Romantiek oogt heftig maar wel erg formeel.

Portretten van onschuldige meisjes die hun smachtende blik richten naar een onzichtbare geliefde, maar ook zeegezichten waarop zojuist een schip op de klippen is geslagen, een landschap waarin een waterval met bijna hoorbaar geraas van de rotsen valt en bosschages waarin rovers zich schuilhouden om argeloze reizigers van hun bagage te ontlasten, wie het over zulke heftige onderwerpen in de schilderkunst heeft, moet wel een voorstelling uit de periode van de Romantiek voor ogen hebben. In de ons omringende landen werd en wordt die romantiek nog steeds als een waardevol cultuurgoed beleeft. Zo niet in Nederland. Hier wordt de schilderkunst uit het begin van de 19de eeuw compleet veronachtzaamd, alsof ze zelfs niet eens heeft bestaan. Sla er een doorsnee kunstgeschiedenisboek maar op na: 'in Nederland heeft de Romantiek nooit wortel geschoten'.

Ronald de Leeuw, directeur van het Rijksmuseum, dat wegens de restauratie het grootste deel van zijn collecties buiten de deur toont, weet wel beter. In eigen huis heeft hij meest 'echte' Romantiek van Nederlandse origine die je maar kunt denken. Maar ook in andere musea en zeker bij de particuliere verzamelaars van wie er zo velen zijn die de 19de eeuw in hun hart hebben gesloten, zit vaak beste kwaliteit. Reden genoeg om voor het eerst sinds heel lang een overzicht van de Nederlandse Romantiek te presenteren, waarbij De Leeuw de Rotterdamse Kunsthal in de figuur van Benno Tempel aan zijn zijde vond.

De Kunsthal wilde er zo'n grote tentoonstelling van maken dat het interieur van het gebouw er compleet voor verbouwd moest worden. Zo strekt de presentatie zich over twee niveaus uit (de schilderijen, veelal van groot formaat beneden, de tekeningen en prenten op de bovenste laag en het naastgelegen fotokabinet) die voor deze gelegenheid met een uitwaaierende trap met elkaar zijn verbonden. Door de verbouwing is voor het eerst een duidelijke routing in de Kunsthal ontstaan, een heldere ingreep die er in de schepping van Rem Koolhaas altijd aan heeft ontbroken. Waar een inrichter (bureau 24H architecture) al niet goed voor is ... Mede door die functionele inrichting is 'Meesters van de Romantiek' een tentoonstelling geworden voor een breed publiek dat zich er snel thuis zal voelen.

Kunst van de Romantiek is zonder enige terughoudendheid mooi of lelijk te vinden. De discussie over iets wat mooi of lelijk is, raakte immers pas aan het einde van de 19de eeuw achterhaald, toen het de schilders (met de impressionisten voor op) er niet langer om ging de kijkers te behagen. Een halve eeuw eerder werd een schilderkunst bedreven die het publiek een vorm van esthetiek bood die iedereen goed zal hebben gelegen. Er golden in die tijd nog algemeen geaccepteerde normen ten aanzien van de esthetiek. Tegelijk zorgden die er ook voor dat de kunst ietwat doods oogde, kunst waaraan het avontuur ontbreekt dat zo kenmerkend is voor de moderne kunst. Het is alsof de schilders heel nadrukkelijk wilden laten zien dat ze het vak goed verstonden, dat ze daarvoor een uitstekende studie hadden gevolgd en dat ze aansprekende voorbeelden (lees grote meesters) uit het verleden aanbeden.

Wat dat betreft is de Nederlandse Romantiek vergelijkbaar met wat er in Duitsland, Engeland of Frankrijk aan de hand was. Ze was gelikt, ze glom en glansde, ze was rijk aan detail zodat er veel te zien is, de getoonde thema's brengen je soms aan de rand van het huilen, maar er is door de formele aanpak in het schilderen ook weinig leven te bekennen. In Engeland voelden jonge schilders zich in die formele wijze van schilderen juist niet thuis. Een schildersbent als de Prerafaëlieten was er het gevolg van. Maar deze groep schilders (met Dante Gabriel Rossetti als voorman) maakte geen stap voorwaarts, maar maakte een vlucht naar achteren door zich op de schilderkunst te richten die van voor Rafael dateerde. In Duitsland (de Nazarener) en Denemarken gebeurde iets soortgelijks, in Nederland was kennelijk niemand voor enige groepsvorming geporteerd.

Er is dan ook geen eenduidige ontwikkeling in de Nederlandse Romantiek te zien. Er zijn schilders als Wijnand Nuyen (1813-1839) die gezien de enorme voorstelling met een schipbreuk zich sterk oriënteerde op de Franse schilder Eugène Isabey (niet toevallig ook de ontdekker van Jongkind, overigens een overgangsfiguur tussen romantiek en impressionisme), maar ook 'Italianisanten' als Cornelis Kruseman (1797-1857) en Moritz Calisch (1819-1870) die duidelijke verwantschap met de Napolitaanse School hadden. Daar tussen bevinden zich schilders die zich veel meer op de Duitse romantiek oriënteerden, zoals Barend Cornelis Koekkoek (1803-1862) die voor zijn landschappen niet zelden de oevers van de Rijn afspeurde. Toch overheerste bij veel andere Nederlandse romantici de opvatting dat de identiteit van hun schilderkunst gezocht moest worden in dat wat tegelijk ook de Nederlandse identiteit is.

Over dat volkseigene bestond echter geen eenduidige opvatting. Net als tegenwoordig was van een nationalistisch gevoel of denken ook in de 19de eeuw weinig sprake. De Deense schilders mochten ten tijde van de Deense Gouden Eeuw (1800-1848) dan wel roepen dat 'hun identiteit in de bossen lag', in Nederland waren nu eenmaal weinig bossen, was weinig oernatuur. Wel kent Nederland wel weer veel water en natuurlijk elk jaar wel dagen met onheilspellende luchten. Zulke luchten boven echt Hollandse polders werden sinds de 17de eeuw veelvuldig gemaakt. En omdat de Nederlandse romanticus graag achterom keek, naar de Gouden Eeuw in het bijzonder, keerde dit soort landschap massaal terug. De landschapsschilders heten nu niet Hobbema of Ruysdael, maar Egbert van Drielst en Andreas Schelfhout. En het ook in de 19de eeuw zo populaire wintergezicht van met name Hendrick Avercamp kreeg navolging bij Spohler en Leickert. Hoe populair Leickert tegenwoordig mag zijn (hij is op en top favoriet bij de kunsthandel), het Rijksmuseum vindt zijn werk tweederangs en hing hem dan ook niet op. Even denk je dat dat lot ook aan die andere favoriet, de schilder Cornelis Springer, te beurt is gevallen, maar er hangt toch een stadsgezicht waaraan hij samen met Wouterus Verschuur heeft gewerkt. Springer geldt bij het brede publiek als een meester pur sang van de Romantiek. Dat hij op de expositie nagenoeg en Leickert geheel wordt genegeerd, duidt erop dat de samenstellers met de andere schilders sterk in hun schoenen denken te staan. Alles wat 'beter' dan Springer is, moet dus wel romantiek zijn. Een betere pleitbezorger hadden de liefhebbers van de Nederlandse Romantiek zich niet kunnen wensen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden