Rob Schouten herleest Ollie B. Bommel

Welke klassiekers verdienen het herlezen te worden? Deze maand test het kanon 'De bovenbazen' van Marten Toonder.

Van alle strips die in Nederland gelezen worden trekken de verhalen rond de figuur van heer Ollie B. Bommel het meest intellectuele publiek. Dat ligt natuurlijk aan de verhalen zelf, veelal maatschappijkritische fabels, en aan het taalgebruik waarmee Toonder zijn opmerkelijke contributie aan het Nederlands heeft geleverd: 'een eenvoudige doch voedzame maaltijd', 'als je begrijpt wat ik bedoel', 'denkraam'. Maar het ligt ook aan het soort strip dat Bommel is: geen ballonnen, maar veel tekst, met begeleidende plaatjes. Wie die plaatjes weglaat, leest een volwaardig verhaal.

Toch zou ik ze niet willen missen, Bommel de beer, Bulle Bas de hond, Grootgrut het schaap. Zeer antropomorfe, aangeklede dieren weliswaar, maar niettemin dieren. Overigens vormt het centrale duo in deze fabels een uitzondering op deze aangeklede fauna: Tom Poes is naakt en heer Bommel draagt broek noch ondergoed. Niemand neemt er aanstoot aan, maar allicht betekent het iets; de protagonisten staan dichter bij de natuur.

Net als bij andere beeldverhaalduo's, Asterix en Obelix, Robbedoes en Kwabbernoot, heb je in de Bommel-verhalen de slimmerik en de onnozelaar. Tom Poes lost vaak de problemen op, terwijl heer Bommel in de weg loopt. De twee hebben wel wat van Kuifje en Kapitein Haddock. Tom Poes is net als Kuifje psychopathisch braaf; Ollie B. Bommels verwantschap met Haddock spreekt uit kleine zwakheden als inzinkingen, driftbuien en kasteelbezit.

Maar terwijl we Kuifje lezen ondanks de held, lezen we Bommel vanwege de held. Zijn zwakheid, zijn ijdelheid, zijn goede bedoelingen, twijfels, onnozelheid, kortom zijn diep doorleefde menselijkheid, nemen hem voor ons in. Bommel is een nouveau riche, alles wijst daarop, maar hij is een sympathieke patser, en iemand die ons permitteert hem te doorzien. Denken we aan andere publieke patsers, bijvoorbeeld Mrs Bucket uit 'Keeping up Appearances', dan heeft de beer steevast de warmere persoonlijkheid. Zijn geestelijke beperkingen staan buiten kijf maar hebben eigenlijk geen invloed op zijn levensloop; misschien is dat ook een visie die kritische intellectuelen treft en uitdaagt. De Amerikaanse opvatting dat rijkdom een kwestie van slimheid en morele superioriteit is, wordt door Bommels schepper getart. De Bommel-verhalen komen voort uit de christelijk-hellenistische cultuur en representeren het Europees gedachtegoed. Wat dat aangaat is de fabel van 'De Bovenbazen' misschien wel het meest wezenlijke Bommel-verhaal. Het gaat over kapitalisme en milieuvervuiling, maar ook over ware vriendschap. Het gaat over de nieuwe wereld tegenover de oude wereld.

Heer Bommels vermogen heeft door een gewonnen weddenschap met Tom Poes de kritische massa overschreden, het trekt alleen nog maar geld aan en daardoor is hij tot de 'Bovenbazen', de tien grootste kapitalisten van de wereld, gaan behoren. Een treurig groepje dat zich ver van de bewoonde wereld verveelt met het onderling ruilen van aandelen, bang dat het iets zal verliezen. ,,Zulke stakkerds leiden een kommervol bestaan bestaan, gevuld met zorgen en kwalen'' staat er in de beginregels. Dat het ironisch klinkt ligt misschien meer aan ons dan aan de auteur.

Bovenbaas Bommel krijgt van zijn collega's wat onschuldig ogende syndicaatjes maar blundert er zo mee dat de wereld al spoedig naar de afgrond glijdt, Eerst laat hij overal DDT spuiten, met ontbossing als gevolg, dan smijt hij geld weg aan mechanische spinnen, en ten slotte bezorgt de dwerg Kwetal hem een soort perpetuum mobile, dat de Bovenbazen uiteraard tot afgrijzen brengt. Ze verdenken de beer in zijn gele soepjas van 'ragfijn spel' en proberen hem het apparaat te ontfutselen. Ten slotte gebruikt Bommel het alleen maar om zijn vastgestroomde kapitaal weer in beweging te krijgen, waarbij Kwetals uitvinding overigens definitief teloorgaat. Gelukkig maar, want de Bovenbazen hebben natuurlijk gelijk, met een perpetuum mobile win je de wereld niet, althans niet de kapitalistische wereld.

'De Bovenbazen' zit vol subtiele vondsten. Befaamd is het feit dat Bovenbaas Amos Steinhacker zich niet bij zijn burgerlijke namen laat noemen maar uitsluitend met AWS wil worden aangesproken: ,,En noem me geen meneer, Steenbreek. Ik ben geen minvermogende.'' Maar ook de visuele effecten laten niet los. Zo woont AWS in een soort spelonk, versierd met reusachtige paaseilandbeelden. Wat zijn luxe eigenlijk iets overweldigend primitiefs geeft. Maar het mooist is de doorleefde vertwijfeling van heer Bommel, die als Bovenbaas eigenlijk geen omgang mag hebben met sloebers als Tom Poes maar in zijn hart verlangt naar diens vriendschap. Als zijn kapitalisme hem boven het hoofd groeit neemt hij zijn toevlucht in Tom Poes' stulpje. Ten slotte wordt hij gelouterd van zijn ijdele deelname aan de jetset: ,,Zo zie je, Tom Poes, geld speelt geen rol.''

In 'De Bovenbazen' maakt geld helemaal niet gelukkig en verliest technologie het van de natuur. Een groen-socialistisch verhaal, dat uitnemend in de jaren zeventig past, toen 'links' nog alert was. Maar z'n kracht heeft het nog altijd niet verloren, zeker niet nu die cultuur van de Bovenbazen het allang voor het zeggen lijkt te hebben gekregen. De waarschuwing van toen is het protest van nu geworden.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden