Romeinenbrief onthult rauwe, duistere Paulus

Fresco van apostel Paulus in de kloosterkerk in Niederaltaich. Gerard Koolschijn laat in zijn vertaling van de Romeinenbrief de rauwe, 'rare' Paulustekst zonder toelichting klinken. (Trouw) Beeld
Fresco van apostel Paulus in de kloosterkerk in Niederaltaich. Gerard Koolschijn laat in zijn vertaling van de Romeinenbrief de rauwe, 'rare' Paulustekst zonder toelichting klinken. (Trouw)

Nederlands grootste Platovertaler, Gerard Koolschijn, heeft nu Paulus' brief aan de Romeinen vertaald. Classicus en jurist Koolschijn heeft enige sympathie voor Plato, met Paulus heeft hij niets op. De apostel stond volgens hem aan de wieg van christelijk fundamentalisme. „Vreemd dat intelligente mensen zich serieus hebben gebogen over diens enge boodschap.”

Hoe sneller de kerken leeglopen, hoe meer bijbelvertalingen er worden gepubliceerd. Zo verschenen er afgelopen jaren de ’Naardense Bijbel’ van Pieter Oussoren, en de ’Nieuwe Bijbelvertaling’. Deze NBV was voor vertaler Gerard Koolschijn een reden zich over Paulus te buigen.

„Voor de Nieuwe Bijbelvertaling”, zegt Koolschijn, „heb ik een flink aantal conceptvertalingen uit het Grieks van commentaar voorzien. En me bijzonder geërgerd aan de gehanteerde vertaalprincipes. Ik heb ook geweigerd mijn naam in dat Nieuwe Boek te laten vermelden.”

Volgens Koolschijn lappen de vertalers van de NBV voor de nagestreefde eigentijdsheid allerlei literaire maatstaven aan hun laars. „Maar hun behoefte aan duidelijkheid heeft er ook toe geleid dat teksten die op alle mogelijke manieren zijn uitgelegd, gereduceerd worden tot een parafrase in het toevallige moderne theologische jargon.

In mijn vertaling ’Aan de Romeinen’ wilde ik Paulus graag zo duister laten als hij was.”

Met duister bedoelt u moeilijk, ondoorgrondelijk?

„Nee, met duister bedoel ik vooral: raar. Ik heb het altijd vreemd gevonden dat intelligente mensen zich eeuwenlang serieus hebben gebogen over die rare boodschap van Paulus. Een goddelijke rechter gaat ons vonnissen, maar hij heeft zijn eigen zoon gestraft zodat wij vrijuit kunnen gaan, mits we dat geloven.

Tegelijk heeft die goddelijke rechter van tevoren beslist wie het zal geloven en wie niet. Die predestinatieleer heeft me – en waarschijnlijk al vóór m’n zesde – als iets volstrekt absurds getroffen.

Waarom je dan nog druk maken om je bekering? Mensen zijn blijkbaar bereid hun verstand op nul te zetten als er een eeuwig leven aan de horizon opdoemt. Ik wil die intelligente gelovigen dus door mijn vertaling voorhouden: Kijk nou nog eens goed!”

U bent vóór uw zesde met de predestinatie leer geconfronteerd?

„Ja. Toen ik nog geen zes jaar oud was, namen mijn ouders me mee naar de kerk. Mijn vader hoopte dat het gunstig zou werken als de blik van een bekeerde op de baby viel.”

Wie was die bekeerde?

„Ik heb mijn vertaling ’Aan de Romeinen’ een opdracht meegegeven: ’aan ds. J. P. Paauwe en mr. J. H. Koolschijn, hoewel beiden toen zij leefden een onbekeerde vertaler het vertalen van een bijbelboek zouden hebben ontraden.’ U begrijpt dat het ds. Paauwe was die op de kansel stond.”

De dominee van Jan Siebelink uit 'Knielen op een bed violen'.

„Siebelink lijkt Paauwe nooit te hebben gezien, terwijl mijn broers en ik hem aan tafel, in de auto en op zijn sterfbed hebben aanschouwd omdat mijn vader Paauwes grootste paladijn was. Als kleuter had mijn vader Paauwe al bewonderd en zelf was hij op zijn twaalfde een soort Jezus in de tempel, die na de kerkdienst met godvruchtige tantes over de Toetssteen van de Ware en Valsche Genade sprak.

Ik hoorde Paauwe dus als pasgeborene, vooral in het gebouw van de Chr. Jongemannen Vereniging op de Prinsengracht in Den Haag, waar het altijd stampvol was. Misschien dat het preken van de oude Paauwe, fluisterend, met dreigende uitschieters, op die leeftijd nog geen indruk maakte. Maar wat als duizend mensen plotseling losbarsten in een psalm met lange noten! Ik las Karl May op mijn vijfde, maar de zondagen van de catechismus kon ik toen al oplepelen.”

Paauwes woorden hebben hun uitwerking niet gemist.

„Nee. Vanaf die tijd heb ik de pest gehad aan mensen die zich voor hun uitspraken en geboden beriepen op een hogere instantie, die zich aan controle onttrok. Mijn vaders voorbeeld heeft daarbij krachtig geholpen. Die instantie, in zijn geval met de eigennaam God, is een soort uitvergroting van de betrokkenen. Ze zijn gelijkhebbers, of machthebbers, die hun gelijk met hocus pocus willen doordrukken. Ze krijgen een openbaring van hun hogere macht en over die openbaring valt niet te twisten.”

Ook Paulus beroept zich op God. Uw afkeer geldt dus ook voor hem. Waarom Paulus dan nu vertalen?

„Omdat zijn soort de laatste tien jaar op de wereld weer geweldig van zich doet spreken. 11/9 – de aanslag op het World Trade Center – was natuurlijk een onvergetelijk moment, maar het begon al toen die enorme Boeddhabeelden in Afghanistan werden opgeblazen.

Er zijn weer mensen die anderen de verschrikkelijkste dingen aandoen op grond van een krankjorume overtuiging uit een heilig boek, al heet hun hogere macht weer anders. Door waanideeën offeren gelovigen zichzelf op om anderen te doden.”

Dat gebeurt ver weg.

„Dat dacht u? In Nederland wordt veel afgegeven op een achterlijke godsdienst uit het Midden-Oosten, maar wij betrekken onze eigen premier uit een partij met een vergelijkbare openbaringsachtergrond.

Iedereen die de betekenisloze eigennaam God in de mond neemt, reist mee in de kar van het agressieve fundamentalisme. Als mensen zo graag over een eeuwig leven willen jeremiëren, laten ze zich dan met hun kinderlijke hoop verstoppen in een kerk. Dan is het een privéhobby, waar je niemand mee lastig valt.

Het is een smet op de democratie godsdienst te subsidiëren, scholen waar kinderen wordt afgeleerd hun verstand te gebruiken. 2500 jaar geleden is in Griekenland al uitgelegd hoe het zit met dat godengeloof: mensen kunnen niet weten of er goden zijn en, als ze er zouden zijn, niet met ze in contact komen.

Omdat Paulus de hoofdman is van onze eigen fundamentalisten, de eerste prediker van het christendom, dacht ik: kom, laat ik nog eens tonen hoe verward die teksten zijn.”

Toont uw vertaling die verwarring sterker dan andere vertalingen?

„Ik heb niet systematisch naar andere vertalingen gekeken. De Statenvertaling ken ik vrij goed, zoals u begrijpt. Ik noemde de Nieuwe Bijbelvertaling al. Andere vertalingen, toch wel een tiental, nog afgezien van die in commentaren, heb ik alleen incidenteel bekeken. Doorgaans heb je niets aan vertalingen om een duistere passage te begrijpen.

Ik denk dat het grootste verschil is dat ik Paulus niet corrigeer. Als hij een zin niet afmaakt, doe ik dat ook niet, maar zet ik een gedachtenstreep. Als hij is vergeten welke naamval de woorden aan het eind van een zin moeten krijgen, verbeter ik hem niet. Ik vergeet niet dat zijn tekst een dictaat is, vaak kort, haast driftig. Ik voeg geen woorden toe die zijn bedoeling begrijpelijker maken. Zo stroef als híj schrijft, vertaal ík. Hij legt de vreemdste verbanden met zijn lievelingswoord ’want’ –-dat trouwens al in klassiek Grieks ogenschijnlijk onnodig vaak wordt gebruikt – en die verdoezel ik niet. Ik probeer niet zijn zogenaamd logische redeneringen logischer te laten klinken. Als zijn Grieks vreemd is door een Hebreeuwse manier van denken , verwerk ik die Hebreeuwse begrippen niet in de vertaling. Wat vreemd klonk voor zijn niet-joodse gemeenschappen, moet vreemd klinken voor ons. De tekst zal er frisser uitzien doordat ik veel wit heb gebruikt, en een andere hoofdstukindeling. En vooral: ik probeer niet uit te leggen. De lezer moet zich voelen als een Griek die op een stoffige weg naar het warrige betoog van een profetische reisgenoot luistert.”

Als vertaler liep u een tijd naar dat betoog te luisteren. Wat hoorde u?

„In de allereerste plaats zijn eis van gehoorzaamheid aan een zelfbedachte instantie. Gehoorzaamheid is voor hem bijna synoniem aan geloof. De gehoorzaamheid van het geloof, zegt hij wel. Als hij bij zijn bedenksels met zichzelf in tegenspraak raakt, mag ook nooit aan de autoriteit worden getornd. Dan barst hij uit in loftuitingen: ’O diepte van wijsheid van God. Hoe ondoorgrondelijk, zijn oordelen!’ Als iemand vraagt: ’Is God dan onrechtvaardig?’ Dat nooit. Hoe kan God anders over de wereld oordelen! Petitio principii heet dat geloof ik deftig. Van dat soort fouten wemelt het. Ik noemde de predestinatie al, echt geen uitvinding van Calvijn, maar hier herhaaldelijk genoemd. Of bijvoorbeeld: Dat wij slecht zijn bewijst de goedheid van de schepper. Of: God heeft ons slecht gemaakt om zich daarna over ons te erbarmen. Enzovoort.”

Klinkt als verwerpelijk, de ideeën van Paulus. U heeft ook Plato vertaald. Ook zijn ideeën verwierp u. Moet u op gespannen voet leven met de auteur die u vertaalt?

„Niet noodzakelijk op gespannen voet. Maar een tekst moet me wel opwinden, of ik hem nu mooi vind of ergerlijk. Bij Plato ging dat vaak samen. Paulus is alleen maar ergerlijk.

Heel ergerlijk aan Paulus vind ik zijn totale verwerping van de schepping en zijn bizarre bewering: de schepper is goed, maar de schepping is slecht en wekt de toorn van de schepper. Daarbij is er een typerende parallel met Plato. Volgens Paulus heeft de hele schepping barensweeën, reikhalzend uitkijkend naar verlossing.

Ook Plato kent die barensweeën. Voor de filosoof. Die wordt daar pas van verlost door een hartstochtelijke vereniging met een abstracte instantie, die bij Plato alles voor het zeggen heeft, maar niets zegt.

Plato en Paulus draaien de materiële wereld de rug toe. Beiden gaan daarbij hevig tekeer tegen seksuele begeerte in zijn homofiele variant. Wanneer Paulus de slechtheid van de mens beschrijft is het eerste wat hij noemt de mannelijke en vrouwelijke homofiele liefde. Die krijgt een hele alinea, terwijl doodslag in een rijtje hebzucht, twist, kwaadsprekerij staat. Paulus voert een innerlijke oorlog, zegt hij, waarbij de wet van het lichaam vecht tegen de wet van zijn God. Hij verwart die wet van het lichaam op een rare manier met de joodse wet. In elk geval wil hij van die wet loskomen. Zoals een vrouw vrij komt voor een andere man wanneer haar man sterft, zo wil Paulus vrij komen voor zijn verlossende vereniging met Jezus. Die moet hem bevrijden van alle aardse strijd en hem vrede en eeuwige glorie bezorgen.

Dát vind ik het ergste, die afwijzing van het enige leven dat we hebben, in dienst van een hersenschim. En als zijn fundamentalistische vrienden nu maar in hun binnenkamer bleven en alleen zichzelf voor de gek hielden. Maar wat een vernietiging en misvorming hebben ze op hun geweten!”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden