Rock do Brasil

Tot voor kort omzeilden vreem delingen de Braziliaanse volks wijk Alto José do Pinho in de stad Recife. ,,Met de opkomst van de bands is het hier nu veilig. Dat is 'bom pra carramba'.''

door Stijntje Blankendaal,

In Recife, de hoofdstad van een staat in het noordoosten van Brazilië, zijn twintig tot dertig moorden in een weekeinde gebruikelijk. Ooit was Recife het centrum van de Hollandse overheersers van dit kustgebied. De West-Indische Compagnie maakte het gebied in 1632 buit op de Portugezen, maar werd er in 1654 weer uitgegooid.

De havenstad behoort nu nog altijd tot de vier grootste steden van Brazilië - er wonen zo'n anderhalf miljoen mensen -, maar is qua economische ontwikkeling de laatste decennia achtergebleven en heeft het hoogste werkloosheidscijfer van het land. Meer dan de helft van de bevolking leeft in favelas (sloppenwijken) en het geweld neemt toe: drugs(handel) en cachaca (een suikerrietdrank met veertig procent alcohol) vernietigen alle morele grenzen.

Tot voor kort behoorde Alto José do Pinho, een heuvel in het midden van Casa Amarela (de belangrijkste volkswijk van Recife), tot de plekken waar je als vreemdeling maar beter niet kon komen. Nu kijkt niemand op van een paar fel afstekende gringo's die zich door de straten begeven. Bij 'Bar da Tia' op het centrale plein gaat 'tante' volledig op in het dominospel. Zo af en toe voorziet ze haar klanten van een colaatje of cachaca. Vreemdelingen komen in de wijk voor de Maracatu: de traditionele slaven-koningsdans, waarin onder een donderende percussie de koninklijke hofhouding in gekleurde kostuums haar opwachting maakt, of voor de vele bands, zoals Devotos, onder leiding van Cannibal.

'O Cannibal', is nét vertrokken, vertelt een meisje dat voor zijn met graffiti bespoten huis staat. We hebben pech, want hij heeft er de hele middag met zijn band Devotos gerepeteerd. Paulo André, de manager van bijna alle rockbandjes in Recife en organisator van het grote 'Abril pro rock' rockfestival, had mij twee dagen eerder op Cannibal en de cd Alto falante gewezen, waarop zes verschillende bands hun protest tegen het dagelijks leven uitschreeuwen. Alto falante betekent luidspreker, maar verwijst ook naar de naam van de wijk, Alto José do Pinho.

Ik kwam bij Paulo André om een verhaal te maken over de 'movimento mangue', een muzikale en culturele beweging, opgericht door Chico Science. Chico Science was een zanger uit Recife die in 1995 en 1996 tijdens zijn tournees door Europa met de band Naçao Zumbi in Amsterdam groot succes had. Een jaar later kwam hij om bij een auto-ongeluk, maar zijn naam klinkt nog overal en veel bandjes zien zichzelf als onderdeel van de muzikale stroming die hij in beweging heeft gebracht.

Wat is mangue? André: ,,In de pers wordt gesproken alsof er één manguebeat is, maar die bestaat niet. Het is een concept. Chico kwam in 1991 met de mix van de traditionele tamboerijn, het ritme van de maracatu, rap en rock. Parallel aan hen waren andere alternatieve bands als Devotos en Mestre Ambrosius actief, maar de pers noemde vanaf dat moment alles mangue.''

De mangue is begonnen met een vriendenclub van beeldend kunstenaars, journalisten en muzikanten, waaronder Chico Science. Ze hadden hun basis in een appartement van een van hen, in het centrum van de stad. Ze wisselden onderling platen uit, spraken over de muziek en hadden belangstelling voor de stad.

Volgens hen gebeurde er in de jaren tachtig niets op muzikaal gebied in Recife. Er bestond wel een alternatieve muziekscene, maar die was marginaal en speelde zich af op afgelegen plaatsen, in kleine barretjes en buurthuizen. 'Wel' dachten ze 'óf we moeten deze plek veranderen óf we moeten van plek veranderen'. Ze kozen voor het eerste, want geld om te vertrekken hadden ze niet.

Op een dag kwam Chico de bar binnen waar hij met zijn vrienden had afgesproken. ,,Ik heb een nieuw ritme gevonden, een combinatie van hiphop met maracatu, een groove en ik noem het mangue.'' zei hij. Hij vond het een sterk woord. Toevallig had één van hen, Fred 04, net een documentaire over de mangue (mangrovebossen) gemaakt, als sociaal verschijnsel. De jongens besloten dat mangue daarom niet alleen een beat moest zijn, maar de gehele culturele scene moest bestrijken.

Fred 04 stelde een manifest op: 'krabben met hersens', die op de eerste cd van Chico Science staat. Het manifest begint met een verklaring van het begrip 'mangue', de uitloop van de rivier in zee, waar muggen en krabben en tweeduizend andere organismen in de vruchtbare modder wonen. Dankzij de vangst op krabben weten veel mensen te overleven, maar de mangue wordt, 'sinds de verdrijving van de Hollanders in de zeventiende eeuw', steeds verder teruggedrongen vanwege lukrake woningbouw. De arme man is als de krab. Hij wordt de misdaad ingedreven, terwijl de politici nog altijd in de illusie leven in een metropool te wonen. 'Nood!' riep het manifest in 1991: 'Wat er nodig is, is een shocktherapie, die de aderen van de stad weer laat stromen.' Symbool is een schotelantenne die in de modder gestoken is, signalen uitzendt én ontvangt. De mix, waarin Chico Science rapt op het percussieritme van de maracatu, en het gebruik van de begrippen mangue en caranguejo (krab) is duidelijk geworteld in de cultuur van Recife. Maar die schotelantenne was niet voor niets gekozen. De jongens wilden zich vooral niet laten beperken. Er bestaat niet één mangue-geluid. Mundo Livre, de latere band van Fred 04 en Naçao Zumbi (die na de dood van Chico Science is doorgegaan) zijn de belangrijkste exponenten, maar maken ieder héél andere muziek. Mundo Livre mengt rock met samba. En een band als Devotos is eraan verbonden zonder op de tamboerijn te spelen. De enige overeenkomsten zijn de diversiteit en de levensovertuiging.

Veel mensen waren huiverig voor de harde Braziliaanse rock, maar de muziek van Chico Science sloeg aan onder de middenklasse jeugd én kreeg internationaal succes. De gevestigde zanger Gilberto Gil noemde Chico vernieuwend voor de Braziliaanse muziek en trad in 1995 samen met hem op in Central Park in New York. De pers begon te schrijven. Wie meedraaide in de marge van de alternatieve scene was Cannibal.

De buurjongen, die vanaf de poort de hele dag het gebeuren bij het huis van Cannibal gadeslaat, vertelt dat de zanger zeker nog terugkomt. In de tussentijd kan hij ons aan een andere muzikant voorstellen: Leo, oftewel Zé Brown. Zijn band, Faces do subúrbio, heeft namelijk ook aan de cd Alto falante meegewerkt. Leo staat halverwege een geïmproviseerde trap die tussen de huizen door de snelste weg naar beneden is. Om Leo heen hangt een schare jongetjes. Op zijn armen staan grof uitgevallen tatoeages van Nelson Mandela en Naçao Zumbi. Uit de radio's schalt breca: populaire, romantische muziek die hier de hele dag wordt uitgezonden.

Leo's band Faces do subúrbio romantiseert de werkelijkheid niet. De eerste cd die de hip hopband maakte, heet 'Como é triste de olhar' (hoe triest is het te zien). Op de hoes staan drie kinderen die in het vuilnis aan het werk zijn. Leo: ,,Heel veel families leven en overleven op het vuil. Als je geen enkele optie in het leven hebt, blijft er weinig anders over dan in de drugs te gaan. De handel betekent geweld. Kinderen groeien hier op straat op, zonder toezicht van hun ouders. Die denken alleen aan eten, aan het vervullen van de eerste levensbehoefte. Ik was net zo'n gozertje. Ik heb mijn lagere school niet eens afgemaakt. Mijn moeder had niets in de gaten, want zij was altijd aan het werk. Mijn leerschool kreeg ik op straat.''

Leo is 'ontsnapt'. Als kind ontdekte hij break dance (spreek uit: brèkie): ,,Ik dacht dat het een soort capoeira - een Afro-Braziliaanse dansvechtsport - was. Ik wist niet eens wat hiphop was. Toen ik op een kinderprogramma iets over rap zag en de vocalist hoorde boven een ritme dat ik nog nooit gehoord had en daarbij míjn dans zag, heb ik meteen een rapplaat gekocht. Ik ben er van alles over gaan lezen en samen met een andere vocalist ben ik uit protest tegen de sociale omstandigheden een band begonnen.''

De regen heeft ons inmiddels naar binnen gejaagd. Trots laat de rapper zien hoe hij zijn huis heeft gebouwd, met een ruime televisiekamer en veranda aan de straatkant. Hij is net terug uit Sao Paulo, waar hij een tijdje heeft gezeten. In Sao Paulo bevindt zich de muziekindustrie. Op de universiteit heeft hij lezingen gegeven over zijn vrijwilligerswerk als dansleraar van de breakdance aan zo'n zestig kinderen in het 'Instituto vida', een opvangcentrum voor kinderen uit Casa Amarela en omliggende wijken. ,,Kom er maar eens kijken vrijdag, dan ben ik er.''

,,Ga je nou met me spelen?'' Luana, z'n dochtertje, trekt Leo aan zijn arm. Genoeg gepraat, vindt ze.

Weer verder op zoek naar Cannibal. Het hek van zijn huis is nog steeds gesloten, maar bij het roepen van zijn naam, zwaaien de lange hairwraps boven de tralies uit. Kom binnen, kom binnen. Het is bloedheet in het piepkleine kamertje. Met ontbloot bovenlijf gaat Cannibal zitten om zijn verhaal te vertellen. Hij is duidelijk de leading man op de heuvel van José do Pinho.

In 1988 begon de hardrockband die toen nog 'Devotos do ódio' (toegewijden aan het kwaad) heette, met Cannibal als vocalist en bassist, een gitarist en een drummer, die nu allemaal tegen de dertig lopen. Cannibal: ,,Alto José do Pinho was in die tijd nog heel gevaarlijk. We speelden, maar werden niet door de buurt geaccepteerd. Ze zagen ons als een stelletje vagebonden.''

In 1993 stelde manager Paulo André de jongens voor mee te spelen op zijn eerste rockfestival. Cannibal: ,,Toen kwam de omslag. We gingen op andere heuvels spelen, kwamen op tv, in de kranten en de mensen van hier begonnen zich voor ons te interesseren.'' Chico Science vroeg Devotos in 1996 tijdens het voorprogramma van de lancering van 'Afrociberdelia' (de tweede en laatste cd van hem en Naçao Zumbi) in Sao Paulo te spelen. En in hetzelfde jaar werd Devotos' demo-clip 'Punk rock hard core Alto José do Pinho' voor de Braziliaanse MTV video music award genomineerd. Dat nummer is nog altijd een meezinger: 'punkie, rockie, hardjie corie, weet je waar dat gemaakt wordt? La no Alto sé do Pinho!!!!' Hun eerste cd verscheen in 1997: 'Agora t valendo' (nu is het het waard).

De duisternis valt over de heuvel van José do Pinho. Buiten op straat schieten de voetballertjes om het hardst in hun geïmproviseerde goals. Cannibal en ik spreken af om elkaar, met de band, de volgende dag opnieuw te ontmoeten. Devotos oefent momenteel iedere dag voor het concert dat ze aan het einde van de week geven voor de lancering van hun nieuwste cd: ook 'Devotos' genaamd. Cannibal geeft een exemplaar mee van de cd Alto Falante. Het was zijn initiatief om zes bands op de plaat te verenigen met hun rap, rock, hardcore en reggae. Vier komen er van de heuvel, twee (Atiaia en Ataque Suicida) echter uit Peixinhos, de wijk van Chico Science, in het naburige Olinda. De twee buurten zijn volgens Cannibal met elkaar verbonden doordat de bewoners in dezelfde sociale omstandigheden leven en moeten vechten tegen het geweld.

Bij aankomst op het afgesproken tijdstip is het hek dicht. De buurjongen vertelt dat Cannibal naar de stad is vertrokken. Aan de andere kant van de straat zit een opgeschoten jongen op de stoep, broek halverwege de heupen en snelle gympen aan de voeten. Op zijn schoot ligt een bekken van een drumstel. Ook hij wacht op Cannibal. De jongen heet Sérgio en speelt in de punk rock/hardcoreband Terceiro Mundo (derde wereld) en is klusjesman voor Devotos.

,,Als ik de muziek niet had gehad, was ik dood geweest, oudje (de aanspreektitel onder jongeren). Ik heb heel veel collega's dood gezien. Maar Chico heeft hier de wereld geopend. We hebben hier wel geen mangue, maar een ander geluid, bom pra carramba, velha.... Het is hier echt het centrum van de hardrock. Ergens in de jaren tachtig is het hier met de muziek begonnen. Daarvoor kwam deze buurt alleen maar in caderno c in de krant: dos mortos (het doden- en vermoordenkatern).''

Sérgio heeft het spelen op straat geleerd, op de stoep, improviserend met zijn vrienden tot er vanzelf een bandje ontstond. De leden van de verschillende bands (zo'n acht in totaal) van José do Pinho kwamen tot voor kort vaak samen in de bar do Orlando: ,,Een klein barretje, waar mensen spontaan kwamen spelen, MTV heeft er nog gefilmd. De tent is nu dicht, helaas.'' Feest was het tijdens de lancering van de cd Alto Falante: ,,Het was echt voor de mensen van hier. De hele straat stond bomvol.''

Een taxi en een oude kever houden stil voor Cannibals huis. Cannibal springt naar buiten, opent de poort en een aantal jongens verdwijnt naar binnen, anderen hangen rond en ouwehoeren. De repetitie kan niet beginnen omdat de gitarist er nog niet is. Cannibal stelt buiten voor om hem op te zoeken in zijn atelier waar hij bezig is een groot doek te beschilderen als decor bij hun optreden de volgende dag. Iedereen propt zich in de taxi die een rondje over de top van de heuvel maakt. We komen uit bij het huis van de ouders van Neilton, de gitarist.

Neilton, type student met ernstig kijkende ogen, speelt sinds twaalf jaar (vanaf zijn zeventiende) in Devotos. Eerder speelde hij in een heavy-metalbandje, maar hij stapte over toen Cannibals gitarist naar Japan vertrok. Ze kenden elkaar nog van de kleuterschool. Hij vertelt hoe ze werkelijk alles zelf moeten doen (en hebben moeten leren): van het regelen van concerten tot het maken van cd-hoesjes. Hij is de schilder van de band. Als hij zijn atelier wil laten zien, is Cannibal weer verdwenen. Sérgio en Neilton gaan voor, rondhangende jongeren groeten.

Binnen slaan de hitte en de verfdamp neer. Trots laat Neilton zijn Maria's zien, een zwarte en een witte met het kindje Jezus in contrast. Hij heeft zich voor zijn Maria's laten inspireren door de zwervers op het Praça da Justiça, die voor de kerk wonen. Neilton: ,,We - ik ook - hebben zoveel vooroordelen over mensen die op straat leven, maar er zitten hartstikke intelligente mensen bij.'' De ogen van Jezus plakte hij af: ,,Dat heb ik met stroken tape gedaan, omdat je dan je neiging om ze eraf te trekken kunt uitvoeren. Kijk maar.''

Lopend blijkt het atelier zich op slechts enkele meters van Cannibals huis te bevinden. Binnen is een geluiddichte studio van drie bij drie gebouwd. De airco staat aan, maar binnen no time loopt het zweet in straaltjes van drummer Celo af. Zijn T-shirt gaat uit, het gespierde lijf komt tevoorschijn, zijn broek hangt op de heupen. Alleen Neilton blijft gekleed. Dopjes in de oren moeten het gehoor beschermen tegen een overweldigend lawaai: 'alegria, paz, tudo que desejo' (vreugde, vrede, alles wat ik verlang). De toon is grimmig, de teksten zijn vreedzaam. Ze rammen de nummers erdoor, af en toe onderbroken door de mobiele telefoon van Cannibal, die luid galmend door de microfoon antwoordt.

Vrijdagmorgen staat rapper Leo volgens afspraak tussen zijn breakdance-pupillen in het Instituto Vida in een naburige wijk. De jongens van het opvangcentrum strekken zich uit over de zoldervloer, terwijl de meisjes zich beneden met het ontwerpen van kleding bezighouden. Er worden allerlei cursussen gegeven, van het spuiten van graffiti tot bewustwordingsbijeenkomsten over seksualiteit, burgerrechten en het milieu. Oprichtster Lúcia Ramos geeft biodance, een therapeutische dans die de kinderen losser in hun gevoelens moet maken. Geld van de overheid krijgen ze niet, alle inkomsten komen van buitenlandse instellingen als Terre des Hommes en bedrijven. Het nieuwste project van Lúcia is een cultureel centrum in Alto José do Pinho, dat ze samen met Cannibal aan het opzetten is. De grond is al gekocht en de bouw van het amfitheaterachtige pand is net zo'n beetje begonnen. Er komt een studio om cd's op te nemen en er zullen muziek-, dans-, schilder- en beeldhouwlessen gegeven worden. Iedereen uit José do Pinho mag zich ervoor inschrijven.

De drie rappers van Faces do Subúrbio zetten buiten de jongeren aan de hiphop. Tigre vertelt dat ze de rap uit Amerika hebben overgenomen, van de arme zwarte bevolking uit de Bronx met wie ze zich identificeerden, maar dat ze later ontdekten dat er een traditie in Brazilië bestaat, de embolada. De hedendaagse rap heeft een oudere broer: ,,In de embolada wordt ook 'gefreestyled', geïmproviseerd op verschillende thema's onder begeleiding van twee tamboerijnen. Mijn grootouders deden dat al. Chico Science spreekt er ook over: embolada é hiphop.''

Het geweld dat verheerlijkt lijkt te worden in Amerikaanse rap staat in contrast met de geëngageerde teksten van Faces do Subúrbio. Leo: ,,Iedereen projecteert zijn leven in de muziek. Daar verkoopt die taal. De VS zijn de eerste wereld, hier leven wij in de derde wereld waar de bevolking dom wordt gehouden. Daarom is het van zulk belang om informatie over te brengen. Het is een sociale kwestie. De armen worden hier tegen de nog armeren opgezet.''

De ouders van de jongens komen uit de zona da mata, het gebied achter de kuststrook, waar ze werkten op de suikerrietplantages. Ze zijn naar de stad gekomen om te overleven. ,,Onze ouders werkten in de ongeschoolde sectoren, zoals in de bouw, in de plantsoenendienst, heel simpel werk. Niemand van ons heeft de basisschool afgemaakt. Moeder werkte, er was geen controle.''

,,Wij hebben hier de veranderingen in gang gezet'', zei Cannibal eerder overtuigd, ,,Met de opkomst van de bands, dankzij de movimento mangue is het hier veilig. Dat is bom pra carramba. We hebben er wel een paar jaar op moeten wachten, maar de overwinning komt stukje bij beetje. Ik lees geen boeken en geen kranten, maar schrijf over wat ik zie, hoor, voel. Ik zing ook over hoop. Hoop voor de kinderen, dat ze geld gaan verdienen en zelfrespect krijgen. Dat ze met trots durven zeggen: ik kom uit Alto José do Pinho. Chico zou supertrots geweest zijn, de

scene is superdynamisch én homogeen. Chico Science is een mythe geworden. Voor velen staat hij naast Bob Marley en Che Guevara. Hij heeft geholpen een collectieve scene tot leven te brengen, die sterker is dan welke persoon ook.''

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden