Rohingya Noor (85) vluchtte met negen kinderen en zestig kleinkinderen naar Bangladesh

Noor Ahmad Beeld Ate Hoekstra

Uit angst voor het Burmese leger en boeddhisten vluchtten 693.000 Rohingya-moslims naar Bangladesh. De familie van Noor Ahmad was in augustus 2017 getuige van het bloedbad van Tula Toli.

Het vluchtelingenkamp Kutupalong in Cox's Bazar, Bangladesh, is gebouwd op een uitgestrekt terrein van zand, klei en modder. Een groepje halfnaakte kinderen speelt er bij een waterput. Mannen met grijze baarden schuilen onder een wankele overkapping tegen de fel schijnende zon. En waar een jaar geleden de bomen nog volop tegen de heuvels opgroeiden, staan nu de hutten van vluchtelingen. Het zijn eenvoudige verblijven waarin het tijdens de hete middaguren aanvoelt als in een sauna.

Noor Ahmad leunt op een stok als hij met een langzame tred door het kamp wandelt. De 85-jarige Rohingya-moslim vluchtte afgelopen september met zijn familie - hij heeft negen kinderen en zestig kleinkinderen - naar Bangladesh. Weg van de Burmese deelstaat Rakhine waar soldaten en boeddhistische nationalisten hen met de dood bedreigden. "De hele familie woont nu in Bangladesh. We zijn verspreid over de kampen, maar we zijn veilig en we leven nog. Allah is ons genadig geweest", zegt hij.

Ahmad woonde bijna zijn hele leven in Tula Toli, een dorp in het westen van Rakhine waar Rohingya en boeddhisten generaties lang naast elkaar woonden. In het heuvelachtige landschap werkte hij als boer, net als zijn vader en diens vader voor hem. "We hadden veel land, ontelbaar veel koeien, buffels, geiten en kippen. Tijdens de moessonperiode verbouwden we rijst, in de winter watermeloenen en aardappelen", vertelt hij.

De Rohingya wonen al generaties lang in Burma. Decennia geleden werden ze erkend als staatsburger. Ze hadden identiteitskaarten en eigendomsrechten. Net als ieder ander in Burma mochten ze vrij rondreizen.

Na in 1948 verlost te zijn van de Britse kolonisators, raakte het Burmese leger verstrikt in een burgeroorlog met rebellen die vochten voor onafhankelijkheid. Maar de Rohingya waren geen grote onafhankelijkheidsstrijders. Het waren vooral hun buren, de boeddhisten, die naar de wapens grepen. "Wij waren destijds veilig", vertelt Ahmad. "We leefden in vrede en hadden papieren die bewezen dat wij bij Burma hoorden. Er waren voor ons geen problemen."

Bang voor de buren

Ook Ayesha Khatun (55) herinnert zich de tijd dat boeddhisten en moslims elkaar nog niet naar het leven stonden, vertelt ze in een benauwde vluchtelingenhut. "Vroeger had ik vriendinnen die boeddhist waren. We kwamen bij elkaar thuis, deden zaken met elkaar en gingen naar elkaars bruiloften."

Ayesha Khatun (55) Beeld Ate Hoekstra

Khatun, de echtgenote van Ahmads oudste zoon, heeft een zachte stem. Haar sombere ogen kijken geregeld in de verte, alsof een traumatische gebeurtenis zich opnieuw afspeelt in haar gedachten. Ze herinnert zich vooral het wantrouwen, de discriminatie en het geweld in haar dorp. "We werden steeds banger voor de boeddhisten. Zij hadden wapens en de steun van het leger. Wij hadden niets. Soms probeerde ik nog met mijn oude vriendinnen te praten, maar ze wilden niets meer van me weten."

In de loop der jaren veranderde de situatie in Burma volledig. In tegenstelling tot de Britse kolonisators beschouwde de militaire junta, die in 1962 de macht greep, de Rohingya al snel als illegale indringers uit Bangladesh. Het wantrouwen groeide, hier en daar werd gevochten.

In 1978 sloeg de vlam in de pan. Het leger begon een militaire operatie die meer dan 200.000 Rohingya naar Bangladesh deed vluchten. Ahmad en zijn vrouw vreesden voor hun leven. "Dat was de eerste keer dat ik naar Bangladesh kwam", vertelt Ahmad. "We hebben hier acht maanden gezeten, een paar kilometer verder dan waar we nu zijn."

Toen ze terugkeerden naar Rakhine was Ahmad zijn land kwijt. Hij werd gedwongen een nieuw bestaan op te bouwen. Dat lukte, maar de problemen waren verre van voorbij. In 1982 besloot de junta nog maar 135 minderheden te erkennen. De Rohingya raakten hun staatsburgerschap kwijt. De discriminatie nam toe. De toegang tot onderwijs, medische zorg en werkgelegenheid werd ingeperkt. Identiteitsbewijzen moesten worden ingeleverd. Vrij reizen werd moeilijker. Grote stukken land werden afgepakt.

Moskee gesloten

In een van de vele valleien in Kutupalong, met ruim 500.000 inwoners het grootste vluchtelingenkamp ter wereld, rennen enkele kinderen lachend achter een kip aan. Ze passeren een eenvoudig gebouw dat dienstdoet als moskee. Het is waar Abdul Giafun (45) geregeld is te vinden. De derde zoon van Ahmad werkte in Burma in een madrasa, een islamitische school, waar hij lesgaf over de Koran en andere religieuze boeken. De moskee en de madrasa werden door het leger gesloten.

Abdul Giafun (45) Beeld Ate Hoekstra

"Na 1992 werden de restricties zwaarder en namen de bedreigingen toe", vertelt Giafun. "Veel van onze buren zijn in die tijd gevlucht. Wij wilden niet weg. Als de soldaten kwamen en ons bedreigden, stopten we hun wat geld toe. Soms gaven we hun een paar kippen. Dan waren we weer een tijdje veilig."

De onderdrukking nam toe. "Nadat ze ons onze rechten hadden ontnomen, begonnen ze ons te arresteren en te martelen. De politie en het leger konden doen wat ze maar wilden. Ik ben zelf ontelbare keren gearresteerd."

De vader van zes kinderen werd zelfs gearresteerd toen hij vlak bij huis ging vissen, zoals hij en zijn familie zo vaak deden. Pas na het betalen van een boete van 5000 kyat (ongeveer 3 euro) werd hij vrijgelaten uit de gevangenis. Hij schudt ongelovig zijn hoofd. "We mochten niets meer zonder toestemming doen. Wilde je naar de jungle om brandhout te verzamelen, dan moest je toestemming vragen. Wilde je naar de markt om eten te kopen, dan mocht dat pas nadat je de politie 5000 kyat had betaald. Er zijn veel mensen om niets gearresteerd. Sommigen van hen zitten nog steeds vast."

Zes jaar geleden kwamen de boeddhisten en de Rohingya lijnrecht tegenover elkaar te staan nadat een boeddhistische vrouw was verkracht en vermoord. Er braken etnische rellen uit die zeker tweehonderd levens eisten. Duizenden Rohingya werden uit hun huizen verdreven en kwamen in onhygiënische kampen terecht die ze slechts bij uitzondering mochten verlaten. De restricties werden strenger dan ze al waren.

In haar eenvoudige hut kijkt Ayesha Khatun opnieuw in de verte. Ze zucht. "2012 was het keerpunt."

Het bloedbad

Khatun herinnert zich 30 augustus 2017 als de dag van gisteren. Die ochtend kwam een meute mensen naar Tula Toli, het dorp van haar familie. Soldaten, boeddhistische monniken en andere mensen die ze nooit eerder had gezien. Het was een paar dagen nadat militanten van Arsa, een kleine rebellengroep die de wapens heeft opgepakt om tegen de onderdrukking van de Rohingya te strijden, politieposten hadden aangevallen. Het leger was bezig met een vergeldingsactie en vermoedde dat militanten zich schuilhielden in het dorp.

Zonder enige waarschuwing staken de soldaten huizen in brand en openden ze het vuur op inwoners. Mensen sloegen op de vlucht, maar lang niet iedereen kon wegkomen, vertelt Khatun. "Wij verscholen ons in de heuvels rondom ons dorp. Vanaf daar zagen we dat de soldaten een grote groep mensen naar een open plek bij de rivier leidde. Ze werden allemaal vermoord. Ik zag hoe ze kinderen in het vuur gooiden. Andere kinderen werden naar de rivier gesleept en verdronken."

Giafun was ook getuige van het bloedbad. Hij verschool zich in de jungle. "Ze dreven iedereen bij elkaar en hebben ze vermoord. Jong en oud, man en vrouw. Het gebeurde allemaal binnen een paar uur tijd. Ik denk dat ze meer dan vierhonderd mensen hebben gedood."

Human Rights Watch (HRW) onderzocht het geweld in Tula Toli. Volgens de mensenrechtenorganisatie werden in het dorp enkele honderden Rohingya ingesloten door het leger. Tienerjongens werden doodgeslagen, vrouwen verkracht. Nadat ze bij elkaar gedreven waren, werden eerst de mannen vermoord. Daarna de vrouwen en kinderen. De lichamen van de mannen werden in een massagraf gedumpt en verbrand, aldus HRW.

Beeld REUTERS

De familie van Ahmad wist te ontsnappen. Maar hun huizen werden platgebrand en veel van hun buren vermoord. Ze besloten te voet naar Bangladesh te gaan, een tocht van drie dagen door de jungle waarbij ze hun honger voornamelijk stilden door bananen te eten. Toen ze eindelijk de grens over waren, was de opluchting groot. "Ik dacht dat we in de hemel waren", zegt Giafun.

Zo'n 693.000 Rohingya zijn sinds augustus vorig jaar naar Bangladesh gevlucht. Ze hebben zich aangesloten bij de ruim 200.000 vluchtelingen die al in het grensdistrict Cox's Bazar woonden. Het is een van de grootste vluchtelingencrises die de regio de afgelopen decennia heeft meegemaakt.

Noodhulp

In de hut van Ahmad lopen kinderen in en uit; nakomelingen van de grootvader die ooit een welvarende boer was en die nu is overgeleverd aan noodhulp. Zijn zonen lopen af en toe naar een distributieplek van het Wereldvoedselprogramma. Daar krijgen ze rijst, peulvruchten en bakolie.

Giafun verkoopt een deel daarvan door, om met de verdiensten vlees, vis en groente te kopen. Het eten is niet genoeg, maar de leraar wil niet klagen. "Hier kunnen we in ieder geval 's nachts vredig slapen."

Giafun staat op van zijn stoel. Even later keert hij terug met een zak vol documenten. Hij laat een familiefoto zien van tien jaar geleden en eigendomspapieren van land, buffels en koeien. Dan komen er twee oude, papieren identiteitsbewijzen naar boven. De bijbehorende foto's zijn weggeraakt, maar het Burmese schrift is nog te lezen. Het zijn de identiteitskaarten van zijn ouders, afgegeven in 1955. "Als we ooit teruggaan, laat ik ze deze documenten zien om te bewijzen dat wij staatsburgers van Burma zijn", zegt Giafun.

Zijn vader bevestigt dat de identiteitsbewijzen van hem en zijn vrouw zijn. Maar Ahmad betwijfelt of hij zijn geboorteland ooit nog terug zal zien. "Burma wil ons niet. Het enige wat Burma wil, is de islam verdrijven. Ze pakken ons land af en geven het aan de boeddhisten."

Onder Aung San Suu Kyi, de Nobelprijswinnares die in 2015 de verkiezingen won, is er volgens hem niets veranderd. Haar partij mag dan samen met het leger het land besturen, voor de Rohingya is de situatie alleen maar slechter geworden, zegt het familiehoofd. "Aung San Suu Kyi is net als alle anderen. Ze praat over democratie, maar wij worden net zo goed vermoord."

Ayesha Khatun kijkt terneergeslagen om zich heen. Zij mag dan veilig zijn, haar broer en haar oom zijn dat niet. Die zitten nog vast in Maungdaw, in het westen van Rakhine. "Ik bel geregeld met ze en vertel ze dan dat ze naar Bangladesh moeten komen, maar ze mogen hun dorp niet verlaten", zegt ze. "Ik vrees voor hun lot."

Lees ook:

Geen Rohingya die nu al terug durft naar Burma

Als het aan Bangladesh, Burma en de Verenigde Naties ligt, gaan de Rohingya-moslims op termijn terug naar Burma. Burma en de VN ondertekenden in juni een afspraak die hun terugkeer dichterbij moet brengen, maar de gevluchte Rohingya zijn nog lang niet overtuigd.

Steeds meer Burmezen keren terug om het land vooruit te helpen

Burma staat in de schijnwerpers vanwege de verdrijving van de Rohingya-moslims. Maar tegelijk ontwikkelt het Aziatische land zich ook. En dat is mede te danken aan leden van de diaspora die terugkeren.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden