Roker op rondreis

Het afgelopen halfjaar was schrijver Wil Schackmann op tournee. Overal in het land hield hij lezingen over zijn boek ’De proefkolonie’. En overal stuitte hij op de gevolgen van het rookverbod. „Inmiddels heb ik iets bedacht om te vermijden dat ik word aangezien voor de controleur. Een soort vrijmetselaarsgroet, maar dan anders.”

Het afgelopen halfjaar reisde ik regelmatig langs plaatselijke historische verenigingen om te vertellen over mijn boek ’De proefkolonie’. Dat gaat over kolonisten die begin negentiende eeuw naar het zuidwesten van Drenthe trokken om in de landbouwkoloniën Frederiksoord, Willemsoord en Wilhelminaoord een nieuw bestaan op te bouwen. Mijn vrouw en ik maakten daar stedentripjes van. Maar zo’n reisje kent enkele pijnpunten.

Meestal komen we in de loop van de middag aan. We dumpen de bagage in een bed & breakfast en gaan de plaats verkennen. Aan het eind van de middag zoeken we een gezellig kroegje (probleem 1). Daarna gaan we ergens lekker uit eten en dan natafelen (probleem 2). Vervolgens houd ik de lezing, en ten slotte willen we nog ergens naborrelen (probleem 3) voor we naar het logies gaan. Als het even kan trekken we de volgende ochtend nog de stad in en drinken koffie (probleem 4) voor we weer richting huis reizen.

De vier problemen zijn de gelegenheden waarbij we graag een sigaret opsteken. En dat mag niet meer.

Appingedam is geen enkele probleem. Het nazomert prachtig en het is aangenaam verblijven op de terrasjes. Half oktober in Enschede is het overdag ook nog goed te doen. ’s Avonds blijkt een café op de Grote Markt ter voorbereiding op de winter al ruimschoots te hebben geïnvesteerd in uitklapbare parasoloverdekking met ingebouwde straalkachels. Een ingenieus systeem, en behaaglijk, maar ook het al voorspelde schrikbeeld van energievretende en milieuverpestende verkwisting.

Eind oktober in Monnickendam begint het wat frisjes te worden op het terras. Er staan warmtekanonnen maar we kunnen billijken dat ze die niet voor ons alleen aanzetten. Ik vraag me überhaupt af hoeveel je moet omzetten om de kosten van die dingen eruit te krijgen. Gelukkig blijkt er voor het naborrelen een voorziening te zijn. Vlakbij de Speeltoren heeft een café zich in tweeën gedeeld. Het voorstuk is rookvrij, daar zijn geen klanten. In het afgescheiden achterstuk mag gerookt worden, daar is het mudjevol. Daar is ook een barretje maar als ik probeer de aandacht van de barkeeper te trekken word ik naar hem toegewuifd. Hij blijkt achter niet te mogen bedienen.

Consumpties zelf ophalen en de lege glazen zelf terugbrengen lijken bij het publiek al ingeburgerd. Ik zie mensen regelmatig ’oversteken’. Dat lijkt me dan weer even prettig voor de uitbater: ik heb de indruk dat hij van gezelligheid houdt. Hij staat in die voorruimte een beetje te verpieteren.

Met hem voer ik tijdens het ophalen van de drankjes een gesprek dat ik met personeel en bezoekers de komende tijd vaker zal voeren. Zin en onzin van het rookverbod is een onderwerp waar je in deze tijden in de horeca niet omheen kunt. Vast item is wat er precies achterzit. Dat het met de werkplek te maken heeft, wil er bij niemand in; niet-rokers schijnen een absolute minderheid te vormen onder het horecapersoneel. Er gaan wilde veronderstellingen rond over de feitelijke bedoelingen, te wild om hier te herhalen. Dat het uitgaansleven naar de filistijnen gaat, is voor iedereen een zekerheid.

Wat ik die avond ook hoor is dat de controles op de naleving van het rookverbod worden uitgevoerd door mensen die zich niet als controleur bekendmaken. Of het waar is weet ik niet, maar het motief zouden lijf en leden van de controleurs zijn. Het is een vorm van undercover waarvan ik nog niet gehoord had.

Op 5 november zijn we in een plaats die ik veiligheidshalve als S. aanduid. Op een pleintje zien we achter een raam en onder een bieruithangbord een geanimeerde mensenmassa. Zo zag een café er vroeger uit.

Ouderwets gezellig, gepraat, muziek, levendig, rook, druk. Dat zoiets nog bestaat. „Als ik het niet doe”, legt de uitbaatster ons desgevraagd uit, „ga ik stuk. Dus dan ga ik liever op deze manier stuk.” Ze had het oprecht geprobeerd maar het wilde niet. De trouwste klanten hadden het ook geprobeerd, ze bleven soms wel een halfuur met een ongelukkig gezicht aan de bar zitten, maar het viel stil, gesprekken stokten, af en toe glipte iemand weg om op de stoep te staan, geleidelijk bleven mensen weg en uiteindelijk was het zo’n café waar je een kanon kon afschieten zonder menselijke schade aan te richten.

Op initiatief van de vaste klanten werd er een boetepot ingesteld, een soort van ’solidariteitsfonds’ waar iedereen die zich geroepen voelde een bijdrage in deed en die bedoeld was om een eerste boete te voldoen. Sindsdien is het weer zo druk als het eerst was. We begrijpen dat het hele pleintje meedoet, alleen de eetgelegenheden houden zich rookvrij tot de laatste maaltijd achter de rug is. Mijn aanbod iets bij te dragen aan de boetepot wordt afgeslagen. Het is niet nodig, de pot zit vol.

Kampen is dinsdag 11 november akelig koud. Onze eerste indruk is dat er uitsluitend kerken zijn, veel kerken, en geen horecagelegenheden, maar dat blijkt een misvatting. In het eerste cafeetje waar we binnentreden valt het meteen stil. Ik zie pakjes shag en sigaretten liggen, maar geen asbakken. Ons worden steelse blikken toegeworpen en we voelen ons niet welkom. Ik moet denken aan wat verteld werd over de undercovercontroles. Ik vraag me af hoe ik duidelijk moet maken dat ik geen controleur ben.

Als ik over roken begin, worden we verwezen naar het terras. Er is blijkbaar ervaring opgedaan want we krijgen twee stoelen aanbevolen bij de uitlaat van de gevelkachel. Terwijl we daar zitten komt er af en toe een klant die een binnen gerolde sigaret buiten oprookt met de nadrukkelijke lichaamstaalboodschap dat het binnen natuurlijk niet mag. Ik heb nog steeds het gevoel dat ik niet vertrouwd word.

Een restaurant in hartje binnenstad heeft een afgesloten bovenruimte. De menukaart doet nadrukkelijk kond van het feit dat daar gerookt mag worden. Voorwaarde is dat je zelf beneden je consumpties komt ophalen en zelf de lege glazen en borden terugbrengt. Het blijkt een prachtige ruimte te zijn met beschaafde muziek, comfortabele zitgelegenheden en een beter uitzicht dan beneden. Als het eten klaar is wordt ons dat gemeld door kloppen en wuiven vanachter de glazen toegangsdeur waarna we zelf het opgetaste blad met voedsel en sauzen naar binnen dragen. Het geeft een nieuwe dimensie aan het begrip bediening.

De meeste gelegenheden hebben zoveel ruimte niet. En ook als het een grote tent is heeft de oude inrichting en vooral de centrale positie van de bar tot gevolg dat het rookhok aanmerkelijk kleiner is dan de rest van de zaak. Zoals het café in een zijstraat waar we die avond na de lezing terechtkomen.

Het levert de ondertussen vertrouwde maar nog steeds hoogst merkwaardige aanblik van een uitgestorven zaal met tafeltjes, waarop kleedjes en klaarliggende bierviltjes, soms een achteruitgeschoven stoel van iemand die verwacht na zijn bezoek aan het hok hier weer terug te komen, een glazenspoelende barkeeper die af en toe een gewoontegebaar naar de shagbuil in zijn borstzak maakt, maar dan inhoudt, de zaal doorkijkt en weer glazen gaat spoelen. En daarnaast een ruimte in de orde van grootte van vier bij vijf meter, volgepakt met rokende, pratende en drinkende mensen, van wie af en toe eentje de grote zaal ingaat om een nieuw drankje op te halen. Hulpvaardige handen geven hem dan zoveel mogelijk lege glazen mee. Opvallend verschijnsel in die rookhokken is verder dat er veel niet-rokers tussenstaan, die zoeken blijkbaar toch de drukte op.

Als we later de barkeeper spreken denken we te begrijpen dat hij ook in zijn pauzes niet in het rookhok mag komen – wat ons eigenaardig lijkt. Het gemis, begrijpen we, zit hem vooral in de voetbalavonden. Vroeger werd er bij wedstrijden van het Nederlands elftal een groot scherm opgesteld en zat het barstensvol klandizie. Tegenwoordig laten ze dat scherm maar, het heeft toch geen zin.

In Purmerend, de volgende dag, constateren we dat we van het verbod meer gaan roken. In de verwachting dat roken straks niet zal kunnen, steken we op straat al op. Het aantal buitenrokers is trouwens opvallend toegenomen, het straatbeeld in een centrum is zeker anders geworden.

Aan de Kaasmarkt heeft een café het terras overdekt en met flappen min of meer uit de wind gehouden. Een gedistingeerde dame van middelbare leeftijd komt er binnengelopen, kijkt naar de flappen en zegt: „Wat een uitvinding.” Als ze zit en rookt, mengt ze zich in de gesprekken.

„Het verbroedert”, zegt een van de andere terraszitters. Dat is zeker waar. Rokers die een etablissement hebben gevonden waar het kan, hebben meteen ook een gespreksopening. Daarmee is een gevoel van verbondenheid gesmeed dat een goed uitgangspunt is voor lange en intense gesprekken over van alles en nog wat.

Misschien hebben we niet goed gezocht en daardoor de verzetshaarden niet gevonden, maar laat op de avond lijkt Purmerend erg gezagsgetrouw. We zitten met andere mensen bibberend op een terras. De barman die de drankjes komt brengen kan met ons meevoelen. Hij voorziet een stad met individuele thuisdrinkers en geen uitgaanscentrum.

„Nieuwjaarsdag 1819, zeven uur ’s avonds. In de menageketel pruttelt zachtjes het warm gestookte bier. Buiten voor de deur hebben zich kolonisten van alle leeftijden verzameld. De spinzaal is versierd met groene takken en wordt door meer dan dertig kaarsen verlicht. De banken uit de school zijn rondom langs de muren geplaatst, op twee grote tafels in het midden liggen lange pijpen en tabak.” (’De proefkolonie’, pagina 111.)

Dat waren nog eens tijden.

In de provinciestad M. hangen op de ruit van een café plakkaten met de vraag of er op de rookplek ook gewerkt mag worden en de mededeling dat voor roken al betaald is via accijns. Toch zie ik binnen niet meteen de rook opkringelen. Ik vraag voorzichtig. „Graag”, zegt de uitbater. Hij steekt zelf ook op.

Een paar dagen eerder was op de radio te horen dat op het CDA- congres werd gepleit voor een minder strenge toepassing van het verbod. Maar een opposant had melding gemaakt van zijn astmatische aanleg en van zijn vreugde dat hij tegenwoordig zonder schroom een horecagelegenheid kan binnenstappen. „Doet ie toch niet”, denkt de barkeeper.

Volgens hem ben je met een paar rookvrije cafés per stad klaar, meer klandizie zit er niet bij mensen die last hebben van rook. Blijkbaar zijn dat geen kroegtijgers. Wel vindt hij, en iedereen die ik spreek, dat zulke cafés er moeten komen. Hij somt op welke cafés dat in M. qua sfeer zouden moeten zijn. In zijn tent voelen ’ze’ zich toch niet thuis, denkt hij.

Hoe de discussie op dat CDA-congres is afgelopen weet ik niet, maar ik kan het wel voorspellen: het is onaardig om je te keren tegen mensen met een lichamelijke handicap.

Later die avond blijkt dat de stad massaal de kont tegen de krib heeft gegooid. ’s Hertogenbosch en Tilburg mogen dezer dagen in het nieuws zijn, het lijkt of tijdens de novemberkoude een landelijke beweging is ontstaan. Naar ik begrijp wordt in M. in op twee na alle cafés weer gerookt. Die twee blijken dezelfde etablissementen te zijn als die eerder als mogelijke toevluchtsoorden voor de niet-rokers genoemd waren.

In Gorinchem, ook alweer op een Grote Markt, mag het terras dan met zeildoek afgescheiden zijn en mogen er enige warmtebronnen hangen, het blijft te kil om aangenaam te zijn. We merken allebei dat we aan deze rondreis een stevige verkoudheid overhouden.

Later op de avond zie ik in een zijstraat door het raam een paar tafeltjes waaraan in groepsverband gekaart wordt. Dan weet ik dat ik goed zit. Zo’n kaartclub is meteen verdwenen als het niet mag en hopt dan net zo lang van ruimte tot ruimte tot ze een locatie gevonden hebben waar ze hun gang kunnen gaan.

Om te vermijden dat ik word aangezien voor controleur, heb ik inmiddels iets bedacht: bij het binnentreden heb ik een pakje sigaretten en een aansteker goed zichtbaar in mijn hand. Dan weten ze meteen wat voor volk ze in huis krijgen.

Een soort vrijmetselaarsgroet, maar dan anders. De asbak staat al voor mijn neus voor ik zit.

Amersfoort is voorlopig de laatste gemeente die we aandoen. Het heeft een unicum. Op het Lieve Vrouweplein spreek ik voor het eerst, voor het allereerst tijdens deze uitstapjes, een barman die vertrouwen heeft in de rookvrije toekomst. Hij verwacht dat „de klanten zich er wel op in zullen stellen”. Zou kunnen, denk ik, zou kunnen. Maar hoelang zal dat duren? Of beter gezegd: hoe koud moet het worden? Want terwijl hij het zegt is zijn zaak leeg en zitten er vijftien kleumende mensen op zijn terras.

Zo bezien is het broeikaseffect de grootste belemmering om mensen van het roken af te krijgen.

Ook die avond vertel ik, als vast onderdeel van de lezing, over de bevoogding die de bewoners van de landbouwkoloniën ondervonden. „De weldadigdoeners wisten precies hoe de beweldadigden moesten leven om betere mensen te worden”, is mijn samenvatting. Omdat zij het beste met hun kolonisten voorhadden voelden zij zich gerechtigd regeltjes op te stellen en straffen uit te delen voor zaken als ’misbruik van den sterken drank’, ’geen acht op een proper huishouden’, ’onzedelijke omgang met elkanderen’, enzovoort.

Het onderwerp levert meestal hilariteit op bij de toehoorders. En hoewel het niet netjes is om over een afstand van honderdvijftig jaar oordelen te vellen, betrap ik mijzelf op een meesmuilend dedain jegens de negentiende-eeuwse zedenprekers en hun neiging tot betutteling.

In de maand december was ik in mijn eigen stad (Groningen). De lezingen beginnen pas weer eind januari. Ik zie ertegenop, maar misschien krijgen we een vroeg voorjaar.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden