Rivalen

De liefde, het zal u niet zijn ontgaan, is dit jaar het thema van de boekenweek. De grote liefdes van Dante en Beatrice, Romeo en Julia, Anna Karenina en graaf Wronski blijven natuurlijk onsterfelijk. Maar interessanter is de vraag: wat doet liefde met de lezer? Kun je ook in vuur en vlam raken voor een personage? Kan een boek een romance verlengen of zelfs vervangen? Of doet lezen zélf denken aan verliefd-zijn, vooral aan die eerste keer, als je je nog grenzeloos in je eigen gevoelens kunt verdiepen? We vroegen het drie schrijvers en acht andere Nederlanders. Willem Brakman herinnert zich hoe een verschrikkelijk verlangen zich van hem meester maakte 'dat alles insloot, het plein, de ouden, het KNIL, Hanenburg, Houtrust en alles dat zacht was, blond en rond'. Maya Rasker voert ons naar Texas: ,,Hij voert me hapjes gestoofde slang en cactusblad.'' En Rob Schouten bekent zijn jeugdige passie voor de moeder van Rémi, uit 'Alleen op de wereld': ,,Ik benoemde Madame Milligan tot opperpriesteres van het besef dat onder nette mevrouwen wellustige wezens schuilgingen.'' Een drieluik over kaftoverschrijdende liefde.

In het Rijksmuseum Twenthe hangt vlakbij de ingang een schilderij van Isaac Israels, een schilder die ik onvermoeid en van harte bewonder. Al vanaf de eerste keer trof mij dit schilderij om meer dan het meesterschap, zonder echter precies te weten waarom. Het betrof hier 't portret van een jonge vrouw, een mooie vrouw die zich intens kritisch bekeek in een voor de bezoeker onzichtbare spiegel. Het is dan ook geen portret in de gebruikelijke zin maar het portret van een stand, een houding. De kamer is licht schemerig, een deur echter staat op een kier zodat de schilder een vlek oranje licht kon plaatsen dat het typische licht is van een hal waar spoedig de feestgangers zullen verschijnen. Het is een fascinerend schilderij, haast op ware grootte en waarvoor ik zo vaak heb staan kijken dat ik zonder enige humor vond dat ik het had verdiend om tegen deze vrouw te zeggen: ,,Knik toch eens.''

Vanwaar deze belangstelling ver buiten de esthetische categorieën? In het begin van de oorlog heb ik een jaar lang op de Zeevaartschool gezeten en had binnen dit kader een vriend die op het Frederik Hendrikplein woonde, in Den Haag. Een statig plein, met negentiende-eeuwse gevels, veel tapijten, weinig licht, en hoge kamers. Het was een huis voor de gegoeden. Het plein had ten overvloede in het midden een klein plantsoen dat op mij toen veel indruk maakte. In dat huis was ik 'raag, het was stil en in de gangen, de overloop, in de kamers, overal meubilair, veel kleden en allerlei nagelaten en overgeërfde Indische zaken: schilden, poppen, hanen. Foto's en meer van dat soort toestanden.

Omdat de dochter die zoetjes en knus Zus werd genoemd, nog zachter en blonder was dan de vrouw des huizes en voor iedereen even lief, werd er veel gefeest daar in dat donkere huis aan het Frederik Hendrikplein. Onophoudelijk kwam ik aanfietsen, gekamd en gewassen, zag het parkje als een verlossing opdoemen, zag de donkere en statige huizen en een diep geluk doorstraalde mij erbij te boren, zo zelfs dat ik nog wel eens in een uiterste aan zelfbeheersing een rondje extra reed voordat ik aanbelde. Op een avond met veel gezelligs in de lucht kwam Zus niet opdagen. Ze werkte in een modemagazijn dus een reden lag wel voor de hand, maar niettemin gingen mijn vriend en diens broer een paar keer naar de deur en keken dan uit over het plein en de Frederik Hendriklaan. Ook ik ging een keer kijken, let op, ik liep door de gang zwaar van Indië, langs de trap die naar boven voerde naar de oudgedienden, door de hal met de krissen, opende de zware deur en keek uit in de zomeravond in de verte en op dat moment werd ik verliefd, of ik ontdekte dat ik het was, wanhopig en heftig. Een verschrikkelijk verlangen maakte zich van mij meester dat alles insloot, het plein, de ouden, het KNIL, Hanenburg, Houtrust en alles dat zacht was, blond en rond. Ik weet niet of ze toen gekomen is, ik zou het moeten verzinnen maar ik weet wel dat we spoedig daarop het gekostumeerd feest hadden.

Gekostumeerde feesten, dat kende ik: schmink, een te wijde broek, bolhoed, snor, altijd de clown, de piraat en al dat soort zaken. Ik had een beter plan, een dag lang fietste ik heen en weer, leende hier een uniformjasje, daar zwarte schoenen en sokken, elders een broek die paste en tenslotte als kroon op het werk de pet, soepel gelijk een KNIL-pet, door stormen gelouterd, honderden malen opgezet met zwier en met een indrukwekkend gouden anker boven de glanzende klep. Voor de spiegel kon ik maar geen genoeg krijgen van mijzelf, draaide en heupwiegde als een buikdanser en kon de dag haast niet afwachten. Eindelijk was het zover, ik pakte de hele boel netjes in een doos en fietste naar het Frederik Hendrikplein. Aan de lange gezichten van de huizen kon ik zien dat het niet helemaal juist was wat ik deed, maar iets was sterker dan ik.

Nerveus kleedde ik mij om op het toilet, het haakje op de deur, stopte mijn eigen kleren in de doos, trok per vergissing door en stapte even later de kamer binnen zo uit Honolulu, pet scheef, anker in het lamplicht, krijtwitte manchetten uit de uniformmouwen. Het contrast was zoals ik had gedacht: piraten met hoofddoek en ooglap, verder de kale kop en de rode dopneus en er was ook een roodzijden broek wijd als een tent. De stilte viel met een klap, verdiepte zich, de zaak kwam maar moeilijk weer op gang, want iedereen liep voor gek, ik niet. Zelfs later niet op de avond toen iedereen zich wel meest onttakelen van de hitte. Daar zat 'm de kneep, ik wist hoe een uniform kon winnen in de loop van de avond; de weggeworpen, intrigerende pet, het geheel onthulde witte overhemd, het over een stoel gehangen jasje met de fonkelende knopen en de ankers op de revers. Dat was overwogen, dat was overdacht, dat rook naar superioriteit en distantie. Ook Zus had er niet lappig uitgezien; door haar werk, omdat ze zo laat klaar was, was het haar onmogelijk geweest zich te kostumeren zei ze en zo danste ik met haar door de kamer, twee normalen op hoog niveau en de muziek vergeestelijkte haar mollige rondingen tot schreiens toe. In een roes fiets te ik naar huis met in mijn hoofd het adres van de winkel waar zij werkte.

Het moest helaas verder allemaal onge üniformeerd gebeuren, maar al de volgende dag was ik present. De straat waar zij werkte viel wat tegen, zo een voor eenvoudige mensen en neringdoenden, maar in de winkel stond ze zo maar achter een toonbankje in een heel groene jurk en tegen allemaal vakken met warme wol. Ze schrok, zette grote ogen op, nam mij haastig mee naar buiten op het trottoir en was zeer verward. Ik zag haar gezicht, bleek als witbrood en vreemd. Ik fietste de lange weg terug, helemaal ongelukkig. Na een paar dagen kreeg ik genoeg van mijn verdriet of liever werd ik plotseling overvallen door een golf van vriendschap. Daarom fietste ik er dan ook op een mooie avond heen, weer blij met alle vertrouwdheden en met een borst gezwollen van vergevingsgezindheid.

Daar hadden ze op zitten wachten, de gevels waren donker en langgerekt, overal in het rond hingen de bleke borden van doktoren en advocaten, de deur was opengedaan en kilte was mij tegemoet gestroomd. In de zware luxe kamer kreeg ik het uitgemeten. Mijn vriend had zich afgewend en bekeek het tafereel via de grote spiegel met de gulden lijst, de broer steunde een arm op een donkerrode ladekast waarover zijn hand met zegelring afhing op een verschrikkelijke wijze. We waren beiden in zeer wit overhemd, wat mij met al dat meubilair aan de Franse Revolutie had doen denken en kijkend naar de afhangende hand met de zegelring waarvan de wijsvinger zo nu en dan even opwipte, heb ik het allemaal aangehoord: slecht beloond vertrouwen, misbruik van vriendschap, misbruik van gastvrijheid, het in opspraak brengen van een huisgenoot. Het zou nog een leven duren voor ik de gore hypocrisie ervan zou kunnen inzien, toen ervoer ik het als de gruwelijke en beschamende waarheid met zegelring. Ik kwam thuis en ging op mijn bed liggen, leegte drukte op mijn borst, suisde in mijn hoofd. Ik staarde voor mij uit en wist het niet meer. Zo liggen die zaken.

Zoiets doet toch anders zien. Zus is al snel in het tumult ondergegaan, ik heb haar nooit weergezien, maar die vierschaar heb ik een levenlang niet kunnen vergeten. Ik herinner mij nog goed die plotselinge hunkering in de hal, ja de gier om verliefd te zijn en dat is meer dan een zegelring, maar tendeert naar herkenning en begrip. Wat is geluk anders dan zonder schrik zich in zichzelf te kunnen verdiepen. Nu daar moest de hak overheen.

Dit alles in het schilderij van Isaac Israels neergelegd is toch een troost.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden