontkomen aan op het kussen gebrachte denkbeelden van waan. Ik doel niet op het openen van vensters op de wereld door beide moeders, de Alma Mater en de Mater Ecclesia. Waar Geest waait, wordt dufheid verdreven. En waar daarenboven maat blijft, is inzicht gewonnen. Neen, ik doel op mateloosheid in de daarom even krankzinnige als rampzalige jaren zestig en zeventig. Toen raakte zowel menigeen aan de universiteit als in de kerk het spoor bijster zo niet het hoofd volledig kwijt. Beslissingen bij voorbeeld omtrent inrichting van studie moesten worden genomen volgens het systeem van 'one man, one vote'. De eerstejaars-student werd even deskunidg geacht als de promovendus en de postbezorger niet minder dan de hoogleraar. Vergaderingen, bijeengeroepen met oog op verandering aan de universiteit, dienden in mijn herinnering tot verdrijving van de tijd. En colleges, waarin de docent democratisch zijn mond hield om de student te laten spreken, vielen uit bij het eerste vleugje stakingszucht.

Zoals aan de Universiteit van Amsterdam studeren bijzaak werd, zo in de Kerk van Nederland bidden. Universiteit en kerk vonden zich terug in meepraatraden die uit solidariteit degenen die vooral rustig wilden studeren of bidden onverschilligheid jegens verantwoorelijkheid voorhielden. Het gezonde verstand werd bij het ene instituut gevangen gezet, de Heilige Geest bij het andere toegang geweigerd. Als gevolg hiervan liet menig universiteit zich kennen als zeer uitgebreid lager onderwijs (kortweg 'zulo', naar de psycholoog Piet Vroon) en raakte menige kerk in gebruik als kantoor of flatgebouw, zo zij niet alvorens te worden gesloopt diende tot supermarkt of tapijthal.

Waarom breng ik dit treurige verleden ter sprake? Weliswaar lijdt de universiteit nu onder dodelijke nuttigheid, maar studenten kijken reeds lang weer in boeken (zij het nog meer in samenvattingen daarvan). Na chaos en verwarring worden nu de sociale gelaatstrekken van de kerk dieper. En zij poogt weggegooid goed opnieuw te schatten. Geestelijk goed maar her en der ook materieel goed, voorzover van dienst. Bidden om met de Heer te verkeren, maar ook branden van wierook en dergelijke om bidden te vergemakkelijken. Tweede en eerste gebod komen meer in evenwicht.

Nagenoeg alle kennis over de kerk is verloren gegaan en weinigen hebben nog weet van de Bijbel, maar waar het christelijke vuur terugkeert en de al te gratis vergelijking van godsdiensten in onderwijs vervangt, daar melden zich catechisten en vormen zich groepen Schriftlezers.

Waarom bij mijn neiging opbloei van de kerk in verschiet te zien, zeuren over verleden? Geef ik hier geen blijk van herhaling van hetgeen mij beweegt? Indien zo, wie zou ik anders herhalen dan mijzelf in hetgeen mij beweegt? Naar een gezegde van de schrijver Gerard Reve. Ik stop evenwel geen oude wijn in nieuwe zakken. Daarvoor is oude wijn mij te dierbaar. Neen, ik poog nieuwe wijn te schenken meteen door in klare glazen. Wie voort wil immers, kijkt om. Zo blijven lessen uit de geschiedenis in het geheugen. Zij behoeven alsdus niet opnieuw ontdekt. Elke christen wil alleen voort totdat hij de Heer voor altijd in de ogen ziet.

In mijn prille jaren als student heb ik utputtend kennis genomen van Karl Marx en van Wladimir Lenin, zowel van de bedoeling van de eerste als van de gevolgtrekking door de tweede. Aan de Universiteit van Amsterdam werd ik onderwezen in hun beider leven maar bovenal in hun beider leer, zo ook in het onderscheid tussen Marx' prediking dat godsdienst opium van het volk is en Lenins prediking dat godsdienst opium voor het volk beduidt. Ik heb allerlei geleerd over bovenbouw en natuurlijk meer nog over onderbouw. Ik heb kennis genomen van de exegesen van Lukàcs en Bloch, Jan Romein en zijn discipel Maarten Brands. Ik heb kennis genomen van de Marx & Leninvariant door Castro op Cuba, gevolgd door zijn discipel Mulisch in Amsterdam. Ik heb de colleges van de mij altijd sympathieke Jan Bezemer beluisterd en de schrijverij van de mij immer wijsneuzige Karel van het Reve verdragen. Honorabile lieden, naar Marcus Antonius' openingsrede in Shakespeare's Julius Caesar. Hogelijk gezeteld, maar nimmer voor de dag tredend met rekenschap over eigen ideeën uit de toen al, maar nu stellig vermolmde doos van marxistisch genie. 'Kennis is macht', liet de socialist Joop den Uyl overal klinken. Hij houdt gelijk. 'Waarom geven communisten van toen zich geen rekenschap van gedrag, zoals fascisten noodgekwongen deden', aldus de liberaal Frits Bolkestein. Hij heeft gelijk. Ik persoonlijk raak, in deze gedachtengang voortgaand, niet uitverbaasd over de wijze waarop studenten van toen en veelal professoren van nu zich uitspreken over die jaren zestig en zeventig. Toen wapperden de rode vlaggen voortdurend, draaiden de stencilmachines zonder onderbreking, maar was de Geest totaal geweken - naar Johan Huizinga. Hoe weten zij zo veel vergoelijkende geschiedenissen met ogenschijnlijk overtuigd geweten te formuleren? Ik herinner mij de even blije als trotse zegswijze hieromtrent uit de mond van de Neerlandicus Herman Pleij in een laat programma van vorige zomer op de televisie. Ik heb mij toen schaamtevervangend afgevraagd wat televisie en ook krant en radio betekenen voor geschiedschrijving. Zouden toekomstige historici afgaan op deze bronnen van informatie, zij komen op het terrein van ongekende subjectiviteiten. Elkeen die een vraaggesprek ziet of leest of beluistert, weet dat de weergegeven waarheid nog al eens in eigenliefde van de ondervraagde of stemming van de vrager blijft steken.

Nu is hieromtrent evengoed weinig nieuws onder de zon. Ook in oorkonden en verklaringen uit ver verleden tijd werd waarheid vaak naar de - zij het toen veelal vorstelijke of hoogmogende - hand gezet.

Maar terwijl universitaire gedragsdragers, jongelui van toen, toch met betrekkelijkheid over die megalomane jaren zestig en zeventig kunnen spreken en niet te zeer lijden onder eigen vermeende billijkheid, stikken hun generatiegenoten in de Kerk nog steeds van wrok in overtuiging van eigen gelijk, zoals onlangs weer bleek bij afscheid wegens ouderdom door een hoge functionaris van het bisdom Rotterdam.

In de Nederlandse kerk wordt tot heden niet voldoende verband begrepen tussen lege dan wel opgeheven kerkgebouwen en totale verveling in plat geworden samenkomst. Alleen waar liturgie als middelpunt en uitgangspunt an handelen wordt aanvaard, kan opbloei van kerkelijk leven terugkeren. Het heilige alleen behoeft opnieuw te worden wakker gekust.

Zou de mens even ongeneeslijk sociaal zijn als ongeneeslijk religieus? Hij is voor beide ongeneeslijkheden stellig bestemd. De ene kan niet zonder de andere. Mijns inziens evenwel maakt de homo religiosus de mens eerst recht tot het animal sociale. De mens immers volgt niet het dier maar bekroont het. 'Kennis is macht', om nog eens te spreken met de politicus van jaren her. Zoals ik toen de marxistische ideologie in alle voegen heb bestudeerd om preciezer te weten wat de gespreksstof behelsde, zo heb ik me nu in de eerste negen maanden studieverblijf te Rome uitvoerig beziggehouden met het Tweede Vaticaans Concilie en met nawerking en uitwas daarvan. Want de vensters toen geopend naar de wereld, opdat de Geest van Pinksteren zou waaien waarheen Hij wil, zijn door machtig geworden jongeren van die dagen in noordelijke landen spoedig nadien dicht geplakt met ideologie. Van die bevindingen zal ik verslag doen in volgende brieven uit de Eeuwige Stad.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden